UIT DE PERS
Van twee kanten dreigt gevaar.
Prof. dr. T. Hoekstra, hoogleeraar aan de Theologische School te Kampen, vestigt er in verband met 't S c h r i f t g e z a g, steeds door de Gereformeerden verdedigd, de aandacht op de gevaren die van twee kanten in deze dreigen. Van zijn woord, op den laatsten Theologischen Schooldag gesproken, nemen we een gedeelte over en wel het volgende:
De jongste geschiedenis van onze Kerken heeft ons geleerd, dat er gevaar dreigt en we geroepen worden op twee fronten te strijden. Het gaat in de komende worsteling om het Goddelijk gezag der Schrift. Men wil langzaam aan, maar zeker — zich losmaken van den band aan het Woord, zoowel in leer als in leven.
Aan den eenen kant dreigt het gevaar van het rationalisme. Men wil door de ongeloovige wetenschap, d.i. door de menschelijke rede, laten uitmaken wat in de Heilige Schrift waarheid en van waarde is, en wat tot een vroegere, minder verlichte periode behoort. Eerst wordt door de rede, die zich hult in het kleed van wetenschap, een klein stukje van de Heilige Schrift weggeredeneerd en weggecritiseerd. Daar blijft 't niet bij. 't Proces gaat.door. De eene streng na de andere wordt losgemaakt en ten slotte staat men »vrij«, dat is bandeloos tegenover 't Woord. De Heilige Schrift wordt beschouwd als een menschelijk boek, met mooie uitingen van religieus voelen, maar ook vol fouten. Dat rationalisme met zijn verstandscritiek is de vijand op het eene front.
En op het andere valt het mysticisme ons aan, dat vroom spreekt en door zijn zachte taal velen bekoort. »Het komt op de uitwendige kennis niet aan, gij moet het Woord Gods hebben in uw hart«. »Geloof aan de woordelijke inspiratie der Schrift is letterknechterij, het komt er maar op aan of ge inwendig verlicht zijt door den Geest Gods«. Deze richting verlegt het zwaartepunt van het uitwendige naar het inwendige, van de Godsopenbaring in de Schrift naar de verlichting in het menschelijk hart. Het is een richting die zich aansluit bij een machtige cultuurstrooming in onzen tijd. In vele, ook wetenschappelijke en hoog cultureele kringen, is 't gedaan met de heerschappij van het intellect en wordt er alleen met het gevoelsleven en een onmiddellijk schouwen van de waarheid gerekend. Er breekt een periode van romantiek, van verstandsverduistering in. Men zingt weer hymnen aan den nacht in den nacht. In kunst en wetenschap zijn sommigen, vooral in Duitsohland en Nederland, ten prooi aan mystieke verdwazing, ook op godsdienstig gebied. En hier is het het meest gevaarlijk.
Het mysticisme, waarvan we de eerste vertegenwoordigers hier en daar waarnemen, valt niet minder dan het rationalisme ons christelijk geloof aan. Het mysticisme is warm, het rationalisme koud, maar zoowel deze warme als deze koude stroom is levensgevaarlijk voor den christen. Immers, zoowel bij het Rationalisme als bij het Mysticisme raakt men zijn Bijbel heelemaal kwijt. Tegen de aanvallen van deze twee zijden zullen de Gereformeerde theologen zich met alle kracht hebben te verweren. .
Ds. K. van Dijk, missionair predikant te Keboemen (Java) sprak op den laatstgehouden theologischen Schooldag te Kampen het volgende over:
Kerk en Zending.
Kerk en Zending behooren bij elkander. De Kerk dankt hare uitbreiding in de wereld aan de Zending. Op hare beurt wordt de Zending gedragen door de Kerk. In dit nauwe verband ligt de rechtvaardiging van dit onderwerp op den Schooldag. Bij de behandeling is het doel praktisch. Geen historisch onderzoek naar de verhouding, zooals die bestaan heeft. Geen principiëele uiteenzetting omtrent de verhouding, zooals die behoort te zijn. Slechts eene herinnering aan wat onder ons algemeen vyordt aangenomen, en dat om onze liefde tof de groote zaak te sterken, welke onze Kerken in de Zending dienen.
Drie zaken komen hierbij ter sprake:
1e. De Kerk wordt geplant onder de volken door middel van de Zending.
2e. De Kerk is op den arbeid der Zending aangelegd.
3e. De Zendingstaak der Kerk is van de allergrootste beteekenis.
1e. Onze vaderen waren heidenen. De Zending bracht hier het Evangelie. Zij verzetten zich. De arbeid werd voortgezet. Gods Kerk werd hier gesticht. Welk een omkeering; wat een zegen danken wij, daaraan, ook heden nog. Wat van ons land geldt, dat geldt van christelijk Europa, ja, van heel de christelijke wereld. God heeft groote dingen gedaan door de Zending. En de gevolgen blijven. Geen ander werk, door menschen bemiddeld, in dat opzicht met de Zending te vergelijken. Wat de Zending gedaan heeft, dat doet zij nog. Thans zijn onze Kerken bezig door den zendingsarbeid de Kerk des Heeren te stichten in Indië. En aanvankelijk gelukt het haar. Er zijn reeds geïnstitueerde Kerken. Onlangs werd de eerste Inlandsche Dienaar des Woords te Djogja in het ambt bevestigd.
2e. De Kerk is ook op de Zending aangelegd. Ook hier draagt de vrucht wederom het zaad. En dit vooral de rijpe, tot volledige ontwikkeling gekomen vrucht. Niet de pas ontluikende, of de pas tot reformatie gekomen Kerk is het meest geschikt om in de Zending te arbeiden. Maar de gevestigde, tot ontwikkeling gekomen Kerk. Zij is tot dien arbeid toegerust met het Evangelie, dat een boodschap voor de wereld heeft. Voorts met een ambt, dat nevens andere ambten aan den stam van het apostolisch ambt ontsproten is, en blijkbaar speciaal voor de Zending was bestemd. Dat ambt is niet afgeschaft, al konden de Hervormers dat meenen. Praktisch hebben wij het in het ambt onzer missionairen. Ook gaf de Heere aan Zijne Kerk den Heiligen Geest om voor het Evangelie in de wereld den weg te effenen, en om Christus' gezanten te bekwamen tot hun getuigendienst; gelijk Hij terstond is beginnen te doen op den Pinksterdag. Eindelijk gaf de Heere voor dit werk vele rijke beloften en leerde Hij de Zijnen bidden om de komst van Zijn Koninkrijk.
3e. Dit groote werk is niet maar een van de vele dingen, die wij als christenen te doen hebben. Het is een van de twee takken, waarin de dienst van het Koninkrijk zich splitst. De Kerk moet, waar zij gevestigd is, verzorgd worden en gesterkt. Dit is het eene. Wij moeten arbeiden voor de komst van Gods Koninkrijk onder de volken. Dat is het andere. Bij al dien arbeid gaat het om den dienst en om de eere des Konings. Wij mogen daarvoor niet weinig geven.
Het eigendomsrecht op zitplaatsen in de Kerk.
In verband met vragen, die ook wij wel eens ontvangen hebben inzake het eigendomsrecht op zitplaatsen in de Kerk, meenen we goed te doen hier over te nemen, wat in het orgaan van de Vereeniging van Kerkvoogdijen in de Ned, Her vormde Kerk daarover geschreven is, behandeld op de Algemeene Vergadering van Woensdag 19 Mei 1926. Het stuk luidt:
Het eigendomsrecht op zitplaatsen komt zeer veel voor en onder verschillende vormen, die hier niet alle kunnen opgesomd worden. De voor de Kerk meest drukkende vorm is deze, dat men voor zich en voor zijn erfgenamen, of andere rechtkrijgenden, beweert, eigenaar van één of meer zitplaatsen te zijn, zonder dat de Kerk daar iets aan doen kan. Men kan dus zulke zitplaatsen verkoopen; men kan ze op zijn beurt verhuren en men laat ze bij sterfgeval na aan de erfgenamen. Op die wijze kan het voorkomen en komt het voor, dat niet alleen enkele zitplaatsen, maar heele banken in handen zijn van menschen, die er een melkkoetje van maken. Ook komt het voor, dat adellijke families, die van ouds één of meer banken in de kerk bezitten, althans beweren te bezitten, er dergelijke melkkoetjes op na houden. Men vraagt zich af: hoe zijn ze rechtens ontstaan? Op verschillende manieren, wederom te veel om hier op te sommen. Eenvoudige machtsaanmatiging heeft hier ook wederom een groote rol gespeeld.
In ieder geval zijn de tijden thans veranderd en wat eenmaal vanzelf sprak, is thans een bron van ergernis en schade geworden. Men moet deze zaak op de volgende wijze beschouwen:
De Kerkvoogdij of althans de Gemeente is eigenares van het gebouw en nu komt er een ander, die beweert, recht te hebben in dat gebouw te mogen zitten. Het is wel mogelijk, dat hij dat recht heeft, doch dan zal hij zijn recht moeten bewijzen. Dat bewijs kan alleen daarin bestaan, dat hij of zijn rechtsvoorgangers dat recht van de kerkvoogden, of althans van de zijde der Gemeente, uitdrukkelijk hebben verkregen. Hij kan niet volstaan met aan te voeren dat hij dit recht heeft georven of van iemand heeft gekocht, want het kan wel zijn dat zijn rechtsvoorganger in het geheel geen rechthebbende was. Nu kan men het recht om in eens anders huis te mogen zitten, bezwaarlijk anders verkrijgen dan door koop of schenking, of doordat op eenigerlei wijze die andere, dat is de Kerkvoogdij, het bestaan van dit recht heeft erkend. Die erkenning kan niet liggen in het feit, dat de Kerkvoogdij dien man of vrouw vele jaren ongestoord heeft laten zitten. Dat was vriendelijkheid van de Kerkvoogdij, waaruit nog geenszins een recht van verjaring voortvloeit, of m.a.w. zij, die beweren rechthebbende op een zitplaats te zijn, kunnen door de Kerkvoogdij uitgenoodigd worden dat recht te bewijzen. Waarschijnlijk zullen verreweg de meeste rechthebbenden dat niet kunnen en dan zal de Kerkvoogdij op goede gronden aan die menschen duidelijk kunnen maken dat, waar zij niets bewijzen kunnen, zij ook niets te eischen hebben, en dat dus vanaf een zekeren datum hun beweerd recht niet meer zal worden erkend.
Of dit een storm in de gemeente zal doen opgaan, is een kwestie van hoe men de zaak aanpakt. Een dergelijk aanpakken van het eigendomsrecht op zitplaatsen moet methodisch en goed voorbereid worden, zoodat het aan de openbare meening is duidelijk gemaakt dat dergelijke heerlijke rechten in de Kerk niet langer bestaanbaar zijn. Bovendien is het ten slotte een kwestie van geld, en om aan geld te komen voor de kerkvoogden is het geregeld verhuren van alle zitplaatsen een juiste en rechtvaardige bron. Dat kan de gemeente zeer goed begrijpen als men haar dat duidelijk maakt, want zij zal inzien, dat, als de kerkvoogden het niet van de zitplaatsen krijgen, zij het van den hoofdelijken omslag moeten hebben, want ergens moet het vandaan komen. Bovendien is het in strijd met alle billijkheidsgevoel dat de menschen hun zitplaatsen op hun beurt gaan verhuren en op die wijze een particulier melkkoetje van de Kerk maken. De openbare meening in de gemeente zal dergelijke verouderde toestanden niet meer dulden, als men haar het bestaan daarvan maar goed duidelijk maakt.
Overigens zij men voor kleine stormpjes niet al te bang. Als men maar weet een rechtvaardige en juiste zaak voor te stellen. Kan iemand zijn z.g.n. eigendomsrecht bewijzen, dan houdt natuurlijk alles op en kunnen kerkvoogden niet anders doen dan zijn recht koopen ten behoeve der gemeente. Er bestaan voorts op dit gebied veel plaatselijke variaties, die onmogelijk alle in één middag kunnen worden afgehandeld of zelfs maar opgesomd.
Jhr. Ir. W. Laman Trip, kerkvoogd te Wageningen, meent, nu hij mr. Bartels gehoord heeft, dat alle Kerkvoogdijen, die kwesties over kerkbanken hebben of gehad hebben, daarvan mededeeling zouden moeten doen in het Orgaan. Deze gegevens kunnen dan een punt van studie uitmaken en daarna in een rapport verwerkt worden.
Een vloekverbod.
In de Heraut schrijft prof. dr. H. H. Kuyper over dit onderwerp: Zooals dezer dagen uit Italië gemeld werd, is de regeering voornemens een vloekverbod uit te vaardigen, waarbij het vloeken in het openbaar strafbaar wordt gesteld. Al mag onder de motieven, die voor dit vloekverbod opgegeven worden, nu niet het hoogste staan, dat door het vloeken »de schoone Italiaansche taal ontsierd wordt«, toch neemt dit niet weg, dat we met waardeering deze poging van de Italiaansche regeering begroeten om aan het ergerlijke vloeken een einde te maken. Men mag over 't regiment van Mussolini met zijn dictatoriale alures denken zoo men wil, één ding staat vast, dat het aan zijn krachtig optreden te danken is geweest dat aan menigen zedelijken misstand in Italië een einde is gemaakt, óf althans dat in de publieke moraliteit een groote verbetering is ingetreden. Wie Italië bezocht vóór en na Mussolini's optreden, heeft ruimschoots gelegenheid gehad dit op te merken. Een zedelijk reinigingsbad had het Italiaansche volk na den oorlog wel noodig en zelfs een dictator kan men dankbaar zijn, wanneer hij zulk een bad weet toe te dienen aan een volk. Indien daartoe ook het vloekverbod mee kan helpen, dan zal dit aan het Italiaansche volk zeker geen schade doen. Toch is het niet alleen daarom, dat wij op dezen nieuwen maatregel der Italiaansche regeering wijzen. Er is ook in ons eigen land nog altoos een sterk verzet, wanneer door gemeentebesturen het openbaar vloeken strafbaar gesteld wordt. Men komt dan met allerlei argumenten, aan de persoonlijke vrijheid ontleend, en vooral daaraan, dat de Overheid geen »zedemeester« moet spelen, om zulk een vloekverbod te bestrijden. Ook wij hebben liefst dat de Overheid niet te veel als zedemeester optreedt en hebben de persoonlijke vrijheid lief. Een overwinning over kwade volksgewoonten door zedelijke middelen, achten we hooger winst dan door uitwendige strafmaatregelen. Maar ook hier overdrijve men dit vrijheidsprinciep niet te zeer. De Overheid is Gods dienaresse en heeft toch ook te waken dat op het terrein van het publieke leven Gods heilige naam niet door vloeken en lasteren onteerd wordt. In onzen Catechismus wordt dit uitdrukkelijk beleden, wanneer men op de vraag: »Is het dan zoo groote zonde, Gods naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God zich ook over degenen vertoornt, die zooveel als het hun doenlijk is, het vloeken en lasteren niet helpen weren en verbieden? « — dit antwoord geeft: »Ja, gewisselijk, want er is geen grooter zonde noch die God meer vertoornt, dan de lastering Zijns naams, waarom Hij die ook met den dood te straffen bevolen heeft«. Dit laatste moge een bepaling zijn van Israel's politieke wet, die voor onzen tijd niet meer in dien vorm geldt. Bovendien is het lasteren van Gods naam, waarop bij Israël de doodstraf stond, nog iets anders dan 't vloeken, zelfs dat wat wij noemen het »Godslasterlijke vloeken«. Maar al laten we de wijze, waarop de vloeker door de Overheid gestraft moet worden, geheel in het midden, onze Catechismus heeft volkomen gelijk, wanneer hij er op wijst, dat we, zooveel mogelijk het in onze macht staat, het vloeken en lasteren hebben te weren en te verbieden. Ook een christelijke Overheid heeft die taak. En het is wel beschamend voor ons Protestantsche Nederland, dat het Roomsche Italië ons daarbij een voorbeeld zal geven.
In »De Bazuin« schreef prof. Honig van Kampen het volgende artikel :
Hoedemaker en Gunning.
Niet van belang ontbloot is de vraag, welke de verhouding tusschen dr. Hoedemaker, den vader van de (nieuw =) confessioneele richting en professor Gunning, een der voornaamste tolken van de Ethischen, geweest is.
Dr. Ph. J. Hoedemaker was van 1868—1873 predikant te Veenendaal, van 1873—1876 te Rotterdam, van 1876—1880 te Amsterdam, van 1880 —1887 hoogleeraar in de Theologie aan de Vrije Universiteit, van 1888—1890 predikant te Nijland (Fr, ) en van 1890—1910 predikant te Amsterdam.
Prof. dr. J. H. Gunning was van 1854—1857 predikant te Blauwkapel (U.), van 1857—1861 te Hilversum, van 1861—1882 te 's Gravenhage, van 1882—1889 kerkelijk hoogleeraar te Amsterdam, van 1889—1899 (Staats)hoogleeraar te Leiden, en woonde als emeritus van 1899—1905 te Arnhem.
Omtrent de verhouding tusschen Hoedemaker en Gunning is licht ontstoken in 't lijvige werk »Leven en Werken van prof. dr. J. H, Gunning«" (5 deelen, saam met meer dan 2500 bladzijden), hetwelk met regeeringssteun van 1922—1925 bij den heer J. M. Bredée te Rotterdam uitgekomen is. Maar zelfs als men het uitvoerige register bij dit boek raadpleegt, is het niet altoos gemakkelijk er den weg in te vinden. Daarom heeft ds. J. H. Semmelink — gelijk ook onlangs in een verdienstelijk artikel in »De Standaard« opgemerkt werd — aan de Theologen een gewaardeerden dienst bewezen door het schrijven van een proefschrift over »Prof. dr. J. H. Gunning zijn ontwikkelingsgang en zijne beginselen«, 't welk vóór eenige maanden het licht zag. Aan deze dissertatie ontleende ik dan ook de stof voor dit artikel.
Hoedemaker schijnt reeds in 1868 op zijn huwelijksreis bij Gunning gelogeerd te hebben. Gunning recenseerde het proefschrift van Hoedemaker en verklaarde in 1869 in een opstel »Laat ons één zijn met elkander«, dat hij ook met Hoedemaker gaarne wilde samenwerken. Bewaard bleef ook een brief van Gunning aan Hoedemaker van 1873 en twee brieven van 1880. Toch is eerst na Gunning's komst te Amsterdam de nauwere betrekking tot stand gekomen, die ten einde toe heeft voortgeduurd.
Ofschoon nu Hoedemaker allengs duidelijker zijne sympathie met de Gereformeerde Belijdenis uitsprak, toch meent dr. Semmelink, dat hij nimmer geheel met het ethisch beginsel gebroken heeft. Hij merkt op: »In zekeren zin is Hoedemaker altijd ethisch gebleven dus dat hij in 1878 van »ethisch« »gereformeerd« was geworden, is ook maar »in zekeren zin« te nemen«.
Gunning voorzag sinds de intiemere kennismaking, dat Hoedemaker, die ook als Hoogleeraar aan de Vrije Universiteit een eigen standpunt naast en straks tegenover dat van Kuyper en Rutgers innam, eenmaal geheel met Kuyper zou moeten breken. Gunning correspondeerde voortdurend met hem over Kuyper en zijn streven. Hij gaf op 31 December 1885 aldus het onderscheid tusschen hen beiden aan: »De herstelling onzer oude Kerkorde wensch ik met U, doch als gijlieden tengevolge van uwe eventuëele overwinning haar ingevoerd kreegt, zooals onze geestelijke toestanden nu zijn, dan zou m.i. eerst recht blijken welk een Phaëton gijlieden op den heerlijken zonnewagen geplaatst hadt«. 1)
Het laat zich denken, dat Gunning zich nog sterker tot Hoedemaker aangetrokken gevoelde, sedert Hoedemaker in 1887 ontslag had genomen als professor aan de Vrije Universiteit.
Eigenaardig, is, dat Hoedemaker in datzelfde jaar Kuyper »confessioneeI« noemde, en hij dat niet wilde wezen. Confessioneel waren zij, die de belijdenis der vaderen vasthouden en haar al naar de wijze, waarop zij haar opvatten, zoeken te handhaven. Dr. Semmelink meent den invloed van D. Chantepie de la Saussaye te bespeuren in Hoedemaker's zeggen: Het baat niet een belijdenis op te leggen, zij moet geloofsuiting der Kerk zijn. Hoedemaker eischte voor zich en de zijnen den naam "Gereformeerd" op en verklaarde dezen term aldus: »Gereformeerd« zijn zij, die Gods Woord niet alleen houden voor den eenigen regel van ons geloof en onzen wandel, maar die den eisch stellen, dat alles in de Kerk, dus ook in de regeering der Kerk, in de wetenschap, de staatkunde en iederen anderen levenskring naar dat Woord ga«.
Mijns inziens gaf Hoedemaker zijn van Kuyper verschillende zienswijze hiermede al heel onbillijk aan. Immers wilden ook de Christelijk-Gereformeerden en de Nederduitsch-Gereformeerden (na de ineensmelting in 1892 »de Gereformeerden«) niet anders, dan dat het geheele menschelijke leven naar Gods Woord gericht wordt. Later werden Hoedemaker en de zijnen dan ook weer algemeen »de Confessioneelen« genoemd. In de laatste periode van hun leven zijn Hoedemaker en Gunning nog dichter tot elkaar gekomen.
Sinds »de kwestie van de Kerk« voor Gunning (1898) een brandende gewetensvraag was geworden, erkende hij met dankbaarheid, dat hij in dezen aan Hoedemaker veel licht verschuldigd was. Letterlijk schreef Gunning toen aan Hoedemaker: »Onderwerping der Belijdenis aan Gods Woord was mij naar het hart. Maar de uitlegging van dat Woord Gods verstond ik als individueel. Ieder spreke, dacht ik, naar eigen geweten zijn oordeel uit. Door u echter heb ik leeren inzien dat dit moet zijn het oordeel der vereenigde kerk. Het confessionalisme, mij altoos een zaak van weerzin, wordt door uwe beschouwing overwonnen. Belijdenis is geen leer slechts«. Toch bleef Gunning ook in Arnhem »ethisch« — gelijk wel niet anders te verwachten was en dan ook in zijne studie »De eenheid des levens«, duidelijk aan licht trad«.
Geruimen tijd geleden — we kunnen niet meer zeggen in welk nummer — schreef »De Standaard« een hoofdartikel, dat we hier overnemen. Het luidt aldus:
De School met den Bijbel.
Af en toe wordt uit den kring van het openbaar onderwijs geklaagd over het groot gemis, dat dit onderwijs lijdt doordat de Bijbel er geweerd werd. Thans was het een leerares aan een burgerschool, die ontdekte, dat hare leerlingen, jongelieden van vijftien en zestien jaar, niets begrepen van een uitdrukking, waarin het woord talenten voorkwam. Zij constateerde tevens de groote aandacht, waarmee haar verhaal van de gelijkenis der talenten door de klasse werd beluisterd. De leerlingen wisten niet eens wat een gelijkenis is. Het was een aandoenlijk verhaal, dat de diepe armoede der neutrale school, maar ook den rijkdom van de School met den Bijbel, teekent.
Prof. Woltjer schreef in zijn: Wat is het doel van het Christelijk Nationaal Schoolonderwijs — een zeer uitnemend werkje —: boven de openbare school heeft de Christelijke school nog altijd dit voor, dat zij ook de Bijbelsche geschiedenis onder hare leervakken telt. Dit voordeel is niet gering te schatten. Want ook zoo we de zaak, de kennis van Gods Woord, de hoofdvorming van het geweten en het gemoed, nog buiten rekening laten, is reeds de schat van historiekennis, dien de behandeling der Bijbelsche geschiedenis den leerjongen der lagere school schenkt, door geen ander leervak te vergoeden. Ook in de kringen van het openbaar onderwijs wordt het gevoeld dat een volk, als het zijn Bijbel vergeet, zijn eigen taal en litteratuur niet meer kan verstaan.
Wij verheugen ons in het feit, dat de Christelijke school, de school met den Bijbel, een zoo groote beteekenis voor ons volk mocht erlangen. Maar — is er naast die verheugenis ook geen reden tot bezorgdheid?
In het »Correspondentieblad«, het orgaan van de Vereeniging van Christelijke Onderwijzers en Onderwijzeressen in Nederland en de Overzeesche Bezittingen, trof ons een belangrijk ingezonden stuk van den heer Langendijk, leeraar bij het Christelijk middelbaar onderwijs in onze Residentie; een artikel, met het opschrift: het hoofdvak op de School met den Bijbel.
De schrijver verhaalt iets van het resultaat eener enquête vanwege de genoemde Vereeniging in 1918 gehouden omtrent het aantal uren Bijbelsche geschiedenis. Kerkgeschiedenis, Zendingsgeschiedenis, dat aan de Christelijke scholen werd gegeven. Bemoedigend was dit resultaat niet steeds.
Bij deze enquête waren 1004 biljetten ingekomen, waarvan 546 beneden drie uur per week bleven. Nu mogen wij hieruit nog niet de conclusie trekken, dat er op die scholen niet elken dag uit den Bijbel wordt verteld, maar reden tot bezorgdheid is er toch, als men ziet, dat aan 149 scholen slechts één tot twee uur per week aan het hoofdvak werd besteed.
Daartegenover stond het gegeven van ruim honderd scholen, waarop meer dan 3 1/2 uur per week aan dat vak werden gewijd. Het platteland kwam in dezen gunstig uit. Hoewel ook in de grootere steden zulke goede scholen werden gevonden. De schrijver vraagt vervolgens: hoe zou het in 1925 staan? Hij beschikt helaas niet over gegevens. Maar er is volgens hem reden tot twijfel of de toestand wel veel beter zal zijn, dan zeven jaar geleden. Immers, toen was het aantal verplichte uren 20, terwijl dit aantal thans tot 22 is gestegen. Hoe hebben die scholen het gemaakt, waar bij 22 1/2 schooluren 2 1/2 uur Bijbelsche geschiedenis gegeven werd? Wij hopen dat het hoofdvak der Christelijke school er niet bij te kort is gekomen.
De schrijver wijst er zeer terecht op, dat de strijd voor de vrije school voor ons een strijd om de school met den Bijbel is geweest. Als het proces, dat nu bezig schijnt zich te ontwikkelen, voortgang heeft, zou dan, — zoo vraagt hij — de mogelijkheid buitengesloten zijn dat op onze Christelijke scholen op den duur het Bijbelsch onderwijs de sluitpost op den rooster wordt; zooals het bij sommige scholen nu reeds schijnt te zijn?
Opmerkelijk was het ook, dat meermalen vier tot zes uur handwerkonderwijs werd gegeven. Zeer nuttig, maar poover kwam daartegen dan ook uit de twee uur voor Bijbelsche geschiedenis. Ten overvloede verklaart de schrijver, dat het hem niet te doen is om critiek te oefenen. Stellig bedoelt hij een critiek van onzuiveren oorsprong. Want waarom zou het recht van zulke critiek moeien worden afgewezen? Heel zijn schrijven toont, dat hij waarachtig bezorgd is, en wij zijn hem dankbaar, dat hij op deze zeer belangrijke zaak de aandacht heeft gevestigd
Laat, zoo zegt hij, aan al onze Christelijke scholen de Bijbelsche geschiedenis het hoofdvak blijven. Als dat nu niet meer zoo is, zijn we al over het hoogtepunt heen en den weg op naar het verval. ledere dag moet begonnen worden met het onderwijs uit Gods Woord. Dan wordt ook bij de kinderen het besef bijgebracht dat dit onderwijs een eereplaats inneemt aan onze scholen, waar de Bijbel niet achterstaat bij het rekenboek of »le livre francais«.
Men moge nu opmerken, dat het Christelijk onderwijs in zijn geheel doortrokken is van de gehoorzaamheid aan het Woord Gods. Maar ook deze glorie zou verdwijnen, als niet het hoofdvak voor ons Christelijk onderwijs, in heel zijn omvang, bleef: de Bijbel.
Prof. Woltjer schreef in het genoemde boeksken: „dat de Bijbel, het Woord Gods, dat spreekt als machthebbende, ook voor onze scholen de grondwet blijft, en dat niet alleen zóó, dat hij stilzwijgend bij al het doen en laten op de school den regel aangeeft, maar ook, dat hij er v o o r, zoowel als d o o r de kinderen gelezen wordt, staat onder ons vast."
Staat het vast ?
Wij willen het nog gelooven, maar meenen, dat daaromtrent ten volle zekerheid moet bestaan en daarom schijnt er ons ruimschoots reden voor het schenken van de volle aandacht aan deze zaak, voor het instellen van een nieuw onderzoek, zoo omvangrijk en zuiver mogelijk.
Als de Onderwijswet van '20, die ons de verplichte uren van 22 bracht, ons in dit opzicht achteruit had gebracht, dan zou hierin haar groote feil gelegen zijn.
Hoe dit ook zij, het gaat hier om de hoofdzaak, het hoofdvak, om het fundament, om het hart van het Christelijk onderwijs. Wij kunnen op dit zeer cardinale punt nimmer te waakzaam zijn. En wij hopen dus, dat onze organisaties op het terrein van het Christelijk onderwijs al hare aandacht zullen schenken aan deze vraag: of inderdaad de Bijbel de hoofdplaats op al onze scholen nog inneemt, of het leervak der Bijbelsche geschiedenis nog wel het hoofdvak is. Voor zeer vele scholen zal dit nog zoo zijn. Maar wij mogen niet tevreden wezen, zoolang het niet voor alle geldt.
1) In oud-Griekenland ging het verhaal, dat aan Phaëton werd toegestaan eens den zonnewagen te mogen besturen. Doch nauwelijks had hij de teugels gevat, of de zonnepaarden sloegen op hol en staken op aarde alles in brand.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's