De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Een onmogelijk en toch gemakkelijk werk*

15 minuten leestijd

*) Predicatie, uitgesproken te Veenendaal op Zondag 27 Juni ter bevestiging van ds. S. C. van Wijngaarden.
Een der meest treffende wonderen die de Heiland tijdens Zijn omwandeling op aarde verricht heeft, is de wonderbare spijziging. Een dergelijk wonder heeft Jezus zelfs tot tweemaal verricht en een van die twee wonderen werd ons daar straks voorgelezen. En als gij ons nu vraagt wat ons in dat voorgelezen wonder het meest heeft getroffen, dan antwoorden we: dat de Heere door kleine middelen zulke groote dingen verricht.
Nietwaar, gij kent de geschiedenis. Daar is een groote schare, een schare wel van omtrent vijfduizend mannen, zonder nog de vrouwen en de kinderen, een schare dus veel grooter dan ons kerkgebouw van morgen én van avond beide kan bevatten. En die groote schare wordt gespijzigd, verzadigd met vijf brooden en twee visschen; vijf brooden en twee vischjes, die door een jongsken gedragen waren en waarvan Andreas zoo terecht gevraagd had: maar wat zijn deze onder zoovelen? Andreas doorzag dus, dat het menschelijikerwijs gesproken onmogelijk was dat zooveel mensahen genoeg zouden hebben aan zoo weinig voedsel. En ach, als Andreas of zelfs zijn broeder Simon Petrus het had moeten doen, dan had hij zeker gelijk gehad, dan hadden zij aan die vijf brooden en die twee vischjes van het jongsken lang niet genoeg gehad. Maar Andreas behoefde het niet te doen en Petrus behoefde het ook niet te doen, en geen van Jezus' discipelen behoefde het te doen. Zij hadden niet anders te doen dan de scharen te doen nederzitten en de spijze uit te deelen. Het was alleen door een wonder van Gods almacht dat al die menschen met dat weinige voedsel verzadigd werden en dat er zelfs nog overgeschoten brokken vergaderd konden worden, opdat er niets verloren zou gaan. Wat een klein middel, waardoor de Heere ook in deze spijziging Zijn Woord heeft bevestigd:
Hij maakte, Hij, die heerlijk is.
Zijn wond'ren een gedachtenis;
Hij is barmhartig en genadig.
Hij gaf hun, die Hem vreezen spijs.
En, Zijnen grooten Naam ten prijs.
Gedenkt Hij Zijns verbonds gestadig.
Wat een klein middel, waardoor de Heere dus iets groots heeft verricht. En wat dunkt u, zou die wonderbare spijziging in het natuurlijk leven nu niet een rijk symbool zijn van de wonderbare spijziging in het genadeleven? En zou zij ons niets te zeggen hebben met het oog op den dienaar des Woords, tot wiens bevestiging wij vanmorgen hier vergaderd zijn?Ja, God heeft weer een dienaar des Woords tot u gezonden, die vandaag den herdersstaf hoopt te aanvaarden over de talrijke kudde, die dan weer aan ons beider zorge zal toevertrouwd zijn.
Hij is tot u gekomen met vijf brooden en twee vischjes. En als hij nu ziet op zichzelf en op de groote schare, die hier onder zijn prediking zal hederzitten, o dan kunnen wij er zoo inkomen dat hij met Andreas vraagt: maar wat zijn deze onder zoovelen? Daarom is het noodig dat hij van zich zelf en van de schare zal afzien en dat hij zal opzien, tot Hem, die zich van kleine middelen weet te bedienen om groote dingen te doen, die kleine menschen gebruikt, opdat in den opbouw van Zijn Kerk Zijn groote-Naam geheiligd zal worden.
Komt gaan wij, daartoe uwe aandacht bepalen bij een eisch, die van 's Heerenwege tot hem komt. Ons tekstwoord vindt gij:
2 Koningen 4 vers 42b. »Geef aan het volk, dat zij eten«.
Ons tekstwoord is ontleend aan een der wonderen van den profeet Eliza; aan een der ongewone krachten, die door dezen Godsman zijn verricht.
Het is het pendant van het zeer bekende wonder van den dood in den pot. Beide wonderen zijn verricht tijdens een hongersnood die het volk van Israël teisterde en waaraan ook de zonen der profeten onderworpen waren. Er waren echter onder Israel's volk blijkbaar nog menschen, die ook in duren tijd en hongersnood de profeten niet vergaten. Er waren ook toen nog menschen die blijkbaar niet dachten, gelijk men later wel eens heeft gedacht: die profeten hebben zooveel geestelijk voedsel, dat zij het natuurlijk voedsel wel kunnen missen. O neen, daar was een man gekomen van Baal Salisa, een plaatsje dat in de nabijiheid van Gilgal lag en deze man had aan den man Gods, d. w. z. aan Eliza, gebracht brooden der eerstelingen; twintig gerstebrooden en bovendien nog groene aren in hare hulzen; d.w.z. door de hitte verdroogde aren, die nog niet uitgedorscht waren. Deze man van Baal Salisa had dus rekening gehouden met het gebod Gods in Numeri.18 vers 13 en Deut. 18 vers 4, dat het brood der eerstelingen den priesteren toekwam. Maar omdat in het rijk der tien stammen in die dagen geen priesters des Heeren gevonden werden, had deze man wat hij aan den dienst des Heeren verschuldigd was, tot de profeten en met name tot den profeet Eliza gebracht.
Toen Eliza echter die brooden en die aren ontving, heeft hij ze niet alléén gehouden voor zichzelf, hij heeft ze laten uitdeelen onder de zonen der profeten, die in getale van honderd aan zijn voeten zaten. Wat die man gebracht had, kwam dus ten goede van de zonen der profeten en daardoor dus ook ten goede van Israels volk. Dat is dan ook de eerste gedachte die in ons tekstwoord besloten ligt. Wat God aan Zijn volk, aan Zijn knechten geschonken heeft, dat hebben zij mee te deelen aan anderen, in de eerste plaats aan degenen met wie God ze in eenige betrekking doet staan, die de Heere op eenigerlei wijze aan hunne zorge heeft willen toevertrouwen, en langs dien weg moeten de gaven, ons verleend, ook ten goede komen aan de Kerk des Heeren, aan het volk van God, dus aan de uitbreiding van het Godsrijk en aan de grootmaking van Gods Naam.
En dat is niet alleen zoo met de natuurlijke weldaden en zegeningen die God ons verleende, maar zeker niet minder met de geestelijke weldaden die de Heere ons schonk, niet het minst met het Woord des Heeren, dat God ons gaf, opdat het voor ons een spijze op den weg des levens zou zijn.
Dat brood des Woords moet ook in den middellijken weg uitgedeeld worden. Daartoe is ook weer een dienaar des Woords tot ons gekomen. God heeft ook hem in den weg der middelen gerstebrooden en aren geschonken en nu komt van morgen het bevel des Heeren tot hem, dat hij een uitdeeler zal zijn van de menigerlei genade, die God hem in dat Woord des Heeren geschonken eeft.
»Geef den volke dat zij eten«. Dat is het bevel dat hem van 's Heerenwege in deze ure wordt toegeroepen. Komt, laten we achtereenvolgens hooren:
1. hoe onmogelijik het schijnt om aan dat bevel te voldoen;
2. hoe gemakkelijk het is om aan dat bevel te gehoorzamen;
3. welke gezegende vruchten het opvolgen van dat bevel van zich werpt.
»Geef den volke dat zij eten«.
Dat was het bevel van Eliza tot Gehazi. Maar het scheen Gehazi onmogelijk om aan dat bevel te voldoen. Gij kent dan ook de bedenking, die Gehazi gemaakt heeft. Op het bevel van Eliza luidde het afwijzende en mismoedige antwoord: Wat zoude ik dat aan honderd mannen voorzetten?
Gehazi zag dus op twee dingen: hij zag op »dat« en op »de honderd mannen«, onder wie hij »dat« verdeelen moest. En met een natuurlijk oog gezien, had Gehazi daarin volkomen gelijk. Immers zoo oppervlakkig bezien dan waren die twintig brooden en die weinige groene aren veel te weinig om honderd mannen, zelfs maar op karige wijze, van het noodige voedsel te voorzien. Voor het bewustzijn van Gehazi waren de nooden en behoeften veel grooter dan de spijze die beschikbaar was om in de noo­den te voorzien en die behoeften te vervullen. Gehazi was aan het cijferen en aan het rekenen gegaan, en natuurlijk als wij dat doen, dan komen we in geestelijke dingen altoos te kort, dan hebben we lang geen geld genoeg om scholen en kerken te bouwen en om in zoovele nooden van den dienst des Heeren te voorzien. Als zij aan het cijferen en aan het rekenen gaan, dan hebben Gods kinderen vaak lang niet genoeg afm de genade, die zij van hun God hebben ontvangen, dan vreezen zij telkens weer dat zij er lang niet mee zullen toekomen, dat zij straks veel te weinig zullen bezitten en dat, als zij gelegd zullen worden op de weegschaal van Gods recht, zij met het weinigje genade dat zij bezitten veel te licht zullen zijn.
En zoo is het nu ook met de leeraars der gemeente, als zij net denken zooals Gehazi dacht; als zij net cijferen zooals Gehazi cijferde, als zij net rekenen zooals Gehazi rekende, dan zeggen zij ook: hoe zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? Hoe zou ik met mijn kleine krachten, met mijn geringe talenten, met mijn geestelijke armoede, hoe zou ik zelfs met dat oogenschijnlijk zoo zwakke en nietige Woord des Heeren ooit in staat zijn om den geestelijken honger van mijn gemeente te stillen, om in de nooden van zooveel menschenkinderen te voorzien, om de behoeften te vervullen van zooveel zielen, die voor een eeuwigheid geschapen zijn?
Daarom zou het mij niet verwonderen, als die Gehazi-vraag eenerzijds op dezen dag ook in het hart van uwen nieuwen leeraar gevonden zou worden, als hij op het bevel: »Geef den volke dat zij eten«, ook zou zeggen: Hoe zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? Hoe zou ik een groote gemeente, niet van honderd mannen, maar van zooveel duizende zielen, kunnen bevredigen? Ja, als uw nieuwe leeraar denkt zooals Gehazi dacht, en rekent zooals Gehazi rekende, dan zegt hij ook: Heere, het is onmogelijk om aan dat bevel te voldoen.
Want zeker, uw nieuwe leeraar is niet met ledige handen tot ons gekomen. Hij heeft brooden der eerstelingen bij zich. Immers hij is tot ons gekomen als dienaar des Woords. En dat Woord dat hij zal bedienen, waarvan hij in ons midden een uitdeeler zal wezen, dat Woord kan zoo terecht onder het zinnebeeld van brood voorgesteld worden. Gij weet allen wel, waarom. In dat Woord immers heeft Hij zich geopenbaard, die van zichzelf heeft kunnen getuigen: Ik ben het brood des levens. Ik ben het ware manna. Ik ben het brood, dat uit den hemel is nedergedaald. Christus is dus het brood, .waardoor de honger van zoo menige ziel is gestild en van dien Christus zal uw nieuwe leeraar een bedienaar, een verkondiger zijn. En dat brood, die Christus, dat Woord is zoo veelzijdig. Eliza had aan Gehazi de beschikking gegeven over twintig gerstebrooden en dan bovendien nog groene aren in hare hulzen. Er was dus brood, dat reeds toebereid was, dat reeds klaar was om gegeten te worden, maar er was óok brood, dat nog toebereid moest worden.
Welnu, zoo is het ook met het Woord des Heeren. Evenals er twintig brooden waren en meerdere aren, zoo is het Woord des Heeren ook een brood dat in onderscheidene nooden van ons leven voorziet, dat op allerlei vragen, die het veelzijdige menschenleven ons stelt, een antwoord heeft. Alléén maar sommige gedeelten van dat Woord zijn reeds toebereid brood, maar daar zijn in het Woord des Heeren ook vele aren die nog in haar huizen zijn, die dus in den middellijken weg nog moeten toebereid worden. En nu is het een eere voor een dienaar des Woords, dat hij ook daarin een medearbeider des Heeren genoemd kan worden.
Het is dus wel een kostelijke gave, die gerstebrooden en die aren, dat brood des Woords, dat brood des levens, waarmee ook uw nieuwe leeraar uw honger zal hebben te stillen. Maar zoo oogenschijnlijk is het toch veel te gering om in de nooden van zoovele duizenden te voorzien en om de verschillende behoeften van zoo talloos velen te bevredigen. Immers we moeten niet vergeten, de nooden zijn zoo groot, de behoeften zijn zoo vele en velerlei. Als we alleen maar eens letten op onze groote gemeenten met haar vele duizenden leden, grooten en kleinen, ouden en jongen, rijken en armen, bokken en schapen, allen menschen van verschillenden aanleg, met 'n verschillend karakter, van wie de één met dit en de ander weer met dat gedeelte van het Woord des levens moet gevoed worden. En als wij dan bovendien nog zien op de veelbewogen en veelszins zoo ingewikkelde tijden die we beleven, immers de nooden en de behoeften onzer dagen, o zeker, wat 't wezen betreft, dan zijn ze niet anders dan zij altoos zijn geweest. Maar wat den vorm betreft, dan zijn ze zoo verschillend, dan zijn ze zoo heel anders dan zij waren vóór vijftig, vóór honderd en nog weer anders dan zij waren vóór vijfhonderd en vóór duizend jaar. »Geef den v o l k e dat zij eten«. O, daar is niet het minst in onze dagen zooveel en zoovelerlei volk. Daar is in de eerste plaats een volk Gods en een volk der wereld.
Maar onder dat volk Gods zijn immers ook menschen met onderscheiden aard en onderscheidene karakters, daar zijn meer bekommerden en meer bevestigden in het geloof, daar zijn er die meer stil zijn geleid, daar zijn er ook die onder groote beroeringen zijn overgezet, daar zijn er die zeer onderwerpelijk, daar zijn er, die zeer voorwerpelijk gelegerd zijn, daar zijn er die zeer verstandelijk, en ook die meer gemoedelijk aangelegd zijn, daar zijn er die veel van de leidingen Gods in hun leven kunnen vertellen, daar zijn er ook die niet anders kunnen zeggen: één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie; daar zijn er die zeggen ik ben van Paulus, ik ben van ApoUos, ik ben van Cephas.
En onder de kinderen der wereld is het niet anders; ook daar vindt ge de allergrootste verscheidenheid. Daar zijn er die wandelen op de wegen van het grove materialisme, die geen ander levensdoel kennen dan het: laat ons eten en-drinken, want morgen sterven wij; daar zijn er ook die meer varen in de wateren der nieuwere mystiek, die dwepen met de idealen van Occultisme en Spiritisme, Theosophie en Ster in het Oosten, en welke stroomingen daar voorts wezen mogen. En zulke menschen, schoon vaak aan de eerste beginselen van de leer van Christus ontwend, blijven zich vaak Christenen noemen en behooren vaak nog tot de Kerk des Heeren, helaas, niet zelden tot onze Hervormde Kerk. »Geef den volke dat zij eten«.
Nu moet tot al deze menschen 't Woord des Heeren gebracht worden. Aan allen moet het brood des levens uitgereikt worden. Verstaat gij dan, hoe veelomvattend de arbeid is van den dienaar des Woords? En beseft ge dan hoe een dienaar des Woords die zich zijn roeping bewust is, wel eens vraagt: maar Heere, wat zal dat Woord, dat eenvoudige Woord van U, die twintig gerstebrooden en die weinige aren nu uitwerken onder al die menschen? Hoe zal het nu in al die nooden voorzien; hoe zullen al die menschen nu in dat Woord van U spijze voor hun ziel kunnen vinden?
Ja, toen Mozes geroepen werd om Israels volk te verlossen uit het diensthuis van Egypte, sprak hij: Heere, wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan, om het volk te verlossen? Toen Gideon geroepen werd om Israël te verlossen van het juk der Midianieten, sprak hij: ach, mijn Heere, waarmede zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse en ik ben de kleinste in mijns vaders huis. 
Toen Jesaja geroepen werd om des Heeren Woord te gaan verkondigen, sprak hij: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben en woon in het midden eens volks dat onrein van lippen is. Zij allen gevoelden zich dus onbekwaam als zij zagen op hun kleine kracht en daarentegen op het groote werk dat hun werd opgedragen. Was het dan wel zoo'n wonder dat ook Gehazi, ziende op de onmogelijkheid om met zoo weinig spijze zooveel menschen te voeden, uitriep: Wat zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? En was het later wel zoo'n wonder, dat Andreas, toen hij hetzelfde zag, uitriep : Maar wat zijn deze onder zoovelen? 
En zou het nu wel zoo'n wonder wezen, als ook de oogen van uwen nieuwen leeraar eenerzijds ontsloten waren voor de onmogelijkheid om te voldoen aan het bevel, dat hem in deze ure gegeven wordt ? Geef den volke dat zij eten. Zou het wel zoo'n wonder wezen, ja zou het niet een wonder wezen, als het bij het hooren van dien eisch zijn belijdenis ware: Heere, wie ben ik, dat een groot volk als dit door mij zou gevoed worden?
Gelukkig als die belijdenis dan ook maar gepaard mag gaan met de bede, die wij met en voor hem willen opzenden:
Doe bij Uw knecht weldadigheid, o Heer',
Opdat hij leef; Uw woorden moog' 'bewaren,
En dat Uw Geest hem ware wijsheid leer'.
Zijn oog verlicht, de nevels op doe klaren,
Dat zijne ziel de wond'ren zie en eer.
Die in Uw - wet alom zich openbaren, .
(Slot-volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's