GEESTELIJKE OPBOUW
Het Calvinisme (20)
Wegens het buitengewone belang der macht kwam alles aan op het samenstellen van de Kerkeraad. De gevolgen van de ieder jaar plaats hebbende ouderlingenverkiezing werden verzacht, hoewel niet geheel opgeheven, door de bepaling, hen niet door anderen te vervangen, wanneer ze hun ambt goed hadden waargenomen en wanneer ze bij voorbeeld niet door een ander staatsambt in beslag genomen; dat deelt Calvijn zelf mee: „Qui probe et iideliter Hunere suo perfuncti sunt, loco non nioentur, nisi forte eos occupet alia cura rei jubileae). Zóó was de Kerkeraad, eenmaal aangesteld, een macht!
In het ontwerp van de commissie voor de kerkordening kwam het woord Kerkeraad(Konsistorium) niet voor; en de raad der stad heeft het woord er vermoedelijk ingezet, om den Kerkeraad met de dom-rechtbanken gelijk te stellen, om daardoor dus zijn recht aan te duiden. (Aldus Karl Holl in Calvinreden blz. 58 en ? aanteekening 45). Belangrijker was het dat hij de ouderlingen geregeld als ambtenaren en afgevaardigden van den Raad (Beamte und Abgeordnete des Rates) Aanduidde. (Commis ou deputez par la seigneurie).
Calvijn heeft zich met de vraag, of officiële personen lid van den Kerkeraad mochten zijn, nog dikwijls moeten bezighouden, vooral op plaatsen, waar de toestanden anders waren dan in Geneve, waar hij misschien meer naar zijn eigen ideeën had kunnen voortbouwen. Voor Heidelberg raadde hij aan twee ouderlingen door den Keurvorst, twee door de Universiteit, vier door de burgerlijke gemeente, dus door den Raad der stad, te laten kiezen; dat wil dus zeggen: alle ouderling-leden van den Raad aangesteld door de O v e r h e i d.
Zoo kunnen, heet het in dit advies verder, in het College voor de tucht, de standen, die anders gescheiden zijn, tot één geheel samengroeien, de Kerk haar recht verkrijgen en niemand behoeft bemoeilijkt te worden.
In beginsel heeft hij de kwestie op aanvraag van een Fransche Synode in een brief aan den predikant van Mont-Argis beslist. Daar zegt hij, dat er geen bezwaar bestaat, officieele personen op te nemen, als ze niet in hun qualiteit van overheidspersonen optreden. Het verschil tusschen de beide standen moet steeds in het oog worden gehouden, de geestelijke en de wereldlijke macht mogen niet met elkaar vermengd worden.
Als de O r d o n n a n c e s de ouderlingen „Commis ou deputez par la Seigneurie" aanduidden, was dat zeker tegen Calvijns bedoeling. Maar veel erger was het, dat geregeld een der stadsadvocaten in den raad zat en in de vergadering met het teeken van zijn wereldlijke waardigheid, den onaantastbaren staf, verscheen. Hieraan werd door een aanvullingsedict van 1560 een einde gemaakt met een uitdrukkelijke verwijzing naar de scheiding der machten.
Voor het geval, dat ook een stadsadvocaat zou worden gekozen, werd bepaald, dat hij slechts in zijn qualiteit als ouderling zonder den staf den Kerkeraad mocht bijwonen. Tegelijk legt hetzelfde aanvullingsedict er den nadruk op, dat steeds slechts twee leden van den Kleinen Raad zouden worden gekozen, terwijl vroeger, doordat de Vijfentwintig ook in de grootere Raden zitting hadden, de mogelijkheid bestaan had, enkel leden van den Kleinen Raad te kiezen. Verder moesten bij de verkiezing onder alle omstandigheden de predikanten aanwezig zijn, wat door „Usurpation vicieuse" hun ontnomen was. Het bovengenoemde aanvullingsedict werd op denzelfden dag aangenomen dat ook bepaald werd dat van de verkiezing der ouderlingen afkondiging aan den gemeente moest geschieden, om iedereen in de gelegenheid te stellen gegronde bezwaren in te brengen,
Wij zien dus, dat bij de verkiezing der ouderlingen dezelfde beginselen tot maatstaf dienen als bij de keuze der predikanten: onder alle omstandigheden aanwezigheid der geestelijken, beperking van de eigenlijke verkiezing tot een zoo klein mogelijk college en een breede basis door de goedkeuring der geheele gemeente.
De benoeming der ouderlingen door den Raad is geen principieele beslissing van Calvijn, zij beteekent slechts een aanpassing aan de eenmaal gegeven toestanden. Heel algemeen zegt hij in de Institutie, dat zij uit het volk moesten worden gekozen. [Inst. IV, 3, 8: „Doch er zijn twee ambten die voortdurend stand houden t.w. de regeering en de verzorging der armen. De regeerders zijn, naar mijne gedachten, geweest de ouderlingen, die uit het volk verkozen werden, om met de opzieners opzicht uit te oefenen over den wandel der leden en om de tucht te bedienen enz.] Daarmee zijn de leeken, die lid van den Kerkeraad zijn, geen vertegenwoordiging van de gemeente; zij oefenen veeleer een kerkelijk ambt uit, als de predikanten of de diakenen. Geen aanduiding wordt gevonden voor de met het natuurrecht overeenkomende idee van vertegenwoordiging. Waren de ouderlingen werkelijk vertegenwoordigers der gemeente, dan zou de gemeente door de ouderlingen invloed hebben. Bij den ban is de goedkeuring van het volk d.w.z. de stilzwijgende aanneming der afkondiging, een op zich zelf staande rechtshandeling. Deze is noodig, om den ban rechtsgeldig te maken.
Het karakter van de Kerk van Calvijn zou volkomen veranderd zijn, wanneer de ouderlingen door het volk waren gekozen. Bucer heeft in Straatsburg de poging gedaan, naast de kerkverzorgers de ouderlingen door de gemeente te laten kiezen; dat leidde dadelijk tot de vorming van conventikels. (Walter Sohm, Die Schule Johann Sturms und die Kirche Straszburgs. Hist. Biblioth. deel 27. München und Berlin, 1912, blz. 163). Wilde de Kerk van Calvijn den heelen Staat omvatten, dan moest zij dezen dit offer brengen; daarvoor bewees de Staat haar genoeg diensten. Pas het independentisme heeft den anderen weg kunnen en moeten gaan. Het werd zelfstandig, maar zijn gemeenten bleven conventikels.
De excommunicatie moet dus met weten en goedkeuring der gemeente plaats hebben; toch moet de volksmenigte de handeling geenszins besturen; ze moet veeleer als getuige tegenwoordig zijn en acht geven, dat niet b.v. de willekeur van een enkeling of van een kliek den ban kan uitspreken. (Inst. IV. 12. 7). Dat is de beteekenis van de medewerking van het volk, ook bij de verkiezingen. Activiteit, eigen initiatief, beslissenden invloed op de regeering, kan zulk een volk niet ontwikkelen; en Calvijn zou zulk een invloed van de onrustige massa zeer schadelijk geacht hebben — maar tegen den duidelijk en nadrukkelijk uitgesproken wil der gemeente kan de regeering der Kerk niet gevoerd worden.
Even krachtig als tegen de heerschappij der massa komt Calvijn er tegen op, dat een enkeling de beheerschende positie in de Kerk inneemt. Licht kan daaruit tyrannie ontstaan, wanneer het recht van den ban aan de predikanten afzonderlijk zou worden opgedragen. Ook de keuze der predikanten moet geenszins door één persoon plaats vmden. (Inst. IV. 3. 15). Alleen het college, de legitimus consessus, waarborgt de leiding der zaken zonder uitwendige invloeden. Hieraan ligt de opvatting te gronde, dat de enkeling zich nooit van zijn persoonlijke bedoelingen zoo volkomen kan losmaken, dat de vrijheid van zijn ondergeschikten verzekerd blijft. Daarvoor zorgt alleen 't volle ambtscollege, waarbij de bijzondere zienswijzen van den enkeling door de anderen worden afgeslepen en de bijzondere maatregelen en besluiten door woord en wederwoord zorgvuldig worden overwogen, om ten slotte tot een eenstemmige beslissing te komen. In het rapport voor Heidelberg legt Calvijn er uitdrukkelijk den nadruk op, dat alle dagvaardingen voor den Kerkeraad na eenstemmig besluit plaats vinden. Het college moet legitiem zijn d.w.z. door een bepaalde rechtshandeling zijn in het leven geroepen; de heerschappij van een partij of kliek moet daardoor uitgesloten worden. Als waarborg en controle voor het geheel geldt, zooals wij reeds gezien hebben, genoemde openbaarheid van het proces, die door de afkondiging der besluiten en verkiezingsuitkomsten wordt bereikt.
Calvijn heeft zich eens bij Melanchton over Luthers „tyrannie" beklaagd en daarbij opgemerkt, dat men er in de Kerk steeds op moet letten, hoeveel macht men aan één persoon geeft. Het zou met de Kerk gedaan zijn, wanneer een enkeling méér zou vermogen als de overigen samen, bijzonderlijk, wanneer hij zonder bezwaar zijn macht eens zou kunnen beproeven.
Calvijn heeft het verwijt van tyrannie telkens weer moeten hooren. Hij bezat niet Luthers vroolijke onbekommerdheid; hij te gevoelig, dan dat hij niet diep in zijn ziel onder die blijvende aanvallen zou geleden hebben, des te meer, toen ze niet enkel zijn persoon, maar ook zijn werk golden. Telkens weer trachtte hij de verwijten te ontzenuwen; hij wees op de eenstemmigheid der besluiten, legde er den nadruk op, dat zijn collega's zich nog nooit over pressie van zijn kant hadden beklaagd, zijn optreden veeleer te voorzichtig achtten en hem vaak uitgenoodigd hadden, van zijn gezag méér gebruik te maken.
Toch zag hij daarbij niet, dat een 18 later 24-hoofdig college slechts dan één lichaam wordt, wanneer één geniale geest het beheerscht, een geest, die het grootste geheim van werkelijke macht bezit, die van zijn macht nooit te veel eischt. Hij móést dat over het hoofd zien. Heerschappij van één man in de Kerk, wilde zeggen, dat deze zijn persoonlijke bedoelingen opdrong. Calvijn was zóó vervuld van zijn zending, dat hij nooit geloofde, zijn eigen zaak voor te staan, maar steeds de gemeenschappelijke zaak van alle geloovigen, de zaak van Christus. (Zie: Opdracht aan Frans I. 2. 11). Zijn subjectieve werken en denken was voor hem het arbeiden van den objectieven geest en hij vergat noodwendig daarbij, dat juist het „hoe" de gave zijner groote persoonlijkheid was.
Het leidende gezichtspunt voor de inrichting van het kerkideaal is dus het pogen, haar vrij te houden van alle uitwendige invloeden. De zorgvuldige voorzorgsmaatregelen tegen het menschelijke, het al te menschelijke, zooals het gebod van het ambtscollege, geven aan de Kerk een ongehoorde onpersoonlijkheid en een rationeele zakelijkheid. Zij geven tegelijk aan iedere ziel in het bijzonder, die zich geheel aan de Kerk onderwerpt en voor wie de opvolging van de disciplinaire voorschriften een zaak des harten is, een vrijheid, die zich onafhankelijk moet maken van alle pogingen der kerkelijke machthebbers, zuiver persoonlijke wenschen te vervullen. Niet de slagvaardigheid en de standvastigheid in den strijd van het kerkelijk geheel, maar de vrijheid der Kerk, de vrijheid van elke ziel in het bijzonder, is de vormende kracht van de kerkidee van Calvijn. (Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's