GEESTELIJKE OPBOUW
Het Calvinisme (23)
GEESTELIJKE OPBOUW
Het Calvinisme (23)
De eischen van Calvijn.
Vóór wij den inhoud van het Ontwerp uiteenzetten, willen wij de eischen van Calvijn, voor zoover wij die, niet uit het Ontwerp, maar uit andere geloofwaardige bronnen kennen, opsommen, om te zien of de Commissie die in het Ontwerp heeft opgenomen. Tweemaal in vroegere jaren heeft Calvijn met Farel samen in officiëele stukken de hervormingen opgenoemd, die hij voor de kerk van Geneve noodzakelijk acht.
In het memorandum, dat beide mannen 1537 aan de Geneefsche regeering hebben overhandigd, verlangen zij: de regeling van het onderwijs in den Catechismus voor de kinderen; de invoering van het psalmgezang; een huwelijksverordening, die door een commissie uit den Raad met medewerking van de predikanten moet uitgewerkt worden; een rechtbank voor huwelijkszaken, samengesteld uit leden van den Raad en eenige predikanten voor advies, de viering van het Avondmaal, die weer moest plaats vinden en wel minstens eenmaal per maand, afwisselend in een van de met name genoemde kerken; vóór alles de invoering van een kerkelijke tuoht op de zeden, het gebruik van den ban daarbij inbegrepen, met medewerking van leeken, die de Raad voor de verschillende wijken der stad zal verkiezen.
De artikelen, die de beide hervormers in mei 1538 aan de Synode van Zurich als voorwaarden voor hun terugkeer naar Geneve voorleggen, eischen eveneens de maandelijkse viering van het Avondmaal, het psalmgezang, de invoering van het gebruik van den ban met bijstand van leeken, die de Raad voor de verschillende wijken van de stad moet benoemen; bovendien de indeling der stad in parochies, de aanstelling van een voldoend aantal predikanten, de ceremonie van de handoplegging bij bevestiging van den geestelijke in zijn ambt; ook de bepaling, dat de Doop slechts in de kerk en alleen maar tijdens de godsdienstoefeningen toegelaten zal worden en wel zóó, dat met de doophandeling telkens de uiteenzetting van de leer van den kansel af, verbonden is.
Al deze eischen, precies zooals zij op beide plaatsen waren opgesteld, zijn in het Ontwerp overgegaan, met uitzondering van de handoplegging en de benoeming van de helpers bij de tuchtuitoefening uit den leekenstand.
De handoplegging is niet aangenomen. Het ontwerp keurt ze goed als een gebruik der apostelen en der oude Kerk; het wil echter van haar invoering afzien met het oog op de zwakheid van den tijd, daar men ____ bijgeloovige waarde aan gehecht had en tot ergernis aanleiding zou kunnen geven. Dat is niet de zienswijze van Calvijn, die ook in de uitgave van zijn leerboek in den godsdienst van 1543 denzelfden eisch zonder beperking herhaalt. Ook hebben de redenen van de Commisie geen overtuigende kracht tegenover het feit, dat in Neuchatel onder Farel's leiding de handoplegging werkelijk in gebruik was. De Zürichsche artikelen maken het de vroegere regeering van Geet bittere woorden tot een verwijt dat ze de regeling niet toegelaten heeft: de handoplegging die aan de predikanten toekomt, moet niet door de macht van den Raad terzijde gesteld worden, wat de onzen ____ dan eenmaal veroorloofd hebben te doen. Des te opvallender is het, dat het standpunt van de vroegere regeering, die Calvijn tot alles, wat slecht is, in staat acht, echter ook door zijn besliste vrienden wordt gedeeld, die hem onthouden wat hij vroeg.
De helpers bij de uitoefening van de tucht worden wel aangenomen, echter niet in den vorm dien het memorandum van 1537 aan de regeling wilde geven. Het memorandum weet alleen van werktuigen van den afzonderlijken predikant. Zij moeten toezicht houden en overtredingen melden. De predikant grijpt in, vermaant den zondaar en geeft hem aan de vergadering op. De helpers steunen den predikant met hun getuigenis, maar zij nemen geen deel aan de vermaning nooh aan het uitspreken van het banvonnis. Met de vergadering (assemblee) kan alleen de gemeente bedoeld zijn. Wie den ban uitspreekt, wordt niet gezegd.
Deze bepalingen waren onvoMoende. Toen Calvijn ze in het memorandum inlaschte, stond hij aan het begin van zijn openbare werkzaamheid en had zich met de kwesties van de Kerkorde nog niet grondig beziggehouden. Eerst later kreeg hij de heldere en geregelde opvatting er van, die hij in de uitgave van zijn leerboek van 1539, uitvoeriger in de uitgave van 1543, heeft neergelegd. De instelling van de helpers bij de tuchtoefening is hier geheel veranderd en in een volledig systeem der Kerkorde gerangschikt.
Aan het hoofd der Christelijke gemeente staat het college der presbyters, waar van een deel de dienaren des Woords of herders zijn — hun ambt de prediking en de uitoefening der sacramenten — ;andere echter de regeering leiden en de tucht op de zeden toepassen. Bij de presbyters behooren ook de leeraars, die zich van de h e r d e r s in zooverre onderscheiden, dat zij zich uitsluitend met de uitlegging der Heilige Schrift bezighouden, terwijl de herders deze taak met hun overige ambtsplichten vereenigen. Bovendien is het ambt der diakenen ingesteld, aan wie de armenverzorging is opgedragen.
De presbyters echter zijn de bezitters van het gezag en de rechterlijke macht der Kerk, ja zij zelf zijn de ecclesia (gemeente), naar welke Jezus de zondaars verwijst. De rechterlijke macht der Kerk strekt zich uit tot de tucht op de zeden; ze is van die van den Staat onderscheiden; haar wapen is het zwaard van Gods Woord, vermaning en de uitsluiting van de gemeenschap van het Avondmaal. Zij oefent geen dwang uit; alleen heeft het College de macht noodig de zondaars voor zijn rechtbank te dagen en hen, die in den ban gedaan zijn, van het Avondmaal verwijderd te houden. Voor zijn rechterstoel behooren algemeen bekende en geheime zonden, maar de geheime, d.w.z. de zonden, die slechts aan weinig getuigen bekend zijn, moeten in de eerste plaats in het geheim berispt worden.
Al deze bepalingen zijn in het Ontwerp van de Commissie opgenomen.
De benoeming van hen, die de tucht uitoefenen, heeft Calvijn in vroegere mededeelingen aan de Overheid overgelaten en hij komt nu op dit punt niet meer terug. Daarentegen weidt hij met voorliefde uit over de eigenschappen en plichten van den predikant, over het te werk gaan bij zijn beroeping, over de wijze van bevestiging in het ambt. Wien het recht der verkiezing moet toekomen, daarover wil hij geen bindend voorschrift geven; alleen mag de medewerking der geestelijken niet ontbreken en de goedkeuring der gemeente is vereischt. Toch verklaart hij, dat hem één regeling in de oude Kerk het beste dunkt, krachtens welke de geestelijken verkiezen, de Overheid het recht van goed-of afkeuring heeft en ten slotte de zaak voor de gemeente gebracht wordt. Deze vorm van verkiezing is in het Ontwerp overgegaan, waarbij alleen zou opgemerkt kunnen worden, dat het Ontwerp aan zwijgende goedkeuring van de gemeente schijnt te denken, terwijl Calvijn's woorden een werkzaam deelnemen van de gemeente niet uitsluiten.
Wij zijn nu aan het einde met de vergelijking en komen tot de slotsom, dat het Ontwerp van de Kerkverordening, dat de commissie den 26sten September aan den Raad heeft voorgelegd, bijna geheel, voorzoover wij kunnen nagaan, berust op de voorstellen van den hervormer en als zijn werk te beschouwen is.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's