De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Vriendenraad

9 minuten leestijd

Gewen u toch aan Hem en heb vrede. Job XXII vers 21a.

Elifaz, de Temaniet, moge al de rechte troostwoorden voor zijnen vriend Job niet gevonden hebben, —
hij moge de oorzaak van Job's lijden al gezocht hebben in de donkere krochten der casuïstiek en niet opgeklommen zijn naar het majesteitelijk paleis der goddelijke vrijmacht—
hij moge alzoo — gelijk men een schoen zoekt voor den voet — eene bizondere zonde Jobs gezocht hebben voor Jobs bizondere lijden, —
hij moge ten slotte door deze zijne menschelijke wijsheid den Heere tot toorn hebben verwekt, —
nochtans is ook op zijne lippen een raad gelegd waarnaar te luisteren geen tijdsverspilling is. Die raad is begrepen in de woorden: »Gewen u toch aan Hem en heb vrede«.
Gewen u aan Hem, die bekleed is met majesteit en heerlijkheid, die Zich met het licht bedekt als met een kleed, en den hemel uittrekt als een gordijn.
Gewen u aan Hem, die door innerlijke bewegingen Zijner barmlhartigheid Zijnen volke geeft kennis der zaligheid.
En heb vrede — vrede met Hem, van wien geschreven staat: »Hij zal tot Zijn volk en tot Zijne gunstgenooten van vrede spreken«.
»Gewen u toch aan Hem en heb vrede«. Onwillens en onwetens wordt die raad opgevolgd door elk menschenkind op 't terrein des natuurlijken levens. Ziet, in duizenderlei belijning heeft de groote Schepper aller dingen Zijn heerlijkheid geopenbaard in het maaksel Zijner vingeren. Immers is de aarde geen eentonige woestenij, zich verliezende in een nevelachtig verschiet.
Neen, rondom ligt de groote gebogen lijn van den horizont en in dezen zuiveren kring worden aanschouwd; de spelende lijnen der krullende golven, de zacht gebogene lijnen der duinen, de krachtige lijnen, die gaan langs de toppen der boomen, de machtige lijnen, waarlangs de berggevaarten opklimmen naar omhoog.
Langs alle deze lijnen nu gaat de blik onzer oogen en wat wij dagelijks aanschouwen, daaraan raken wij gewend en er gaat een ruste van uit voor den geest.
De zeeman staat op den wal, maar kijkt zee in, want zijn oog is gewend aan het lijnenspel der golven en hij vindt er rust in.
De landman schouwt over de landen en ziet langs de boomen, die den landweg omzoomen en hij vindt er rust in.
De bergbewoner laat zijnen blik glijden langs de rotsgevaarten en een rust komt over zijnen geest. Ja onwillens en onwetens volgt de mensch op het terrein des natuurlijken levens dien vriendenraad van Elifaz: »Gewen u toch aan Hem en heb vrede«.
Gansch anders is het echter op het terrein des geestelijken levens, want daar wil de natuurlijke mensch niet volgen den raad van Elifaz, om zich te gewennen aan den Heere en alzoo vrede te verwerven.
Gods Woord openbaart ons een geestelijk landschap dat oneindig veel machtiger van verschijning is dan het tafereel, dat zich voordoet aan het lichamelijk oog. Het is gelijk de koninklijke zanger gedicht heeft: De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. Maar in dien zelfden psalm staat het ook, dat des Heeren Wet volmaakt is. Ja, 's Heeren Wet is niet alleen heerlijk, is niet alleen machtig, 's Heeren Wet is volmaakt, of gelijk in het berijmde lied vermeld staat: Des Heeren Wet nochtans, verspreidt volmaakter glans.
Nog eens: het geestelijk landschap is oneindig veel machtiger van verschijning dan het tafereel, dat zich voordoet aan het lichamelijk oog.
Sinaï is een machtige berg, wortelend in de diepten der aarde, den top opheffend naar den hoogen hemel. Maar als de Heere daar dezen berg beroert met het uiterste Zijner voetzool, als de Heere op dezen top komt te bouwen een Sinaï in Heiligheid, dan davert deze machtige berg, dan wordt hij geschud op zijne grondvesten.
Zoo is het met alle schepselen.
Wijder dan de zee is des Heeren heerlijkheid, witter dan de sneeuw op Alpentop is Zijne heiligheid, machtiger dan het vuur in den vulkaan is Zijne gerechtigheid.
Zoo is ons geopenbaard in het Woord Gods.
Maar aan dit machtige geestelijke landschap wil de natuurlijke mensch niet wennen. Hij wil daar zijn oogen niet opheffen naar dat machtige Sinaï der goddelijke heiligheid, want naast dezen hoogen berg Gods ligt daar het diepe dal der menschelijke zonde. Deze berg is voor den natuurlijken mensch te hoog, dit dal voor hem te diep. De natuurlijke mensch wil 'n kleinen heuvel van volmaaktheid en een klein dal van onvolkomenheid en steunende op den staf zijner eigengerechtigheid wil hij in eigene kracht dezen heuvel bestijgen.
Maar wee den mensch, met wien het alzoo staat gesteld.
Wee den mensch, die zich afkeert van dat geestelijke landschap, dat de Heere heeft geopenbaard.
Wee den mensch, die zich niet wil gewennen aan dien God van alle heiligheid.
Zij, zij zullen eenmaal den naam des Heeren groot moeten maken, gelijk eenmaal alles God moet verheerlijken, maar zij zullen dat moeten doen in het diepste diep der helle. Daar zal weening zijn en knersing der tanden. Maar door oogengeween en tandengekners heen zullen zij het nog uit moeten zingen: De Heere is recht in al Zijn weg en werk.
Nu kan het geschieden, dat de Heere, naar Zijnen Raad, een menschenkind aangrijpt hem het oog verlicht om hem te doen blikken op dat geestelijke landschap, dat Hij heeft geformeerd.
Dan wordt die mensch gesteld voor den berg van de heiligheid des Heeren. Van dat geweldige Sinaï en vanuit het diepe dal der ellende wordt zijn oog gevestigd op dien top, die den hemel doorboort. Alle hope wordt dan gerukt uit het hart van dien mensch, geen staf heeft hij nog in zijne hand om op te steunen bij het stijgen, geen kracht heeft hij nog in zijne voeten om ze te drukken op de steenrots. Niets blijft er zulk een mensch over dan 't klagend uit te roepen: Wie klimt den berg des Heeren op? Wie zal dien Godgewijden top voor het oog van Zions God betreden?
En het antwoord der verlichte consciëntie is: Gij niet, o kind van Adam.
Lezer, wordt er soms iets van deze schilderij in werkelijkheid gevonden in uwe ziel?
O weet het, dan is ook voor u de raad bestemd: »Gewen u toch aan Hem en heb vrede« . Want dit woord is geen ijdel woord. Neen, gij hebt u aan den Heere te wennen. Nu is wel de Sinaï van Gods heiligheid te hoog, maar ziet, de Heere heeft nog een heuvel bereid, een heuvel, waarop uw oog mag rusten. Ja, Golgotha is slechts een heuvel, een heuvel, waarover het menschenoog kan gaan zonder inspanning. Maar op dien heuvel wordt weer een Sinaï aanschouwt. Maar nu is het niet alleen de berg van de goddelijke heiligheid, nu is het óók de berg der goddelijke genade.
Want op den heuvel Golgotha hangt er een tusschen hemel en aarde aan het vloekhout.
Uitgeworpen van den hemel, opgeworpen van de aarde, vindt Hij geen ander rustpunt dan de nagels die Hem hechten aan het hout.
Maar deze uitgeworpene, beide van hemel en van aarde, is de Zone Gods, is de Hoogepriester naar de ordening van Melchizedek, is Christus Jezus, de Middelaar Gods en der menschen.
Hij is nedergedaald van omhoog. Hij is genageld aan het kruis. Hij daalt zoo straks in het duistere graf, opdat Hij voor Zijn volk den berg van de heiligheid des Heeren zou beklimmen — meer nog, opdat Zijn volk, reingewasschen door Zijn bloed, zou staan smetteloos voor het oog van Zions God.
O, bekommerde ziel, gewen u dan aan den Heere en blik op naar het kruis. Want dat is Gods weg, dat Hij in Christus Jezus is de wereld met Zichzelve verzoenende. In Christus Jezus heeft de Heere zich gewend tot het verbroken hart en den verslagen geest, opdat zij in dien Middelaar zich aan Hem zouden gewennen en vrede zouden hebben in alle eeuwigheid. Want vrede mag daar komen in den geest van hem wiens oog rust op het kruis. Vrede in het bloed van Christus Jezus, dat rein wascht van alle zonden, vrede in Hem, Wiens naam is Vredevorst, vrede in Hem, die het zegenend heeft uitgesproken over Zijn volk: -»Mijnen vrede geef Ik u«.
»Gewen u toch aan Hem en heb vrede«. Het is ten slotte een raad geweest, gegeven aan Job. Daarom is het een raad, die vóór alles ter harte genomen moet worden door hen, die kennis hebben, aan Job's gestalte, van wien de Heere in vrijmachtige genade heeft gezegd: Mijn knecht.
Lezer, wij hebben gesproken van een geestelijk landsohap, machtiger van verschijning dan eenig aardsch landschap. Gij nu die de Jobsgestalte kent, gij doorwandelt dit landschap en uw weg is een weg langs hooge bergen en door diepe dalen. Ja, hoe verder gij in dit landschap komt, hoe hooger de bergen en hoe dieper de kloven, en somwijlen gaat u als wandelaar de moed ontbreken op dit moeilijke pad; misschien zijt gij met een Job wel eens zoo diep gedaald, dat gij het uur uwer geboorte hebt gevloekt.
Och, hoor dan den raad: Gewen u toch aan den Heere, want wie zijt gij, o menschenkind, dat gij den Heere zoudt oordeelen, en deze God is het, die in Zijne vrijmacht uwen weg heeft bepaald.
Maar weet het óók: het is waar wat David zingt van den Heere: Door al Uw deugden aangespoord, hebt Gij Uw woord en trouw verheven.
Des Heeren vrijmacht is geen willekeur en met 's Heeren vrijmacht zijn gepaard Zijne wijsheid, Zijne gerechtigheid, Zijne genade.
Daarom, al is het dat uw weg van op en neer bezwaarlijk is voor uwen voet, zoo weet het: de Heere alleen weet wat goed voor u is en de Heere zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste.
Daarom, al is het dat de Heere steil voor u doet oprijzen den berg Zijner heiligheid, weet het, de heuvel Golgotha is lager en nochtans is 's Heeren gerechtigheid daar klaar geopenbaard.
Daarom, al is het dat het dal uwer ellende zoo diep wordt uitgegraven dat het voor immer verloren schijnt, zoo weet het, de heuvel Golgotha ligt hooger, maar daar heeft de Heere zoo diep gebogen in Zijne genade, dat gij nooit dieper zinken kunt.
»Gewen u dan aan den Heere en heb vrede«. Hebt wederom vrede, gij levende in uwe Jobsgestalte. O, legge de Heere dan het woord van Job in uwen mond: Ik weet dat Gij alles vermoogt en dat geene van uwe gedachten hem afgesneden worden.
Want alzoo is het: geene van Gods gedachten wordt afgesneden, ook niet de gedachte des vredes, die Hij in Christus heeft gehad over Zijn volk.
M.                                                                                                                               N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's