KERKELIJKE RONDSCHOUW
De inmenging van den staat door onze Gereformeerde vaderen begeerd.
»Reformatie is in vele gevallen ten slotte weinig anders dan terugkeeren tot 't oude, dat men geleidelijk had verlaten en prijsgegeven ter wille van iets, dat op den duur geen verbetering doch verbastering bleek te zijn. Wat was de Kerkhervorming anders dan een terugkeer tot het zuivere Christendom, waarvan men in den loop der eeuwen door allerlei menschelijke inzettingen en vonden hoe langer hoe meer was afgeweken?«
Zoo begint dr. J. C. de Moor het woord »Ter Inleiding« in zijn Psalmboek, uitgave Gebr. Zomer & Keuning te Wageningen, welke uitgave is ten behoeve van het rythmisch zingen der Psalmen, op de manier zooals het in de dagen van Calvijn geschiedde en door mannen als Voetius werd aanbevolen. Wie een mooi Psalmboek — met Catechismus en Kort Begrip — wil hebben, om zich op de hoogte te stellen voor het zingen »met heele en halve noten«, koope dit boek! 't Is in gewone, maar ook in meer luxe uitgave te verkrijgen.
»Evenwel«, zoo gaat dr. de Moor dan verder (en daar is het ons nu om te doen) »evenwel: reformatie is nooit r e-p r i s t i n a t i e, een terugkeeren tot het oude alléén omdat het oud is. Zulk een doen heeft zijn oordeel in zichzelf, want iedere tijd draagt zijn eigen karakter en heeft zijn eigen vormen. Het leven is geen maskerade. Voor een oogenblik mogen wij ons vergasten aan riddergewaden en allerlei talereelen uit een vroegere periode — wij moeten kinderen van onzen tijd zijn en r e-p r i s t i n a t i e brengt den dood. Neen: reformatie keert tot het oude terug niet omdat het oud, maar omdat het goed, ja beter dan het tegenwoordige is, en in den loop der tijden een verslechtering tot stand kwam, die teniet gedaan behoort te worden. Zoo staat echte reformatie in het volle leven van haar eigen tijd, al ziet zij aandachtig om naar 't verleden«.
Er zijn menschen, die willen repristinatie. Die willen met alle geweld terughebben wat vroeger geweest is. Ze willen weer naar »den goeden ouden tijd« terug. Daar rekenen we ook de groep van ds. Lingbeek onder, die zóó aan »het oude« gehecht zijn, dat ze, met name wat de verhouding van Kerk en Staat betreft, altijd maar weer klaagzangen laten hooren, dat het oude is voorbij gegaan en dat alles zoo anders is geworden, dan vroeger.
Van die repristinatie, van dat terugkeeren tot het oude willen we niets weten, omdat het vroeger, in dit opzicht, geheel verkeerd was wat onze Vaderen, onder die bepaalde tijdsomstandigheden begrijpelijk, voorstonden. Men verwachtte 't schier alles van de Overheid en de Overheid werd overal ingehaald — wat dé voorbereiding is geweest voor de totale verwording en het algeheele verval van Christus' Kerk, hier en elders.
Hoe men alles of veel in handen wilde leggen van de Overheid, blijkt uit het verkiezings-en beroepingswerk van vroeger. In de Wezelsche Artikelen wordt de verzuchting gehoord: hadden we maar een Overheid, die alles wilde in orde maken, dan waren we van het rumoer in de gemeente, van de verschillende meeningen in den kerkeraad, van de invloeden der predikanten enz., af en konden door de vrome Overheid ouderlingen en diakenen worden benoemd en predikanten worden beroepen, zonder dat er ruzie en twist was! Voelt men het onbeholpene en geheel en al on-Schriftuurlijke niet, dat in deze redeneering zit?
En Calvijn voelde voor zulke dingen ook wel.
Ook ging de Zeeuwsche Kerkorde van 1501 in die richting. Daar in Zeeland had men een »eigen« Kerkenorde die van 1591 tot In de 19de eeuw geldig is geweest. (We ontleenen dit aan een artikel van prof. dr. H. H. Kuyper in , »de Heraut« van Zondag 27 juni j.l.). En in die Zeeuwsche Kerkorde was omschreven, dat het beroepen van een predikant moest geschieden door een college, dat deels uit kerkelijke, deels uit magistraatspersonen bestond (Collegium qualificatum).
Ook hier dus de Overheid op het terrein van de Kerk!
Laat ons in dit verband ook iets meedeelen, wat we dezer dagen lazen in de dissertatie van mr. T. de Jong Tzn., die in 1914 promoveerde op een proefschrift, 't welk getiteld is: Eenige opmerkingen over de rechtsleer der Monarchomachen; en dan 'n breed overzicht geeft van een in 1603 verschenen boek van Johannes Althusius: »Politica methodice digesta atque exemplis sacris et profanis illustrata«; opgedragen door Althusius aan de »illustres Frisiae inter Flevum et Lavicam ordines«, uit eerbied voor het beleid, waarmede zij den strijd tegen den Spaanschen Koning hebben opgevat en waardoor zij zich ten voorbeeld van andere volken hebben gesteld. Het werk bedoelt dan in systematischen samenhang eene leer te geven van Staat en Maatschappij.
In dat boek Politica, waarin Althusius veel zegt over de Overheid en omschrijft, dat voor den Vorst ten opzichte van de regula vivendi et administ randi geldt als opperste richtsnoer Gods wil, komen ook bladzijden voor die handelen over de verhouding van de Overheid tot de Kerk (blz. 408, enz.). We lezen daar: dat krachtens bevel Gods aan de Overheid inzake de Kerk eene roeping is opgelegd. Zij bestaat in het van Staatswege onderwijzen in den rechtzinnigen godsdienst en in het van Staatswege instellen van een eeredienst. De Vorst moet belooven de ware Godskennis in zijn rijk te zullen verbreiden (blz. 408—409).
Niet aan den Magistraat alléén heeft God Zijn Kerk willen toevertrouwen, doch de zorg er voor heeft Hij gelegd in handen van het geheele volk. God belooft daarbij, dat Hij, wanneer zij hierin getrouw zijn en hun verbintenis tegenover God nakomen, Zich een welwillend en genadig beschermer zal toonen. Wanneer zij echter het verbond schenden, bedreigt Hij hen met gestrenge straf. Uit zijne hand immers hebben magistraat en volk het rijk ontvangen. Zij zijn Gods vasallen, krachtens Zijne genade zijn ze, wat ze zijn. Dit kan uit vele plaatsen der Heilige Schrift worden aangetoond en wordt ook door de Vorsten erkend, die hunnen titel »tot de gratie Gode« erkennen te hebben verkregen. (Alth. Polit. tolz. 413).
De uitoefening van de taak inzake de Kerk geschiedt door de Overheid door het instellen van het predikambt en het oprichten van scholen. Bovendien moet de religie beschermd worden, hetgeen geschiedt door het zuiver bewaren van de leer der Kerk en 't verbieden van al, wat haar schadelijk is.
De instelling van het predikambt gaat gepaard met het inrichten van een geheel stelsel van Kerkregeering. Op de scholen, waat onder zoowel de lagere als hoogere scholen en publieke academies begrepen zijn, moesten de kinderen in de rechtzinnige religie worden onderwezen. Op algemeene synodes, door den m a g i s t r a t u s s u m m u s bijeen te roepen en op proviciale synodes moet worden onderzocht of de leer der Kerk overeenkomstig het Woord Gods is; of de Sacramenten recht worden bediend, of de kerkegoederen goed worden beheerd, of geen afgeweken leeraars valsche leerstellingen verkondigen. Voorts moet toezicht gehouden worden door 'n stelsel van Kerkvisitatie. Omtrent al deze kerkelijke zaken moeten door den Magistraat wetten worden uitgevaardigd. (Alth. Polit., blz. 415). In publieke edicten moet eene leer, die met Gods Woord in strijd is, worden verworpen en hare uitoefening op strenge straffen worden verboden. Alle atheïsten, goddeloozen en profane lieden, die onverbeterlijk gebleken zijn, moeten buiten de Kerk worden geworpen. Joden kunnen door den Magistraat in het rijk worden geduld, hoewel het hun niet geoorloofd mag zijn synagoges te hebben.
Evenzoo staat het met de Roomschen. Tegenover ketters, die het fundament van de leer verwerpen, moet zeer streng worden opgetreden. Hun moet, op straffe van ballingschap, gevangenis en zwaard, worden verboden gemeenschap te hebben met de recht-geloovigen. Zij, die niet het fundament van de leer verwerpen, maar overigens afwijken, moeten enkel uit de Kerk verwijderd worden, maar mogen in het land blijven. De Magistraat, in wiens rijk echter de ware dienst Gods niet wordt gekend, hoede zich heerschappij aan te matigen over het geloof en de religie, omdat alléén God daar over heerschappij voert. Het geloof is geen gave des Keizers, maar Gods; het kan noch mag op eenige wijze worden afgedwongen. Kan in het rijk tot geen eenstemmigheid omtrent den godsdienst worden gekomen, dan moet de Magistraat ter wille van de rust in het rijk deze oneenigheid dulden.
Alles, wat schadelijk is aan den bloei der Kerken en scholen, moet worden tegengegaan. Kettersche geschriften moeten worden verboden. Geen atheïsten of dergelijken mogen tot publieke ambten worden toegelaten. Tegen alle atheïsten, scheurmakers, sabbatschenders, afvalligen, afgodendienaars en dergelijken moeten tot afschrik van anderen strenge straffen worden bedreigd. Bij publieke rampen moet de Magistraat door 't uitschrijven van toededagen en vasten tot ernstige boetedoening zijne onderdanen vermanen. (Alth. Polit., blz. 423—431).
Tot zóóver het resumé van hetgeen Althusius breed beschrijft in zijn Politica.
Men ziet, bij het vele mooie dat er in staat, is het toch weer de Overheid vóór en de Overheid na, zoowel wat het predikambt, de regeering der Kerk als de scholen betreft; waarbij met name ook omschreven is, dat de Overheid toezicht moet houden op de leer en fundamenteele dwalingen moet straffen met ballingschap en zwaard, terwijl minder fundamenteele dwalingen zachter moeten worden behandeld. Al deze dingen veroordeelen wij ten sterkste omdat de Overheid in deze geen rechten en geen plichten van den Heere heeft ontvangen.
De Overheid heeft, als Gods dienaresse, een eigen roeping, waartoe ook behoort; Gij zult u niet begeven op het terrein van Christus' Kerk, waarvoor Christus een eigen organisatie met eigen ordinantiën heeft gegeven met instelling van de ambten,
Wat willen de Vrijzinnige Hervormden?
Vooral sinds 11 Juli 1913, toen de Vereeniging van Vrijzinnige Hervormden is opgericht, is er een streven om i n de Herv. Kerk te blijven, zich daar te nestelen, daar invloed uit te oefenen, en zoo te trachten in de Herv. Kerk een betere positie te verkrijgen, 't zij langs den weg van overwinningen bij de stembus, 't zij door „rechten voor de minderheden", 't zij door andere middelen of langs andere wegen. Vóór dien tijd was er ook wel organisatie en actie, maar toen was het meer de Protestantenbond ca. die zich de belangen van de Vrijzinnigen in de Herv. Kerk aantrok, totdat, vooral onder de leiding van Ds. Niemeyer te Bolsward meer het Hervormd type naar voren kwam. De Protestantenbond was ten opzichte van de Hervormde Kerk niet altijd te vertrouwen! 8 September 1913 zijn de statuten van de Vereeniging van Vrijzinnige Hervormden goedgekeurd en sinds is er heel wat gebeurd.
Men heeft de z.g.n.: „geest en hoofdzaak" kwestie gehad, van orthodoxe zijde opgezet om de belijdenisvragen, de proponentsformule en de verklaring van godsdienstonderwijzers ietwat duidelijker te formuleeren in den geest van Schrift en belijdenis en het den vrijzinnigen, die zicih met „geest en hoofdzaak" van onze belijdenis niet kunnen vereenigen — de waarheden genomen, zooals ze historisch geworden zijn en nu genomen moeten worden — daardoor moeilijker te maken tegen beter weten in iets te onderschrijven en te verklaren wat ze onmogelijk kunnen gelooven of belijden.
Dat had een eerrijke, geleidelijke verbetering gegeven wat betreft onze kerkelijke toestanden. Die pogingen zijn toen mislukt en de toestand bleef zooals hij was. Daarna kwam het ontwerp tot regeling van een m od u s-v i v e n d i (Juli 1916), straks gevolgd door het reglement op het vormen van filiaalgemeenten. Dat laatste door de Vrijzinnigen ingediend. Doch alles liep op niets uit«!
Intusschen werden in het midden van de Vereeniging voor Vrijzinnige Hervormden ook allerlei besprekingen gehouden en plannen beraamd, van internen aard wel, verband houdend met eigen geloofsovertuiging en eigen organisatie als Vereeniging, maar toch ook wat aangaat het optreden naar buiten en het in te nemen standpunt in zake het Hervormd kerkelijk leven. Intusschen werden er tal van bijeenkomsten gehouden met niet-geestverwanten om te spreken over het „kerkelijk-vraagstuk"; ook had 15 Juli 1920 een bijeenkomst te Utrecht plaats uitgaande van den Bond van predikanten tot bespreking en zoo mogelijk tot oplossing van het „kerkelijk-vraagstuk". Geen resultaat werd bereikt, evemnin hadden latere pogingen succes; en de positie van de Vrijz. Hervormden bleef dezelfde.
In eigen kring werden plannen tot verandering en verbetering der organisatie besproken, ook moest er een ander persorgaan der Vereeniging komen, daar het Weekblad voor Vrijzinnig Hervormden onder redactie van Dr. Niemeyer niet voldeed en niet floreerde. Dat heeft in eigen kring allerlei strubbelingen gegeven, waarbij anderen als dr. Niemeyer naar voren zijn gekomen, die zijn werk zouden verbeteren. Men stelde een „gemeenschappelijke beginselverklaring" op, maar deze werd, daar een „gemeenschappelijke beginselverklaring" onder Vrijzinnigen een heel moeilijk ding is, weer ingetrokken. Intusschen werd de kwestie van den hoofdelijken omslag brandende; en een manifest verscheen „Blijft in de Kerk"; door het dagelijksch Bestuur der Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden opgesteld en nu als voorzitter geteekend door Dr. B. ter Haar, oud-rector van hel Gymnasium te Delft.
In April 1923 werd er een Congres te Amsterdam gehouden en kort daarop verdedigde te Arnhem Dr. de Graaf „Ons Program".
Het volgend jaar werd op de vergadering in Den Haag een voorstel tot reorganisatie der Vereeniging gedaan, hetwelk werd gewezen van de hand; terwijl in Februari '25, om aan zekere wrijving een einde te maken, te Utrecht statutenwijziging werd aangenomen. Zoo is in 't kort de geschiedenis van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden, bij welk overzicht we gebruik maakten van de losse aanteekeningen van den oud-secretaris Ds. Meindersma in „Kerk en Volk" van 26 Juni j.l. gegeven.
Bij alles blijft de vraag telkens weer: blijven of gaan? Wat dikwijls ook weer beheerscht wordt door plaatselijke omstandigheden. Wij voor ons willen nog weer eens vragen: waarom gaat men niet heen? Wat doet men toch in een kerkgemeenschap waar men niet thuis hoort? Daar waar alles, in prediking, in lied, in Doop en Avondmaat gaat om de godheid van Christus, om Zijn plaatsbekleedend en verzoenend lijden en sterven, om Zijn opstanding uit den dood — daar kan de vrijzinnige zich toch niet thuis voelen? En nu moet men beloven het Evangelie van Jezus Christus te zullen verkondigen naar den geest en den aard van de belijdenis der Ned. Herv, Kerk — terwijl men het niet doet.
Waarom blijft men toch?
Is het niet veel eerlijker en veel heerlijker een „eigen" kerkgemeenschap te hebben, waar men met elkaar instemt wat de geloofszaken betreft?
En nu blijft men, waar men niet thuis hoort; en blijvend moet men allerlei strijd door maken en moet men allerlei moeilijkheden dag aan dag doorworstelen, waarbij velen van het kerkelijk leven een afkeer krijgen, zoodat men telkens moet vragen: waar blijven de geestverwanten; waar zitten ze en waar zijn ze?
In Hilversum deed zich onlangs weer iets bizonders voor wat deze dingen aangaat. En we zouden zeggen, de Vrijz. Hervormden moesten in die richting maar voortgaan, om zóo te komen tot eigen kerkformatie. Dan kan men eens zien wat ze zijn, wat ze willen, wat ze doen!
Ds. G. v. Duyl heeft zich, na zijn eervol ontslag als predikant bij de Ned. Herv. gemeente te Assen, een benoeming laten welgevallen als voorganger van de Afdeeling Hilversum van den Ned. Protestantenbond. „In deze hoedanigheid" — zoo lezen we in de N. Rott. Ct. — „heeft hij kortgeleden de nieuw toegetreden leden van dien bond openlijk bevestigd op belijdenis des geiloofs, zooals dat tot nog toe slechts aan officieele kerkgenootschappen was voorbehouden. Ook heeft hij in de godsdienstoefeningen van den bond den doop bediend. Door deze ritueele handelingen als bondshandelingen te ijken, heeft hij in opdracht van en in samenwerking met het Hilversumsche afdeelingsbestuur een novum geschapen, waar tegenover de verschillende kerkgenootschappen en hun besturen hun houding zullen krijgen te bepalen."
„Maar ook", zoo gaat de N.R. Crt. verder, „de Protestantenbond zelf zal door dit geval zich voor een netelig probleem zien gesteld. In verband met de verwikkelingen in genoemd lichaam, die in de laatstgehouden jaarvergadering tot de instelling van een commissie van onderzoek hebben geleid, heeft de daad van het Hilversumsche bestuur het karakter gekregen van het opzettelijk stellen voor een voldongen feit. De tot nog toe in de academische sfeer gelegen gedachtenwisseling over „kerkhoudende" afdeelingen zijn plotseling overbodig geworden en zullen moeten worden vervangen door een oordeel over een concreet geval.
Immers betreft het thans geen probleem meer omtrent de wenschelijkheid of de mogelijkheid voor den Protestantenbond om als „Kerk" op te treden; de Protestantenbond is als "Kerk" opgetreden en dus „Kerk" g e w o r d e n, althans wat de afdeeling Hilversum betreft. Voor de overige afdeelingen, en dus ook voor het bondsbestuur en de reorganisatie-commissie blijft de vraag over, of zij hun zegel op deze Kerkvorming willen geven en de wijziging in het karakter van het bondswerk voor hun rekening willen nemen.
Wanneer de reorganisatie-commissie het optreden als Kerk aanbevelenswaardig acht en bij de aanstaande jaarvergadering met voorstellen komt, om het "Kerkhouden" van afdeelingen te reglementeeren, dan is er, zoo de vergadering deze voorstellen aanvaardt, geen bezwaar. Maar wat moet men doen, zoo het besluit in October straks anders uitvalt? Dan zal de afdeeling Hilversuim, tenzij zij, wat na het gebeurde van thans nauwelijks denkbaar is, haar optreden herroept, in dezelfde positie komen als de Kerk van Amsterdam-Zuid in het Gereformeerd Kerkverband en Ds. van Duyl zal de Protestantenbondsche tegenhanger van Dr. Geelkerken worden."
Dan volgt een beschouwing over de moeilijkheden, welke zich zullen voordoen met betrekking tot de verschillende Kerkgenootschappen. Het godsdienstonderwijs van den Protestantenbond wordt genoten door jongemenschen van Lutherschen, Doopsgezinden, Remonstrantschen en Hervormden huize. De veronderstelling wordt geuit, dat Doopsgezinden en Remonstranten wellicht het kerkelijk lidmaatschap van den Bond en den kerkelijke Bondsdoop zullen erkennen. Doch, dus gaat het dan verder in bedoeld artikel:
„Met de Lutherschen en de Hervormden, die overheerscht worden door vrijzinnige meerderheden, bestaat op een dergelijke erkenning niet de minste kans met het oog op de handhaving van een vrijzinnige bestanddeel in de „volkskerk", spreekt het vanzelf, dat inzonderheid Hervormden het betreuren, indien het kerkelijk-bondlidmaatschap nu juist zeer geestdriftige strijders voor hen verloren gaan. Mag men het Verslag van het Orgaan der Vereeniging van Vrijzinnige Hervormden in Nederland van de onlangs te Amsterdam gehouden vergadering van Vrijz. Hervormde predikanten en gemeenteleden gelooven, dan verkeert men in deze vereeniging onder den indruk van het Hilversumse geval. „Kerk en Volk" spreekt van langdurige en bewogen "gedachtewisseling" over deze zaak; zegt, dat men sterk voelde, dat hier een gevaar lag en dat algemeen werd gevoeld, de vrijzinnige Hervormden zich moeten ___ gelden en dit niet om een kerkelijk ___ maar om het godsdienstig leven in Nederland".
Als wij dat laatste lezen, want daar is 't ons 't meest om te doen nu, dan zijn dat voor ons bekende woorden. Dikwijls gehoord, vroeger en nu! Doch we blijven bij onze meening, dat door al het gedoe Vrijz. Hervormden in de Herv. Kerk ___ ze niet thuis hooren, het godsdienstig ___ noch onder de orthodoxen noch onder de modernen wordt bevorderd; integendeel komt er telkens groote verwarring en ___terheid, waarbij niet zelden ook vrijzinnige Hervormden den rug toekeeren ___ de Herv. Kerk, juist om en door den ___lijken strijd.
En daarom blijven we bij onze mening dat de Vrijz. Hervormden het ___ kerkelijke belangen — wat wij zoo sterk betreuren; omdat men zich ___ te handhaven waar men als eerlijke menschen moet verklaren er niet thuis hooren; waarbij de strijd eindeloos en hoopeloos is.
Juist om de wille van „het godsdienstige leven in ons land" zouden wij wel ___ dat de Vrijz. Hervomnden in een eigen ___ gemeenschap wilden gaan samen ___ wat ook de kerkelijke verhoudingen ___ker zou maken, overeenkomstig de ___ en de werkelijkheid.
Nu geldt van de Ned. Herv. Kerk door het doen en laten van de Vrijz. Hervormden, dat het een koninkrijk in zichzelf verdeeld is; wat bij niemand respect afdwingt, noch bij Rome, noch bij buitenstaanders, noch bij degenen die ___ wonen.
Zal Hilversum nieuwe perspectieven geven?
Geen socialistisch predikant
In Leeuwarden geldt in de Herv. gemeente zoo iets als Evenredige Vertegenwoodiging; over de breedste linie van links tot rechts. Nu was er een vacature door het vertrek van Dr. Oberman naar Utrecht. Wat het kerkbezoek aangaat zijn de orthodoxen niet de minsten. Maar wat de vertegenwoordiging in het Kiescollege aangaat staat ___ de orthodoxen treurig. De niet-kerkgangers schijnen in deze over de kerkgangers te heerschen door middel van het ___ . Althans in het Kiescollege zitten ___ Evangelischen, 39 vrijzinnigen en 13 ___ . Of het 's Zondags óók zoo is, ___ orthodoxen domine 13 menschen ___ zitten tegen 39 bij den moderne en ___ evangelische melden de kronieken. Maar in elk geval zijn de verhoudingen ___ het kiescollege zoo.
Nu was er een verzoek ingekomen om in de vacature-Dr. Oberman een socialistisch predikant te beroepen.
Men moet maar durven! Naast de vijf predikanten die links ___ tegenover den éénen die rechts ___ (Ds. Beerekamp, confessioneel) moet weer een zesde predikant komen die ___ staat. En dan nóg wel iemand, die als socialist (het woord genomen, zoo als het gebruik onder ons, geworden ___beteekent) bekend staat!
Zeldzaam brutaal natuurlijk.
Maar de vrijzinnigen zijn niet voor een klein geruchtje vervaart! Bij de stemming in het Kiescollege waren echter maar 19 Vrijzinnigen (volgens een uitgave van „Kerk en Volk") vóór een socialistisch predikant, waarbij nog enkele evangelischen. Een inzender in „Kerk en Volk» was hier over verontwaardigd. En de redactie zelve wil ook ___ nadere inlichtingen omtrent deze zaak, ___ slechts 19 vrijzinnigen en enkele evangelischen vóór een socialistisch predikant waren.
Is het niet teekenend weer ___ kerkelijke verhoudingen?
Een gewelddadige revolutie
Het Communisme wil zijn ___ voortzetting van de leer van Marx en Engels. In een voorrede van de vertaling van het Communistisch Manifest van Marx, zegt dr. Herman Gorter:
In den tijd der ontwikkeling van het industriële proletariaat onderscheidt men tijdperken:
In het eerste openbaart zich het socialisme als utopie. In het tweede gaat het socialisme van utopie over tot wetenschap. In het derde, aan den aanvang waarvan wij nu staan, verandert het van wetenschap tot werkelijkheid, tot daad. Om tot die daad te komen is volgens dr. Gorter noodig, niet een evolutie, maar een gewelddadige revolutie. Men zoekt geen geleidelijken overgang naar nieuwe toestanden, maar wil alles met geweld vernielen, om dan op de puinhoopen van de oude maatschappij een nieuwe en veel betere te vestigen.
De gewelddadige revolutie, zegt dr. Gorter, is zoowel in Rusland als in Duitschland en Hongarije gebleken het middel te zijn tot onderdrukking en omverwerping der bourgeoisie, tot vernietiging van het kapitalisme; en tusschen vuur en rook en bloed zijn de zaden voor een nieuwen toestand uitgestrooid, welke zaden beloven veel vruchten te zullen dragen.
Men weet dus wat men ook hier te wachten heeft.
Niet een evolutie, niet een geleidelijke overgang, maar een gewelddadige revolutie.
Hoe men over den godsdienst denkt.
Er is links een opschuiving om steeds brutaIer te gaan staan tegenover God en godsdienst.
Zeker! zoo zegt men, er is een maar die God is n a t u u r; er is onsterfelijkheid, want de stof en hare krachten zijn e e u w ig — en spottend heeft Haeckel, de man van de »Welträtsel« (De Wereldraadselen) reeds in 1899 geroepen: »wat nu Keizer is, bestaat na eeuwen nog en men zal dan met den Keizer een opening dicht maken in den muur om den wind buiten te houden«.
Van geloof wil men niet weten. Wie gelooft is zóó dom, dat hij door zijn domheid gelooft; of zóó geslepen, dat hij met geloof anderen bedriegt! Haeckel had al de wonderen van hemel aarde, al de wereldraadselen van dood en leven, van zijn en ontstaan, in een ..... fleschje. Want na lang zoeken had op den bodem der zee gevonden het »oerslijm«, een »Ievend slijmklompje« en daar had men nu het leven, het oer-leven, dat uit de eeuwige stof ontstaan was en waaruit alle leven, in den loop van millioenen jaren was voortgekomen!
Nu kon het Godsbestaan worden geloochend en de scheppingsdaad ontkend! Nu had men de verklaring van alles wat was en wat is. De mensch was een hoog ontwikkeld »werveldier«, in plaats van een schepsel Gods. In dien zelfden trant spreekt men nog elk ogenblik.
De Russische communist B u c h a r i n zegt in z'n program:
«Een middel om het volksbewustzijn te verduisteren is het geloof aan een God, aan booze en goede geesten. De moderne wetenschap heeft bewezen, dat de oorspronkelijke vorm van den godsdienst, de vereering van de zielen der gestorven voorouders was. Die vereering is begonnen op het tijdstip, toen in den oer-toestand van 't menschdom de z.g.n. stamhoofden te voorschijn traden, d.w.z. dat de rijkste, de sterkste en voornaamste mannen heerschappij begonnen uit te oefenen. Later kwamen de z.g.n. ouderlingen op, die bevel begonnen te voeren. Men begon hen te vereeren en te aanbidden; de aanbidding van de ziel der gestorvenen is de grondslag van den godsdienst en deze heilige afgoden namen dan aan den vorm van den strengen god, die straft, oordeelt en regeert«.
De godsdienst brengt bij de menschen de gedachten van heerschers en dat hebben de rijken in de hand gewerkt, om velen onderworpen te maken in slaafsche gehoorzaamheid. Daarom voert het Communisme strijd tegen den godsdienst, die spreekt van »Heer« en »knecht«. De bourgeoisie bedient zich van een instelling, de Kerk, om het bewustzijn der onderdanen te vergiftigen«
Verder zegt B u c h a r i n: »Er bestaat een soort vergif, opium. Wanneer men opium rookt, ziet men heerlijke droomen; men meent in het paradijs te zijn, maar het vergif toont zijn werking door de gezondheid verwoesten; de mensch wordt langzamerhand een stille idioot. Hetzelfde gebeurt ook bij de godsdienst. Er zijn menschen die opium willen rooken. Het ware dwaasheid wanneer men op staatskosten, d.w.z. op kosten van het geheele volk, opiumkitten wilde onderhouden en speciale menschen wilde aanstellen om die te bedienen. Met de Kerk moet men nu ook zoo te werk gaan, dat alle geldelijke ondersteuning van staatswege moet ophouden. Als vrome kerkbezoekers daarin plezier hebben, kunnen ze voortaan op eigen kosten alles onderhouden en hun Bisschoppen zich te goed laten doen aan vischpastei, zalm en wat zij verder gaarne lusten en als hun lievelingsgerecht begeeren«.
Zoo denkt men in Rusland; zoo spreekt men in Hongarije; zoo wordt ook hier gehoord o.a. in het Communistisch Tijdschrift »De Nieuwe Tijd«.
En hier is het ook éénerlei lot dat alle Kerken ervaart. Er is geen onderscheid bij deze menschen: Roomsch, Luthersch, Gereformeerd, — 't is alles lood om oud ijzer. De leuze is: weg met God; weg met de Kerk — godsdienst is opium voor 't volk!
Zoek geraakt?
Het Schiedamsche blaadje van de afdeeling van den Protestantenbond aldaar schrijft, zoo zegt „Kerk en Volk", een mooi stukje over de bevestiging der nieuwe (vrijz.) lidmaten in de Herv. Kerk te Rijswijk (Z.-H.). Met al die jaarlijksche tochten uit Schiedam naar Rijswijk zijn zeker al wel meer dan duizend nieuwe (vrijz.) leden tot de Herv. Kerk toegetreden. Maar nu doet „Kerk en Volk" de nuchtere vraag waar die 1000 vrijz. Hervormden in Schiedam gebleven zijn? Zoek geraakt ?
Vrijzinnig Kerkbegrip.
Daar hebben de vrijzinnigen binnen de kerkgenootschappen, bij hun strijd om zelfbehoud en meer nog bij hun pogingen tot zelfontplooiing, nog al moeite mee, om eens duidelijk voor zich zelf en voor anderen vast te stellen wat eigenlijk hun Kerkbegrip is. Voor hen die zich aansluiten bij de H. Schrift is dat gemakkelijker en de Heidelb. Catechismus en Ned. Gel. bel. zeggen dan ook heel wat in deze. Maar de Vrijzinnigen weigeren om zich te „conformeeren" aan den Bijbel, nog veel meer bezwaren hebben ze er tegen om zich te „conformeeren" aan de belijdenissohriften; en daarom mislukt ook elke gemeenschappelijke geloofsverklarinig en daardoor ontbreekt elk Kerkbegrip, in den gewonen zin des woords. Een vrijzinnige geloofsbelijdenis is er niet; en om de continuïteit met de traditioneele christelijke Kerk vast te houden is schier onmogelijk.
De geloofsinzichten en de godsdienstige voorstellingen van den vrijzinnige zijn van dien aard, dat ze zuiver persoonlijk zijn. De een ziet hierin weer anders dan de ander; en de voorstelling hier of de voorstelling daar moet verschillen; alles is zuiver p e r s o o n l ij k. En dat staat saambindend kerkelijk leven principieel in den weg. Nooit kan een vrijzinnige verder gaan, dan te erkennen, dat het gezag van een geloofsinhoud louter voor ieder geloovige persoonlijk gezaghebbend kan zijn; waarbij de kritiek altijd vrij moet blijven, anders is het „vrijzinnige" weg.
De vrijzinnigheid veronderstelt dan ook persoonlijkheid; met een individualistische, kritische levensbeschouwing" — schrijft een vrijz. Hervormde in de N.R.Ct. van Zaterdag 20 Juni 1926; Ochtendblad A. „En deze uit het beginsel voortvloeiende kenmerken dienen de vrijzinnigen vóór alles tot het uiterste te handhaven, indien zij op den naam „vrijzinnig" willen blijven prijsstellen"; voegt hij erbij.
De vrijzinnige staat tegenover de Waarheid als een Waarlheid die veelvormig is. Men weet niet wat waarheid is. En nu mag de een persoonlijk dit en de ander persoonlijk dat gelooven en belijden; want Volstrekte Waarheid is er niet; waarbij de een het volle recht moet houden van kritiek ten opzichte van 't geen de ander gelooft en belijdt. De taak van den vrijzinnige is dan allen en alles bij elkaar te brengen en te houden, met hooghouding van de persoonlijkheid en met hooghouding van de kritiek. Wat een Kerkbegrip geeft naar het model van „de korrels zand aan den oever der zee". Wat leidt tot agnosticisme, tot niet-weten. Wat afstoot en niet saambindt; wat verstrooit en niet vergadert; wat verzwakt en niet sterkt; wat een kerkelijk leven onmogelijk maakt.
„Ze hebben mijn Woord verworpen, wat wijsheid zouden ze overig hebben? " zegt de Schrift. En art. 7 Ned. Gel. bel. zegt: „Wij gelooven, dat deze Heilige Schrift den wil Gods volkomen bevat en dat al hetgeen de mensch schuldig is te gelooven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt".
Maar daar wil men niet aan, of men moest niet meer „vrijzinnig" zijn.
De Landdag te Gouda.
A.s. Zaterdag wordt er D.V. een Landdag te Gouda gehouden, aanvangende 's middags half vier, waar de Ned. Herv. Jongelingsvereenigingen op Gereform. grondslag uit den omtrek van Gouda, op het open veld, een samenkomst willen houden met allen, jongen en ouden, die in den arbeid onder jonge menschen belang stellen. Wij hopen, dat velen Zaterdag naar Gouda zullen gaan en daar den vrijen middag zullen willen doorbrengen in den kring van hen, die onze belangstelling zoo waard zijn en door onze belangstelling in hun arbeid kunnen worden bemoedigd en gesterkt.
De Openluchtsamenkomst, uitgaande van de Provinciale Afdeeling Zuid-Holland, zal staan onder leiding van ds. H. A. de Geus van Waddinxveen, die het openingswoord zal spreken. Ds. H. A. Leenmans van Delft zal het woord voeren en handelen over: H e t g e h e i m d e r k r a c h t; ds. M. Ottevanger van Sluipwijk zal spreken over: Heilig Vuur; terwijil ds. J. H. F. Remme van Amsterdam de slotrede zal houden.
Wij hopen dat de Landdag begunstigd mag worden door mooi weer, wat voor een openluchtsamenkomst zoo heeriijk is; en bovenal hopen we, dat de Heere gunstrijik tegenwoordig mag wezen, voor jongen en ouderen tot een rijken zegen voor hoofd en hart
Een prettige vergadering.
Woensdag 23 Juni j.l. is er te Utrecht een vergadering gehouden, waar o.a. door dr. P. J. Kromsigt te Amsterdam gesproken zou worden over de reorganisatie van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk, maar waarbij de spreker zóó vervuld was van de zaak dr. Geelkerken en de Synode van Assen, dat daaraan de volle aandacht werd gegeven en niet zuinig op de Gereformeerde Kerken en op de Synode van Assen werd afgegeven.
Wij dachten, dat er, wanneer het ging over de Hervormde Kerk, ook nog andere dingen te bespreken waren, maar de Gereformeerde Kerken én de Synode van Assen namen zóó hoofd en hart in beslag, dat er van de hoofdzaak weinig of niets is terecht gekomen. En zóó moet het dan komen tot reorganisatie van de Ned. Hervormde Kerk! Wij zijn geweldig blij en dankbaar, dat we er niet geweest zijn. Vooral als we letten op de discussie, die op het referaat van dr. Kromsigt gevolgd is.
Want ging het bij het referaat tegen de Synode van Assen en tegen de Gereform. Kerken, bij de discussie werd er nog een schopje bovenop gedaan door ds. Ekering van Amsterdam, ds. Gravemeijer van Den Haag, ds. Six Dijkstra van Ter-Aa en ds. Woldendorp van Warmond, allen mannen van de Herv. (Geref.) Staatspartij; waarbij ds. Six Dijkstra zich zelfs niet ontzag om met allerlei kletspraatjes betreffende 't sterfbed van dr. Kuyper aan te komen dragen. Voor zoover we uit de couranten hebben kunnen nagaan, heeft ds. Klomp van Capelle a.d. IJssel een kloek woord gesproken. Maar men heeft hem niet vriendelijk aangehoord!
Ook vonden we de woorden van ouderling Smedes van Utrecht — zooals wij die lazen in het courantenverslag — sympathiek, waar hij de kwestie van de zilveren koorde besprak; maar in het antwoord ging men het met een dooddoener voorbij; want dr. Kromsigt zei, volgens het courantenverslag, »we mogen Kerk en Staat niet zoo vijandig tegenover elkander stellen als b. v. de afgescheiden ds. Scholten gedaan heeft. Wij kunnen niet anders zeggen dan dat we blij zijn deze vergadering niet te hebben bijgewoond en zoolang de mentaliteit zoo is en blijft zooals nu weer openbaar is geworden, zullen we ook in het vervolg zoo vrij zijn om voor de invitatie te bedanken. Intusschen heeft de reorganisatiegedachte wel in helderheid gewonnen. Nog één zoo'n vergadering en we zijn er!
De aanval op de School met den Bijbel.
Men herinnert zich nog wel de rede, welke prof. dr. J. A. Cramer te Zwolle 22 Jan. 1926 gehouden heeft, toen hij zoo scherp veroordeelend gesproken heeft over het B ij b e I s c h o n d e r w ij s o p d e Christelijke School. Die rede was daarom mee zoo merkwaardig en teleurstellend, omdat de vrienden die prof. Cramer te Zwolle lieten optreden, een sterkend woord verwachtten en er kwam toen een scherpe aanval op het Christelijk onderwijs, op de School met den Bijbel — eigenlijk op den Bijbel zelf.
Dat de aanval inderdaad tegen den Bijbel zelf ging, blijkt wel uit een brochure, welke nu van de hand van prof. Cramer is verschenen onder den titel: »Het Bijbelsch onderwijs op de Christelijke School« ; van welk geschrift de liberale courant »Het Vaderland« zegt: »wij vinden dit frissche, knappe boekje van zóó groote waarde voor onze naar godsdienst snakkende jeugd in alle schakeeringen, dat wij het wel geheel zouden willen overschrijven Het is voor alle ouders en de geheele jeugd geschreven, gereformeerd, ethisch, modern en hoe men de menschenzielen anders wil etikkeeren«.
Uit deze lofrede van »Het Vaderland« kan men wel opmaken wat men in deze brochure ziet! Men zal het boekje nog wel eens gebruiken in het liberale kamp, om er ons mee te slaan en mee te gooien; om er onze Christelijke Scholen mee te smaden en te lasteren — enkel en alleen natuurlijk omdat men »de menschenzielen« zoo gaarne het beste gunt!
Wat prof. Cramer eigenlijk in onze Christelijke Scholen veroordeelt ?
Prof. Woltjer heeft eens geschreven het boekje: »Wat is het doel van het Christelijk Nationaal Onderwijs? « en zegt dan: »de Bijbel, het Woord Gods, dat spreekt als machthebbende, moet voor onze scholen de grondwet blijven, en dat niet alleen zóó, dat hij stilzwijgend bij al het doen en laten op de school den regel aangeeft, maar ook omdat hij er v o o r én d o o r de kinderen gelezen wordt«.
Dit nu ontkent prof. Cramer. De resultaten der moderne Bijbelcritiek zijn niet meer te ontkennen; wij kunnen niet meer naar vroegere tijden terug; nieuwe paden moeten worden gezocht; niet de Bijbel, maar de Christelijke gemeente is de bedding waar in het leven Gods de wereld instroomt; en daarom moet niet het ouderwetsche Bijbelsch onderwijs blijven, maar de vastheid van de wetenschap moet nieuwe banen maken.
Nu zegt nog de onderwijzer tot de kinderen: »dat leert de Bijbel!«
Maar wij hebben, dank zij de wetenschap, een anderen kijk op de dingen gekregen. En daarom is het schande als de christelijke onderwijzers daar geen lor van weten en maar blijven zeggen: »dat leert de Bijbel, het Woord van God!« Als de kinderen groot worden, zullen ze zien, dat de onderwijzer er geen lor van wist. En daarom moet de Christelijke School den Bijbel los laten. Inzonderheid het Oude Testament. Met de Bijbelsche geschiedenis, die met Adam in het Paradijs begint, moet radicaal gebroken worden. Het onderwijs moet zóó worden gegeven, dat de leerlingen nimmer aan eenig gezag van den Bijbel leeren gelooven, dan voor zoover het vast ligt in Jezus Christus. Want het eenige gezag, waarvoor wij buigen kunnen en willen, zegt prof. Cramer, is het gezag van Jezus Christus.
Prof. Cramer wil dus niet buigen voor den Bijbel — hij wil alleen buigen voor Jezus Christus.
Voor welken Jezus? Voor Jezus, die de Schriften erkende of voor een Jezus, die de Schriften niet erkende? Is er zoo'n Jezus, die de Schriften niet erkende? En als Hij er is, hoe kent prof. Cramer dan dien Jezus, die de Schriften niet erkende? Toch zeker door eenig middel? Of heeft hij dien Jezus zich zelf gemaakt in den vasten weg der wetenschap? Dan wordt het buigen voor Jezus een buigen voor het gezag van de wetenschap; en wel van een wetenschap, die den Bijbel ontkent en verwerpt. Zoo komen we dan van onder het gezag van de Heilige Schrift en van onder het gezag van den Christus der Schriften onder het gezag van theologen als prof. Cramer c. s.
De aanval van prof. Cramer is dus een aanval op den Bijbel. Een aanval ook op Jezus, die de Schriften erkende, daarbij leefde, daaruit sprak en er mee streed als het geestelijk zwaard, zeggende: daar staat geschreven.
En hij die dien Christus verwerpt — welken Christus houdt hij over?
Hij die zoo den Bijbel verwerpt — wat zekerheid, wat gezag krijgt hij er voor in de plaats? Niet de geopenbaarde waarheid Gods — maar de wijsheid der menschen.
En het is de eere en de kracht van onze Christelijke Scholen, dat daar niet de menschelijke wijsheid, maar de geopenbaarde waarheid Gods, dat daar 's Heeren Woord het hoogste gezag heeft.
Die aan onze Scholen dat wegneemt, neemt alles weg. En dat laten we niet toe. Ook niet aan prof. Cramer; neen, aan hem, den man van de scherpste bijbelcritiek, zeker niet!
Onze Scholen zijn en moeten blijven: Scholen met den B ij b e l. En als er meer ijver en waakzaamheid komt om Scholen met den B ij b e l te krijgen, te hebben en te houden — dan zullen wij ons hartelijk verheugen, ten spijt van prof. Cramer, vast vertrouwend, dat de Bijbel hechter grondslag is voor het onderwijs aan onze kinderen te geven dan »de vastheid der menschelijke wetenschap«.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's