De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Manasse

13 minuten leestijd

Daarom bracht de Heere over hen de krijgsoversten, die de koning van Assyrië had, welke Manasse gevangen namen onder de doornen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. En als Hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des Heeren zijns Gods ernstig aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht des Gods zijner vaderen. En bad Hem; en Hij liet zich van hem verbidden en hoorde zijne smeeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem in zijn koninkrijk. Toen kende Manasse dat de Heere God is. 2 Kronieken 33 vers 11—13.

Daar zijn in het Woord onzes Gods enkele verbazingwekkende voorbeelden van menschen, die er toe gebracht zijn niet enkel hunne zonden te erkennen, maar ook te belijden, als Gods slaande hand hen straft, dat Zijn doen rein en dat Zijn vonnis gansch rechtvaardig is. Daar is geen twijfel aan, of ge zijt wel bekend met den naam van Adoni-Bezek, ons vermeld in het eerste hoofdstuk van 't boek der Richteren. Van hem staat ons geschreven, dat hij niet voldaan was met den buit van zeventig vorstendommen en hunne koningen — maar zulk een monster was hij, dat hij van die zeventig vorsten de duimen der handen en der voeten afsneed, en dat hij hen dwong als honden te kruipen onder zijn tafel, om daar de kruimen op te lezen.
Maar dan gebeurt het, dat de Heere hem nog in dit leven voor Zijn vierschaar daagt en hem tot verantwoording roept over zijn gruweldaad. Juda toch neemt hem gevangen en slaat hem de duimen zijner handen en zijner voeten af. En dan spreekt Adoni-Bezek dit merkwaardige woord: »Zeventig koningen met afgehoudene duimen van hunne handen en van hunne voeten waren onder mijne tafel de kruimen oplezende gelijk als ik gedaan heb, alzoo heeft mij God vergoIden«.
Naast dit soort van voorbeelden, waarin de mensch wel Gods wrekende hand erkent, maar niet tot bekeering komt, hebben we andere, van menschen die even goddeloos waren, maar wie het God behaagde ze weder te brengen tot Hem, door de almacht Zijner genade aan hen te openbaren.
Wij lezen van Nebucadnezar, dat zijn hart hoog in hem verheven was. Straks wordt hij uit de menschen verstooten en at gras als de ossen. Zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat zijn haar wies als der arenden vederen en zijne nagelen als der vogelen. En in dezen schrikkelijken toestand bleef hij twee jaren, totdat hij beleed: »dat de allerhoogste God heerscht in het rijk van de inwoners der aarde en dat Hij doet met alle schepsel naar Zijn wil«.
De apostel Paulus zegt van zichzelf, dat hij de grootste der zondaren was en toch kende de Heere genade voor hem. Van die genade is ook de mensch, in de tekstverzen ons genoemd, voorwerp. Daar is in heel de Schrift bijna geen voorbeeld te noemen, dat overeenkomt met wat wij zien bij Manasse!  Hij was de meest goddelooze, losbandige mensch, die zich maar denken laat. Daar wordt ons in de eerste plaats van hem gezegd, dat hij goddeloos en zondig was. Niet, dat wij nu maar direct moeten aannemen, dat wij dus boven hem staan.
Al onze harten zijn even verdorven door de ongehoorzaamheid van onze eerste ouders. Wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods des Vaders. Daar is geen onderscheid. Maar wat bij hem openbaar werd en naar buiten uitbrak, dat blijft bij ons verborgen misschien, door de bewarende hand en de beteugelende genade onzes Gods.
Wanneer we ons nu laten voorlichten door 2 Kon. 21, dan worden we gewaar, »dat Manasse deed wat kwaad was in de oogen des Heeren, naar de gruwelen der heidenen, die de Heere voor het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had« (vers 2).
Want hij bouwde de hoogten weder op, die Hizkia zijn vader verdorven had, en hij richtte Baal altaren op, en maakte een bosch gelijk als Achab, de koning van Israël gemaakt had, en boog zich neder voor al het heir des hemels en diende ze (vers 3). Zoo wordt hij ons geteekend als afgodendienaar.
Straks zeiden we, dat wij niet boven Manasse staan! Hij is niet de eenige afgodendienaar! Want wat is afgoderij? Afgoderij, zegt de Catechismus (Antw. 95) is in de plaats des eenigen waren Gods, die zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben, waarop de mensch zijn vertrouwen zet. Elk schepsel, dat niet gelooft in den Heere Jezus Christus en op Hem vertrouwt als op het eenige fundament des behouds, is een afgodendienaar. En het eenige verschil tusschen hem en Manasse wordt slechts bewerkt door de omstandigheden, waaronder men leeft.
Manasse mocht zich neerbuigen voor de goden der heidenen, voor het heir des hemels — van nature doen wij niet anders. Van nature aanbidt de mensch zichzelven, het goud, den rijkdom, zijn kracht, het genoegen, het vleesch, de eer des menschen — ja, wat niet al. Waarvoor knielt de mensch al niet, Inplaats van voor den eenigen waren God?
Ware Gods volk hier maar rein van zonden, vrij van fijnere afgoderijen! Moet niet de beste klagen: Wie zal de afdwalingen verstaan? Daar wordt ons verder van Manasse gezegd, dat hij wreed was in vervolging. »Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het eene einde tot het andere vervuld had« (vers 16).
Zoo was zijn karakter: hij had lust in bloed vergieten, onschuldig bloed!
Wederom vragen we: Zijn wij beter? God de Heere ziet ons hart aan, en wie kan dan zeggen, dat nooit de begeerte opvlamde in zijn hart om zijn medemensch te dooden? We denken aan zoovele woorden, die als pijlen uitsissen, gericht op het hart van den naaste. We letten op zoovele daden, die er op gezet zijn het bestaan van den naaste te vermoorden. Het woord der Schrift komt op voor onze aandacht: »Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden! want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden«. En het woord: »Zie, het loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept«.
Nog komt daarbij, dat Manasse zich over gaf aan den dienst der geesten. En weer vragen we: Is daar niets op den dag van heden, dat ook daaraan doet gedenken? Kortom zoo al, dan staan wij toch niet ver af van dien Manasse. Men doet den Heere verdriet aan. Men zet 't schepsel op den troon. Zoo wordt het openbaar, dat al het gedichtsel der gedachten van eens menschen hart te allen dage alleenlijk boos is. Zoo is het kennelijk wat Jeremia zegt, dat het hart arglistig is, meer dan éénig ding, ja doodelijk.
En als des Heeren genade het niet verhoedde, dan zou ons arglistige hart als dat van Manasse uitbreken in diepgaande zonden en zou het openbaar zijn, dat wij in hem ons aller beeld ten voeten uitgeteekend zien!
Wanneer een eindig menschenkind het gedrag van Manasse in oogenschouw neemt en de paden der zonde afziet, waarop Manasse's voet gewandeld heeft, dan is hij misschien spoedig klaar met zijn besluit, dat het dien mensch nooit mogelijk zal zijn weder te keeren tot God om behouden te worden. Hij was de zoon van den godvreezenden Hizkia!
Zijn vader deed zijn best om Gods Woord en waarheid weer te doen verkondigen, en Manasse heeft zeker in zijn jeugd wel gehoord van Israels God, die wond'ren werkt. Wel gehoord, hoe God in één nacht het gansche leger van Sanherib door Zijn engel had laten dooden. Wel gehoord, hoe het leven van zijn vader met 15 jaar verlengd was door den God des levens. Maar genade is geen erfgoed en Manasse bleef onder al deze dingen dood. Heel zijn jeugd had de Heere de handen naar hem uitgestrekt, maar hij bleef weerspannig. Wie zou dan niet besluiten, dat bekeering voor hem uitgesloten was? Maar des Heeren besluit was anders. Want de Heere doet Manasse wederkeeren en werpt hem geenszins uit. Hij weet hen, die verzadigd zijn, zoo om te zetten, dat ze zich willen verhuren om brood.
En nu moet de Heere daartoe bij Manasse forsche middelen gebruiken. Want: »de Heere sprak wel tot Manasse en tot zijn volk, maar zij merkten daar niet op«. (2 Kron. 33 vers 11).
Wat buigt zich God Almachtig diep terneder, dat de groote God spreekt tot den goddeloozen Manasse. Wat wordt daar reeds Zijn genade en ontferming openbaar! Nochtans...... Manasse merkte daarop niet! De Heere laat niet varen de werken Zijner handen. Hij begint nooit een goed werk zonder het te voleinden.
Naar het woord des Heeren luisterde Manasse.
Welnu — dan zal de Heere tot hem spreken door daden.
En nu klinkt Zijn stem zóó luid, zóó hard en zóó streng, dat Manasse er wel op mer­ken móét. Want de Heere bracht over hen de krijgsoversten, die de koning van Assyrië had, dewelke Manasse gevangen namen onder de doornen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen en voerden hem naar Babel. De eens zoo trotsche koning werd naar Babel gevoerd met een haak in den neus en een gebit in de lippen. Zoo moest de weg van het gericht hem een weg worden des behouds.
Zoo brengt de Heere nog wel Zijn volk in benauwdheden, opdat zij zien mogen tegen hoeveel liefde en barmhartigheid zij gezondigd hebben. Om hun woeden tegen Hem legt de God des hemels en der aarde dan Zijn haak in hun neus en Zijn gebit in hun lippen, om ze te doen wederkeeren door den weg, langs welken ze gekomen zijn. En nu wordt hiermee allerminst gezegd, dat zóó de weg is van elk, die gebracht wordt tot de erkenning, dat de Heere God is.
Die weg zal verschillend zijn. Maar bij alle verschil wordt toch dit bij allen aanschouwd, wat we voorts lezen »toen bad Manasse het aangezicht des Heeren zijns Gods ernstelijk aan en vernederde zich zeer voor het aangezicht van den God zijner vaderen en bad Hem«. Wat Manasse daar bidt, is ons niet vertolkt. Daar zijn dingen zóó teer, dat ze een geheim blijven tusschen den Heere en het hart van den mensch. Het zij ons genoeg te weten, dat Manasse bad. En zich vernederde zich zeer vernederde voor het aangezicht van den God zijner vaderen. De eens zoo hooge koning ligt als een zondaar terneer voor den Koning der koningen.
De profeet zegt: »lk ben een man, onrein van lippen, want mijne oogen hebben den Koning, den Heere der heirscharen, gezien«. Dat zien we ook bij Manasse. Hij verstaat, dat hij, onrein zijnde in zichzelven, een borg van noode heeft. En dat maakt hem nederig. Genade drnkt neer, maakt ons klein, buigt ons in het stof. Wie Christus leerde kennen, kent ook het verbroken hart, den verslagen geest ja, die zal zich verootmoedigen voor der vaderen God.
Oprechte bekeering maakt kleine, maakt biddende menschen. Manasse wordt een bidder! Een bidder, die leert vragen:
Sla de zonden nimmer ga,
Die mijn jonkheid heeft bedreven.
Denk aan mij toch in gena,
Om Uw goedheid eer te geven.
Een bidder, die leert zeggen: de Heere is recht in al Zijn weg en werk. Een bidder, die, in zichzelven klein, alles wacht van Gods groote genade. Een bidder, die pleit op het onschuldige bloed van Christus, waardoor groote kinderen des toorns gesteld worden tot zonen des behouds. Een bidder, die, straks opstaande, zeggen mag:
Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig,
De Heere is groot, genadig en rechtvaardig
En onze God ontfermt zich op 't gebed.
Welgelukzalig, die zulk een bidder mag zijn. Welk een vrijmacht van genade wordt hier openbaar. Daarvan weet gij te spreken, die weet wat het zeggen wil zich zéér te vernederen en te bidden, ernstiglijk te bidden tot der vaderen God. Maar nu zal ook de eeuwigheid te kort zijn om die vrijmacht der genade Gods te loven, waardoor gij, die vleeschelijk waart en verkocht onder de zonde, bereid werd tot vaten ter eere Gods.
Om te loven die genade, waardoor al uwe zonden, de zonden uwer jonkheid en de zonden van daarna, de zonden van de daad en de zonden van het niet-gedaan hebben, de zonden waarvan gij nog wel weet, en de zonden die gij reeds lang vergeten zijt — geworpen zijn in de vergetelheid — in de diepten der zee. En nu zal ook die lof reeds aanvankelijk hier op aarde aanschouwd worden in een leven, waarin het kind des Heeren vruchten voortbrengt der bekeering waardig.
Zoo althans leert het ons des Heeren Woord alomme — ook bij Manasse! God hoorde de smeeking van Manasse, schonk hem genade, ja, bracht hem terug in Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Dat koninkrijk had hij door zijn zonde verloren, maar de Heere gaf het hem terug. Salomo zegt: »Als iemands vvegen den Heere behagen, zoo zal Hij ook zijne vijanden met hem bevredigen«. Dat ondervond ook Manasse. De Heere, in wiens hand de harten der koningen zijn als waterbeken, neigt het hart van zijn overheerscher, zoodat Manasse in eer wordt hersteld. De Heere vergeeft de zonde, maar bekleedt ook met den mantel der gerechtigheid. Niettegenstaande we den eeuwigen dood waardig zijn, voert Hij ons aan liefelijke plaatsen en zet ons de kroon op het hoofd. Souvereine genade.
En nu mogen sommigen smalen, dat die leer van Gods souvereine genade zorgelooze en goddelooze menschen maakt, doch de waarheid is anders. Manasse nam de vreemde goden en die gelijkenis uit het huis des Heeren weg — mitsgaders al de altaren, die hij gebouwd had op den berg van het huis des Heeren, en te Jeruzalem, en hij wierp ze buiten de stad. Wanneer een menschenkind des Heeren Naam leert belijden en het eigendom van Christus wordt, dan wordt zulks openbaar in handel en wandel.
Manasse, ijverde voorts met al zijn zielsbegeeren voor des Heeren zaak — hij offerde, na herstel van het altaar des Heeren, daarop dankofferen en lofofferen, en zeide tot Juda, dat zij den Heere, den God Israels dienen zouden. Die vrucht der bekeering zoekt de Heere bij alle boetvaardigen. Hoe is het nu bij u gesteld, die waarlijk kinderen Gods zijt?
Geldt het nu ook van u... en hij nam de vreemde goden weg en wierp ze buiten? En hij richtte het altaar des Heeren toe en offerde daarop dankofferen en lofofferen, en zeide tot Juda:
Komt, maakt God met mij groot.
Verbreidt, verhoogt met hart en stem
Den nooit volprezen Naam van Hem,
Die ons behoedt in nood.
Ik zocht in mijn gebed,
Den Heer, ootmoedig met geween;
Hij heeft mij in angstvalligheên.
Geantwoord, mij gered.
O, wij weten het wel — daar blijft een s t r ij d, die Gods kind heeft te voeren, al de dagen zijns levens. 't Is een strijd tusschen het vleesch en den geest. De afgoden zijn niet zoo maar buiten geworpen. De zonde neemt vaak weer de overhand. Dan wordt de vlam van het offer niet meer gezien. Dan wordt tot Juda niet meer gesproken. Dan is er stilzwijgen. Schenke de God des levens u genade, onder dit alles vast te houden aan Christus, die in alle leed tot uwe hulp gereed is. Die het werk Zijner handen niet laat varen. Hij is de rotssteen, Wiens werk volkomen is. En eens zult gij volkomen kennen, dat de Heere God is.
Kennen met die kennis, waarmede al des Heeren volk van Hem gekend is.
Onstwedde.                                                                                                        J.Ch.W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's