GEESTELIJKE OPBOUW
Het Calvinisme (22)
"Voor de weinigen die op deze manier Genève verlieten", zoo gaat Hanz Hauszherr in zijn genoemd boekje verder, „werd men daar overvloedig schadeloos voor gesteld door de uit Frankrijk verdreven Protestanten. Omdat hen niets anders naar Geneve bracht, dan de religieuze zaak, waren zij Calvijn en elken geloovige, zéér welkom. Zij werden een te grootere macht, daar zij door geen uitwendige remmende invloeden gebonden waren. Ook de Kleine Raad kon deze slagvaardige troepen voor zijn doeleinden gebruiken, voornamelijk, als het er op aankwam, de oud-Geneefsche oppositie te overwinnen en klein te krijgen. Slechts tegen de Kerk was die macht niet te gebruiken. Daar de Raad echter noodwendig op haar aangewezen was, werd hij daardoor nog vaster aan de Kerk geboeid.
Aan dit alles dacht men in het allereerste begin zeker niet. Als Calvijn den Raad kan prijzen omdat Geneve een toevluchtsoord voor de leden van Christus' Kerk is geworden; of als hij blij constateert, dat de stad er nauwelijks meer kan bevatten, maar dat eerder de muren zullen worden neergehaald dan dat er maar één zou buiten blijven; of als de Kerkeraad ongepaste uitlatingen de vreemdelingen niet ongestraft laat (Notulen van den Kerkeraad; 21___) dan is dat alles niets anders dan de vervulling van een religieuzen plicht.
Iets geheel anders echter was het, toen aan een groot aantal dezer vreemdelingen het burgerrecht werd verleend, om een politiek doel, zooals zich Calvijn ook volkomen bewust was. Dat was een machtsmiddel. Reeds in 1543 werd, het blijkt niet duidelijk van welke zijde, bij de Tweehonderd een voorstel ingediend en verworpen, het verschil tusschen oude en nieuwe burgers geheel op te heffen. (Cornelius, pag. 391, opm. 2). Calvijn schijnt dit doel ook later met kracht nagestreefd te hebben. Men wist zich te redden, door, overeenkomstig het gebruik, den vreemdelingen één voor één de burgerrechten te verlenen. In de kerk mocht er evenwel geen verschil zijn; dat beslist het dikwijls genoemde aan de o r d o n n a n c e s toegevoegde edict.
Het ligt in het wezen van elk kerkideaal, dat het iederen enkeling en dan den persoon gehéél, aan zich wil verbinden. Het is aan het Calvinistisch Geneve meer dan aan iedere andere poging tot oplossing gelukt, dit ideaal nabij te komen; maar slechts daardoor is hem dit gelukt, dat het de samenstelling van zijn bevolking belangrijk veranderde. Een maatregel, die echter slechts in het klein kon doorgevoerd worden. Een kerkwezen, zooals Calvijn voorstond, is in groote verhoudingen onmogelijk gebleken. Voor het latere Calvinisme is daarom de vrije Kerk kenmerkend geworden, of het heeft van de eischen van zijn meester moeten laten vallen.
De Italiaansche humanisten, wier leerstellingen, 't uitgangspunt hadden in de Katholieke Aufklarung van een E r a s m u s en die ook een begin van moderne wereld-en ___aalsbegrippen geworden zijn, hebben hun ideeën juist in aanraking met het Geneve van Calvijn en in tegenstelling tot hem ontwikkeld: Castellio was een tijdlang zijn medearbeider; Acontius leefde ten tijde van Calvijn in Bazel, Zurich en Straatsburg en Lelio Sozini stond van Zurich uit met Calvijn in briefwisseling. Gedachten, die van hier afkomstig waren hebben dikwijls op de Geneefsche oppositie tegen het wezen van de Staatskerk invloed gehad. Calvijn deelt aan Viret mee dat men bij een huiszoeking bij Gruet een program-ontwerp voor de verkiezingen in Genève had gevonden, waarin het heette dat de wetgeving van de Staat slechts misdrijven tegen den Staat vervolgen mag. (Het origineel document moet zich in het archief van Geneve bevinden). Dit liet men ook in andere steden tegen de kerkelijke politiek van den Raad gelden; zoo verklaarde een Straatsburgsch predikant, dat de Overheid zich in geenerlei wijze met het Evangelie moest bemoeien. Ook Luther zou datzelfde hebben kunnen zeggen. (Walter Sohm, pag. 132). Het belangrijke voor ons is, dat het ontwerp verder luidt: zóó handelden ook zeer ervaren regeeringskunstenaars als de Venetiërs. Eigenaardig werken in deze zinnen begrippen van de meest verschillende herkomst samen. De werkelijke motieven der Italiaansohe Staatsleer hebben zij niet begrepen. Voor deze Staatsleer waren de onmeetbare en onberekenbare religieuze krachten zeer onaangenaam, maar zij benijdde de Kerkvorsten om de macht die zij hadden; hun streven was het, ook deze krachten vast in handen te krijgen, ze daardoor onschadelijk te maken, of tot eigen voordeel te gebruiken. Daaraan hield zich ook de Markus republiek. G r u e t heeft dat zeker niet begrepen. Er blijkt echter uit, hoe scherp de ideeën tegenover elkaar stonden en met welke krachten Calvijn te strijden had. Onder den druk daarvan is zijn wereld in de toekomst werkelijk bezweken.
Voorloopig echter trad de Raad tegen den brutalen oproermaker scherp op: Gruet stierf op het schavot".
Tot zoover Hans Hauszherr in zijn boekje „Der Staat in Calvins Gedanken welt" (De Staat in Calvijns Gedachtenwereld) waarvan wc nu Hoofdstuk 2: „Staat en Kerk in Geneve geheel hebben overgenomen.
Naast dit relaas van Hauszherr willen we nu van een ander Duitsch schrijver een hoofdstuk overnemen en wel van Karl Adolf Cornelius die over den hervormingstijd, over de Wederdoopers en ook over Calvijn geschreven heeft. Uit zijn boek: Historische Arbeiten Leipzig 1899 laten we hier volgen wat hij geschreven heeft over het ontstaan en den inhoud der Ordonnances ecclésiastiques, om daardoor beter gezicht te krijgen op de kerkrechtelijke beginselen van Calvijn en de toestanden in Geneve in de dagen van Calvijn en Beza.
Cornelius schrijft dan in zijn boek dat ongeveer 600 blz. bevat als volgt over: Het ontstaan van de Calvinistische Kerkorde in Geneve in het jaar 1541.
„Wij vernemen", zoo zegt Cornelius (blz. 353), „uit Calvijn's eigen mededeelingen, dat hij met groote moeite en strijd zijn Kerkorde heeft doorgezet en dat het hem niet gelukt is, ten volle te bereiken wat hij zich voorgesteld had. Dat geeft ons te meer aanleiding zooveel mogelijk den inhoud en de factoren van den strijd, de geschilpunten en de phasen der onderhandelingen nauwrkeurig na te speuren. Zoolang echter alleen de beknopte uitlatingen van den Hervormer in zijn correspondentie en de nog minder zeggende notities in de Notulen van den Raad van Geneve ons ten dienste stonden, konden we op deze vragen geen antwoord vinden. Wat we te lezen kregen was veel te weinig om een juiste voorstelling van den gang van zaken ons te kunnen maken. Veel gunstiger echter is alles geworden nadat de Straatsburgsche uitgevers van de werken van Calvijn een copie van het oorspronkelijke ontwerp van de Kerkorde gepubliceerd hebben, onder bijvoeging van de door den raadsklerk daarin aangebrachte correcties en de afwijkingen van de definitieve wet. Daardoor zijn we in staat gesteld, drie verschillende redacties te onderscheiden: ten eerste het werk van de Commissie voor het samenstellen van de Kerkorde; ten tweede, het resultaat van de besprekingen over dit ontwerp in den Raad; ten derde de slotredactie, die het resultaat is van een door den Raad aangebrachte herziening. Door vergelijking der drie stukken treden de geschillen scherp naar voren en het wordt ons alzoo mogelijk gemaakt een inzicht te krijgen in den loop der beraadslagingen en in de wording van de Kerkorde zelve. Derhalve mag nu een poging gewaagd worden een geschiedenis van het ontstaan van de Calvinistische Kerkorde in Geneve te ontwerpen.
1. De Commissie voor een ontwerp der Kerkorde. Toen Calvijn uit de verbanning terugkeerde en voor den Raad verscheen op den Sden September 1541, deed hij dadelijk een voorstel, dat de Raad uit zijn midden een Commissie zou benoemen, om met de predikanten een Kerkorde uit te werken. Daar men wist, dat Calvijn zijn komst naar Geneve van deze voorwaarde had laten afhangen, besloot men zonder dralen tot deze zaak en in dezelfde zitting werd een Commissie benoemd. Den 16den September werd het besluit herhaald en in zooverre aangevuld, dat het werk van de Commissie straks aan den Kleinen Raad, daarna aan den Grooten Raad en ook aan de gemeente ter onderzoek zou worden voorgelegd.
De Commissie, werd samengesteld uit vier leden van den Kleinen Raad en wel: Claude Pertemps, Ami Perrin, Claude de Roset, Johan Lambert, en twee leden van den Grooten Raad Ami Porral en den rechtsgeleerde Johan Gonla. De benoeming van Gonla nam men echter weer terug en stelde Johan Balard in zijn plaats. Gonla was wel altijd een vurig partijganger van het Evangelie geweest, maar zijn levenswijze paste niet bij het werk van kerkelijke wetgeving. Raadselachtig blijft echter de verkiezing van Balard, wiens aanhankelijkheid aan de oude Kerk in de heele stad bekend was. De overige vijf hadden steeds naast Michiel Sept aan het hoofd der partij gestaan; die Calvijn en Farel en hun geestelijk streven had begunstigd. De geestelijke medewerkers van de Commissie waren Calvijn en Viret en de drie predikanten, die uit vroeger tijd in de stad achter gebleven waren en die men in het ambt bestendigde: Henri de la Mare, Jacques Bernard en Ami Champereaux.
Den 16den September was de Commissie met haar werk klaar en legde den Raad het ontwerp der Kerkorde voor.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's