De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

9 minuten leestijd

Het Calvinisme (21)
Het was 't noodlot van Geneve, dat de reformatie voor haar een gebod van zelfbehoud was, dat echter het onvermijdelijke middeI tot zelfbehoud bedoelingen najaagde, die veel verder  en buiten de Geneefsche politiek lagen, bedoelingen, die echter de kerkelijke uitwendige belangen van Geneve niet kruisten, veeleer de politieke activiteit door haar verhoogden.
De staatsregeling, die Calvijn aanvaardde neigde er steeds meer toe, de overige machtsfactoren ten gunste van den Kleinen Raad, van de Vijf en Twintig, terug te dringen. 't Werd gewoonte dat slechts eenige families den Kaad van Vijfentwintig vormden; dat dus practisch beteekende de afsluiting van den Kleinen Raad. Zoo werd de Raad van Tweehonderd en de algemeene vergadeng der Burgers al meer teruggedrongen. Als tegenwicht werkte alleen de omstandigheid, waar iedere oligarchische staatsregering rekening mee moet houden: de Kleine raad kon niet tegen de duidelijke en nadrukkelijke stemming van de massa regeeren; minder de Tweehonderd dan wel de vergadering der burgers was de gevaarlijke ____.
De uitspraak van Calvijn, dat in Geneve meer een oligarchie heerschte, toont aan, dat de toestand juist inzag. Hij had voor de politiek in Geneve geen ander doel, dan de veiligheid en de vrijheid der Kerk. Hij kon geheel op de Vijf en Twintig steunen, voor zover zij de Kerk beschermden, maar het moest hem toch duidelijk zijn, dat deze steun eens in gebreke kon blijven. Zóó bracht zijn invloed een nieuwe richting in de ontwikkeling van de staatsregeling van Genevé: het meer op den voorgrond plaatsen van de algemeene vergadering der burgers. Een Kerk, die meer dan iedere andere in staat was, iederen enkeling en dan ___ enkeling als geheel, aan zich te verbinden, ___t de macht, die in de massa sluimert, nieuwe politieke krachten te voorschijn te roepen. Dat was de beteekenis van Calijns politiek: hij speelde de burgerij tegen de Raad uit, als deze hem niet wilde gehoorzamen en steunde geheel op den Raad, als de massa lastig werd. De Vijf en Twintig waren gemakkelijker te beïnvloeden dan de vergadering van 200 man en de massa was door handige agitatie niet moeilijk te beheerschen.
De middelen, om macht uit te oefenen, waren diep geworteld in Calvijns geheele kerkelijke politiek. Hij stelde prijs op populariteit: zoo heeft hij Farel vermaand, zich meer in te spannen, om de gunst des volks verwerven. Maar meer invloed dan persoonlijke inspanning, kon oefenen wat er op verschillend terrein tot stand gebracht werd. Calvijn zelf motiveert bij gelegenheid het beginsel, de predikanten als ieder ander te straffen en hen bovendien uit hun ambt te zetten, hiermede: dat het volk zich dan niet over onmatige strengheid van den Kerkeraad zou kunnen beklagen.
De Kierkeraad vonniste dan ook werkelijk zonder aanzien des persoons. Calvijn eischte dat de vorsten, evenals hun onderdanen, zich aan de kerkelijke rechtbank zouden ondrewerpen en hij citeert in dit verband het woord, waarmee Ambrosius de geesteIijke rechten van de macht der Kerk had gemotiveerd: „De Keizer is een lid der Kerk, hij staat niet boven haar" („Imperator enim extra ecclesiam, non supra ecclesiam est" ___n. 4.). Overal, waar weer een nieuw geval betreffende de tucht moet worden behandeld, drukt hij dit eerst op het hart. Voldaan deelt hij, na het oordeel over de familie Favre mede, dat de menigte werkelijk overtuigd was, dat de Kerkeraad ook den hoogst geplaatste niet spaarde en vrienden met anders beoordeelde dan vreemden.
Men mag deze tendenzen niet democratisch noemen. In den grond der zaak is het hetzelfde streven als dat der absolute monarchie, alles zonder onderscheid aan zich te onderwerpen, zonder te letten op stand of geboorte.
Dat alles bracht eerst de atmosfeer der agitatie tot stand. Het middel der demagogie was de preekstoel. De predikaties behandelden alle vragen van den dag, natuurlijk in den zin der kerkelijke politiek, als het noodig was, ook tegen den Raad (b.v. in de kwestie over de goederen der Kerk). De Raad probeerde dan door verboden tegen te werken. Hij waagde het wel den predikanten in hun predikaties matiging aan te bevelen. Calvijn merkt daarbij op, dat de verkeerd gezinde partij gezegevierd zou hebben, als wij niet in den strijd hadden ingegrepen. Terwijl een procedure nog hangende was, werd aan Calvijn verboden zijn tegenstander in de preek aan te vallen (Notulen van den Raad, 21, 517). De beslisende slag zou echter vallen, door aan de geestelijken met een beroep op het gedrag der Katholieke priesters te verbieden, in de vergadering der burgers te verschijnen. Tevergeefs wees Calvijn er op, dat de predikanten ook de voordeelen der ontheffing (Exemption) niet genoten, het besluit bleef bestaan. (Notulen van den , Raad, 21, 536, 538). In den Kleinen Raad waaide nu een anderen wind.
Bij de verkiezingen van 1553 hadden de Tweehonderd de afsluiting van den Kleinen Raad trachten te verbreken. Het gelukte hun, aan de Vijf en Twintig, nieuwe leden van hun keuze op te dringen. Een van de eerste maatregelen van dezen nieuwen raad was juist, den predikanten, zooals gezegd is, hun stem in de vergadering der burgers te ontnemen. Nu verstaan we, welke beteekenis het had, toen Calvijn eenige maanden later, bij het geval Berthelier verlangde, de verandering van de Kerkorde door den Algemeenen Raad te laten beslissen. Voor ditmaal werd de storm, ook zonder dit laatste middel, afgeslagen.
Wij moeten ons afvragen, wat den Kleinen Raad, naast de godsdienstige drijfveeren, zonder welke zijn houding heelemaal niet te verstaan zou zijn, aanleiding gaf, de kerkelijke politiek zoo te ondersteunen. De G u i l I e r m i n s, die na de groote crisis aan het hoofd van de stad gekomen waren, vormden een geprononceerde partijregeering, die steeds om haar zelfbehoud moest denken en die alle krachten welkom heette, die haar hielpen de massa te beheerschen. We hebben gezien, dat de eischen der Kerk ook lastig konden worden en dat Calvijn over de middelen beschikte, ook dan op den Raad in te werken. Zulke oogenblikken waren echter uitzonderingen; de regel bleef, dat beide hand aan hand werkten en Calvijn wachtte zich wel, waar het noodig was, het tweesnijdende zwaard uit de scheede te halen; de mogelijkheid, dat hij het gebruiken kon, oefende reeds haar invloed uit. Dat dezelfde krachten, die Calvijn voor zich te hulp riep, ook tegen hem konden worden gebruikt, blijkt uit de Putsch van 1555. Door de predicaties, die zonder terughouding alle politieke kwesties behandelden, alsook door het voortdurend toezicht werd de massa sterker tot politiek denken opgevoed; en het was geen wonder, dat de oppositie tegen de Staats-en Kerkregeering eveneens gemakkelijker te vereenigen was en voor den strijd kon worden warm gemaakt. De leider van de Putsch was de kapitein P e r r i n. Zijn overwinning zou misschien wel niet de bedoelde tyrannie ten gevolge gehad hebben, maar zou toch den kapitein en daarmee zijn ambt een machtspositie gegeven hebben, die voor den Raad van Vijf en Twintig buiengewoon gevaarlijk had kunnen worden. Hier vocht Calvijn niet enkel om de Ordonnances of Kerkorde, hier streed tegelijk de Kleine Raad om zijn politieke leven! De regeering maakte van de overwinning gebruik om heel de oppositie, daar bij ook mensen die helemaal niet direct medeplichtig geweest waren, doch niet in de gratie stonden, vreselijk te vernietigen en het gevaarlijke ambt af te schaffen.
Hoe gevaarlijk de zaken stonden, blijkt hieruit, dat de Raad, nog vóór het openlijk uitbreken, het noodig achtte, het burgerrecht in massa te verleenen. Om dit machtsmiddel te begrijpen, moeten we de zaak wat dieper hier ophalen. Calvijn was in Geneve een vreemdeling en bleef zich dat steeds bewust. Nooit heeft hij zich daar thuis gevoeld en heeft ten slotte alleen daarom voor de politiek van Geneve gewerkt, omdat hij in haar de basis voor een wereldinvloed zag! Hem ontbrak de kracht, die de geboortegrond geeft, maar ook ontbraken hem de remmende invloeden, waarmee ze bindt. Een man in deze positie kan zekerder en rationeeler zijn doel trachten te bereiken, dat hem voor oogen zweeft. Met vastberaden, wreed rationalisme trachtten de vertegenwoordigers van den wordenden modernen Staat de historisch geworden voorwaarden zooveel mogelijk te vernietigen, om alle krachten van het land in den dienst van hun doel te kunnen stellen. De »nieuwe vorst« van Machiavellis en de niet uit 't land afkomstig zijnde staatsman, zijn de meest zichtbare symbolen van deze strekking. In Calvijn leeft geest van hun geest.
Hij wenschte, dat de predikers eveneens alleen door hun dienst van Gods zaak aan Geneve zouden, gebonden zijn. Zoo stelden de predikanten slechts mannen voor, die geen oud-Geneefsche burgers waren. Eens probeerde de Raad, weliswaar tevergeefs, een Geneefsch burger er door te krijgen. Calvijn merkt hierbij op, dat dezen niets anders voor dit ambt waardig maakte dan de apenliefde der Geneefsche burgers voor hun jongen! Calvijn voert hier een strijd, evenals de absolute monarchie voerde voor haar vreemde raadslieden tegenover de eischen van het burgerrecht harer staten. Wij hebben gezien welk belang deze machthebbers bij de doorvoering der Kerkverordening hadden. Toen Calvijn zeide, dat, wie zich voor 't juk van Christus niet wilde buigen en aan de wetten niet wilde gehoorzamen, een nieuwe stad voor zich moest stichten, was dat zeker ook de meening van den Raad van Vijf en Twintig. Geneve had in Calvijn's tijd en door zijn werk moeilijker crisistijden door te maken dan welke stad ook aan deze zijde van de Alpen. En de machthebbers wisten zich niet anders te helpen, dan door de leiders der oppositie-partij te vernietigen. De Italiaansche steden van de vroege Renaissance hadden zich geholpen door verbanningen op groote schaal. In Geneve was men aan den strijd niet in die mate gewoon. Het was voldoende, dat men de weinige leiders, na de daad van oppositie, den beul overlevende, als ze zich ten minste niet door vlucht aan den arm der gerechtigheid onttrokken. Er waren er maar weinig en de politieke activiteit was geringer; en daarom werd 't ook niet zoo gevaarlijk, dat een deel der oppositie zich bij de intiemste vijandin van Geneve, in het gebied van Bern, verzamelde en daar met open armen ontvangen werd. (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's