STAAT EN MAATSCHAPPIJ
De Staatscommissie voor het Onderwijs.
Van verschillende zijden is in den laatsten tijd aangedrongen op de instelling eener Staatscommissie tot herziening van de Lager Onderwijswet. Vooral waren het de hooge kosten, welke nog steeds met het Lager Onderwijs gemoeid zijn, die voor zulk eene herziening de drijfveer waren. Het is toch bekend, dat de tijdelijke maatregelen, welke nog onder het Kabinet-Ruys in de algemeene bezuinigingsperiode getroffen zijn geworden, om ook de onderwijsuitgaven naar beneden te brengen en die voornamelijk inhielden een beperking van de onderwijskrachten aan de Lagere Scholen, op 1 Jan. 1930 zullen komen te vervallen.
Nu zal, zoo deze tijdelijke maatregelen op laatstgenoemden datum worden ingetrokken en dus de oude toestand opnieuw intreedt, de onderwijsbegrooting weer met vele millioenen stijgen, hetgeen hoogst bedenkelijk zou zijn, terwijl aan den anderen kant vaststaat, dat de jongste regeling, Artikel 28 der Lager Onderwijs-wet betreffende vergoeding door het Rijk van het aantal onderwijzers slechts in een noodgeval gerechtvaardigd is.
Zoo de zaken staande, dreigt het gevaar dat, wanneer vóór den fatalen datum van ___ Januari 1930 niets duurzaams is voortgebracht, de bezuiniging op de onderwijsuitgaven, waarvan bij de laarste wijziging van de Lager Onderwijs-wet hooge verwachting was, maar een gering bedrag hebben opgeleverd, terwijl aan het Lager Onderwijs groote schade zal zijn toegebracht.
Vandaar de drang naar de instelling van een Staatscommissie, die een onderzoek hebben in te stellen, in hoeverre met handhaving der financiëele gelijkstelling het onderwijsbudget binnen redelijke grenzen terug te brengen en tevens ware het te voorkomen dat het onderwijs in het gedrang komt.
Voorop staat dus bezuiniging, maar niet ten koste van het onderwijs.
Van de instelling van een Staatscommissie wilde intusschen de Minister van Onderwijs in het Kabinet-Ruys, dr. de Visser niets weten, en met hem stelden de Christelijk Historischen zich op één lijn. Zij is daarbij van de overweging uitgegaan dat principiëele herziening van. de Lager Onderwijs-wet ongewenscht is, omdat partiëele wijzigingen in de wet tot ernstig resultaat kunnen leiden. Doch wil men ten slotte toch een principiëele ___ ning doorgevoerd zien, dan zou dit niet eerder mogen geschieden dan voordat de politieke partijen daarmede accoord gaan.
Bij het laatste onderwijsdebat in de Tweede Kamer bleek echter, dat de tegenwoordige Minister van Onderwijs niet de inzichten van zijn ambtsvoorganger dr. De Visser, deelde.
Minister Waszink verklaarde zich open en rond voorstander te zijn van de instelling van een Staatscommissie. En aan zijn bij die gelegenheid uitgesproken voornemen gevolg gevend, is de vorige week (?) dan ook de Staatscommissie bij Koninklijk Besluit ingesteld geworden.
Aan deze Commissie wordt thans voorgedragen:
a. te overwegen of in de Lager Onderwijs-wet 1920 wijzigingen behoren te worden aangebracht, waardoor _____ volkomen eerbiediging van het _____ der financiëele gelijkstelling _____ de openbare kassen van het openbaar en bijzonder lager onderwijs, gelijk _____ neergelegd in artikel 195 der _____ en zonder schade te doen aan de _____ belangen van het onderwijs _____ beginsel eene minder kostbare _____ sing wordt, gegeven, niet noodzakelijk _____ beperkingen der vrijheid van het _____ onderwijs worden weggenomen, en in het algemeen _____ bezwaren, welke bij de _____ sing der Lager Onderwijs-wet _____ aan het licht getreden, worden _____ ven.
b. indien deze vraag bevestigend wordt beantwoond, hare voorstel_____ belichamen in ontwerpen van _____ zoo noodig, van algemeene maatregelen van bestuur;
2°. de commissie te machtigen _____ door haar gewenscht, een _____ rapport over de hoofdpunten der door haar ontworpen wijziging, dan _____ zonderlijke rapporten over bepaal_____ ten, aan ons uit te brengen;
3°. te bepalen, dat de commissie _____ pens alle zaken, waaromtrent _____ eenparig oordeelt, bij meerderheid van stemmen zal beslissen, doch dat _____ leden vrijstaat hun gevoelen, _____ meerderheid afwijkend, te _____ onder 2°. bedoelde voorloopig _____ zonderlijke rapporten, dan wel _____ eindrapport der commissie, _____ doen kennen.
Vooral het gestelde onder a in opdracht der Staatscommissie is van _____ belang. Het geeft weer, wat ook in Anti-Revolutionaire kringen leeft: bij ee_____ van de financiëele gelijkstelling en _____ schade te doen aan de vitale (levens_____) gen van het onderwijs, sturen in de _____ van beperking van onderwijsuitgaven _____ nevens — waarmede wij bijzonder _____ genomen — het wegnemen van _____zakelijke beperkingen der vrijheid _____ onderwijs.
Dat wij ons over de instelling der _____ commissie verheugen, zal, na hetgeen we hierboven schreven, nog wel niet ____ hoeven gezegd te worden.
Ook de samenstelling der Commissie verdient een woord van lof.
Het is toch den Minister gelukt _____ politieke richtingen mannen bereid _____ om de hoogst belangrijke zaak der herziening der Lager Onderwijs-wet ter hand te nemen. En dat dit zal geschieden onder de eminente leiding van den _____ bevoegden mr. Rutgers, den oud Minister van Onderwijs, stemt tot dubbelen _____.
Wij spreken den wensch uit, dat de arbeid der Staatscommissie voorspoedig moge gaan en dat het niet te langen tijd duren zal, alvorens de voorstellen bij regeering en Staten-Generaal binnenkomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's