GEESTELIJKE OPBOUW
Het Calvinisme (24)
Het ontwerp der verordening.
Het ontwerp der verordening begint met den zin, dat de Heiland vier ambten heeft ingesteld, om heerschappij in de Kerk te voeren: de herders, leeraars, ouderlingen en diakenen. Deze indeeling vormt den grondslag voor het grootste deel der Ordonnances.
Bij de beroeping der herders behoort het onderzoek, de aanstelling en de bevestiging. Het onderzoek richt zich op de leer en het leven. Men heeft te onderzoeken of de man goede kennis van de H. Schrift heeft, en de bekwaamheid voor een stichtelijke prediking. Hem moet nadrukkelijk verzocht worden, te verzekeren dat hij de door de Kerk goedgekeurde leer aanneemt en daaraan wil vasthouden. Daarbij moet men onderzoeken of zijn zeden goed zijn, en zijn leven, dat hij tot dusver geleid heeft, onberispelijk is.
De aanstelling richt zich naar het gebruik van de oude Kerk. De verkiezing geschiedt door de predikanten. De gekozene wordt den Raad voorgesteld. Als hij waardig bevonden wordt, neme de Raad hem aan en voorzie hem van een attest (Zeugnis), oplat hij tenslotte in de prediking aan het volk worde voorgesteld en zijn aanneming door gemeenschappelijke goedkeuring van al de geloovigen moge volgen. Wordt hij echter onwaardig bevonden en dit met deugdelijke bewijzen gestaafd, dan moet men tot een nieuwe verkiezing overgaan.
Wat de bevestiging betreft, zoo was de handoplegging door het gebruik der apostelen en van de oude Kerk aanbevolen; er wordt echter van afgeweken. Wat er voor in de plaats zou zijn te stellen, wordt niet gezegd: hier blijft een leemte. Voor den eed, dien de gekozene in handen van den Raad heeft af te leggen, zal een formule worden opgesteld,
Nu volgen voorschriften voor de discipline der geestelijken. Voor het bewaren der zuiverheid van en eendracht in de leer wordt een wekelijksche vergadering der geestelijken ter beraadslaging over de H. Schrift verordend. Ontstaat oneenigheid over de leer, dan confereeren de predikanten daarover met elkander. Indien noodig, roepen zij de ouderlingen te hulp. Wanneer ze ook dan niet tot overeenstemming kunnen komen (pour l'obstination de l'une des parties) dan moet de zaak voor den Raad gebracht worden, opdat deze orde scheppe.
Ten behoeve van de tucht op de zeden der geestelijken, maakt het Ontwerp onderscheid tusschen misdrijven, die van een geestelijke onduldbaar zijn en misslagen, die zich leenen voor broederlijke vermaning.
In de eerste rij neemt het Ontwerp kerkelijke en andere misdrijven bijeen: ketterij, scheuring, opstand tegen de Kerkorde of anderszins, meineed, ontucht, diefstal, drankzucht, vechterij, woeker, enz.
Wanneer van iemand verteld wordt, dat hij zich aan zulk een zonde schuldig maakt, moet de vergadering der predikanten en ouderlingen de zaak onderzoeken en naar bevind van zaken een vonnis uitspreken, daarna het vonnis aan den Raad voorleggen, opdat, zoo noodig, de afzetting van den zondaar zal kunnen volgen.
Als minder ernstige vergrijpen worden opgesomd: opvallende en ergernis veroorzakende manier van Schriftbehandeling, neiging onnutte vragen op te werpen, lakschheid in de studie en het ambt, hebzucht en schrielheid, dartelheid in dracht en levenswijze en meer van dien aard. Hier worden de vermaningen in de vorm zooals God ze heeft verordineerd, voorgeschreven, zoodat het laatste moet zijn, tot het kerkelijk vonnis over te gaan!
Om deze tucht van kracht te doen blijven, moeten de predikanten om de drie maanden wederzijds censuur uitoefenen
De stad wordt in drie parochies ingedeeld: S. Pierre, Magdeleine, S. Gervais. De beide laatste omvatten de vroegere gelijknamige parochies, S. Pierre vereenigt al het overblijvende. Het aantal dienaren des Woords wordt op vijf, het getal der helpers op drie bepaald; talrijke predicaties op Zon-en werkdagen, het onderwijs der kinderen in den Catechismus op Zondagmiddag vastgesteld.
Het tweede ambt, dat der leeraars, omvat eigenlijk slechts de leeraars van het evangelie, en van dien kant bezien, zou de vermelding van het godsdienstig onderwijs in het Oude en Nieuwe Testament voldoende zijn. Maar het Ontwerp vindt het doelmatig, onder dezen titel de regeling der scholen in het algemeen te bespreken, de oprichting van een onderwijsinrichting met een hoofdleeraar, met leeraars voor de talen en de disputeerkunst, met hulpleeraars voor de kleine kinderen, aan te bevelen. Deze allen moeten evenals de predikanten, aan de kerkelijke tucht onderworpen zijn. Geen andere school voor de kinderen is veroorloofd, met uitzondering van de meisjesschool. Geen onderwijzer mag aangenomen worden, die niet door de predikanten is goedgekeurd en van hun attest is voorzien.
Het derde ambt, dat der ouderlingen, waarover het Ontwerp nu spreekt, slaan we op deze plaats over, om er straks in verband met de bepalingen over de tucht op de zeden, op terug te komen.
Het vierde ambt is dat der diakenen, onder welken naam het Ontwerp spreekt over de in Geneve bestaande armenzorg en ziekenverpleging en over de menschen, die daarmede belast zijn. Dit slaan wij over.
Nu volgen voorschriften over doop, avondmaal, huwelijk, kerkgezang.
De Doop moet alleen tijdens de godsdienstoefening, in het uur der prediking en slechts door de hand van den geestelijke bediend worden. Men schrijve de namen der kinderen en ouders op, zoodat, wanneer een bastaard gevonden wordt, de justitie daarvan in kennis gesteld worde. De doopvonten moeten bij den kansel staan, op dat de verklaring van het Sacrament beter kan worden gehoord. Als doopgetuigen worden slechts geloovigen toegelaten.
De weinig voorkomende viering van het Avondmaal wordt afgekeurd en de maandelijksche viering aanbevolen, op deze wijze, dat ze op de drie feesten Paschen, Pinksteren en Kertsmis in alle kerken plaats vinde, in de overige maanden van het jaar afwisselend telkens in een parochie. Het brood wordt door de predikanten overgereikt, bij het overhandigen van den beker helpen ouderlingen en diakenen. De tafels moeten bij den kansel staan, opdat de verklaring van het Sacrament gemakkelijker kan geschieden. Op den voorafgaanden Zondag wordt de viering aangekondigd, om er voor te zorgen, dat geen kind voor de aflegging van de geloofsbelijdenis toegelaten worde en dat de vreemdelingen en de nieuw aangekomenen zich opgeven, om het eventueel noodige onderwijs te ontvangen.
Voor het kerkgezang in de gemeente zal men in de eerste plaats de kinderen der gemeente in het kerkgezang onderwijzen.
De huwelijksinzegeningen kunnen, nadat afkondiging geschied is, op iederen dag, zonder onderscheid, met uitzondering van de Avondmaalsdagen, plaats vinden; maar alleen aan het begin van de prediking. De huwelijksoneenigheden worden aan den Raad overgelaten, met het verzoek, onverwijld een »geestelijke Raad« in te stellen, die over die oneenigheden een oordeel moet uitspreken en tot welken Raad predikanten met adviseerende stem uitgenoodigd kunnen worden. Bovendien geve de Raad opdracht, over dit onderwerp voorschriften op te stellen.
Van de bepalingen over begrafenis, ziekenbezoek, zielszorg voor de gevangenen, noemen wij slechts deze, dat niemand drie dagen mag ziek liggen, zonder dat dit aan den geestelijke wordt opgegeven.
Voor het onderwijs der kinderen in den Catechismus is de Zondagmiddag bestemd. Daarvoor moet een formulier ontworpen worden. Wanneer het kind 't onderwijs tot het eind heeft gevolgd, moet het, wat geleerd is, in het openbaar en plechtig opzeggen, en daarmede als het ware een belijdenis van zijn Christendom in tegenwoordigheid der Kerk afleggen. Vóór dit gebeurd is, mag het niet tot het Avondmaal toegelaten worden.
De kerkelijke tucht over de zeden van 't volk, waarover tot slot gehandeld wordt, strekt zich uit tot het geloof en het leven.
Wanneer iemand dingen leert, welke in strijd zijn met de aangenomen leerstellingen, wordt hij tot een conferentie uitgenoodigd. Is hij hardnekkig, dan vermane men hem eenige keeren, tot men ziet, dat grootere strengheid noodig is; dan moet hij van het Avondmaal uitgesloten en aan de stedelijke Overheid worden overgegeven. Is iemand nalatig in het kerkbezoek, zoodat daardoor een opvallende geringschatting van de gemeenschap der geloovigen openbaar wordt, of wanneer hij zich niet om de Kerkordening bekommert, moet hij driemaal vermaand, en als hij zich niet onderwerpt, van de Kerk afgescheiden en aangegeven worden.
Wat betreft den levenswandel van den enkeling, moet men zich aan het voorschrift des Heeren houden. Men moet dus verborgen zonden niet in het openbaar bestraffen, en niemand moet tegen zijn naaste wegens een laakbaar feit, dat geen openbare ergernis verwekt, bij de Kerk een beschuldiging inbrengen, zoolang hij geen opstandige gebleken is. Degenen, die echter op de vertrouwelijke vermaning van den naaste geen acht slaan, moeten opnieuw door de Kerk vermaand worden, en als zij dan niet tot inkeer komen, zoo zegge men hun aan, dat zij zich van het Avondmaal te onthouden hebben, totdat ze zich gebeterd hebben.
Gaat het daarentegen om bekende en publieke zonden, dan moet onderscheiden worden tusschen die, welke vermaning vereischen en die, voor welke niet alleen terechtwijzing door woorden, maar ook straf en tuchtiging passen. In gevallen van de eerste soort moeten de ouderlingen den schuldige voor zich laten verschijnen en hem vriendelijk terecht wijzen; wanneer hij in zijn zonde blijft, hem nogmaals vermanen; en als dat niet helpt, hem als een verachter Gods aanzeggen, dat hij zich van 't Avondmaal moet onthouden, totdat aan hem gezien wordt, dat hij zijn leven betert. In gevallen van de laatste soort legge men den strafschuldige, al naardat de zaak vereischt, voor eenigen tijd onthouding van 't Avondmaal op, opdat hij zich voor God vernedere en zijn fouten beter inzie.
Als iemand in koppigheid en in verzet tegen het verbod toch aan het Avondmaal mocht willen gaan, dan is het de plicht van den predikant, hem terug te wijzen.
De Overheid, die de tucht moet uitoefenen, bestaat uit ouderlingen met de predikanten. Het Ontwerp stelt voor, twaalf ouderlingen te stellen: namelijk twee uit den Kleinen Raad, vier uit de Zestig, zes uit den Grooten Raad; alleen mannen van onberispelijken levenswandel, godsvrucht en geestelijk verstand; bij de keuze moet er rekening mee gehouden worden, dat in iedere wijk van de stad eenige van hen wonen, opdat zij overal hun oogen hebben. De Kleine Raad voere de verkiezing uit, en opdat de geschikte personen gevonden worden, worden de predikanten uitgenoodigd voor advies. De keuze moet door den Grooten Raad worden goedgekeurd. Een eedsformule voor de gekozenen moet opgesteld worden. Aan het einde van het jaar, na de Raadsverkiezing, moeten de ouderlingen zich aan den Raad voorstellen, opdat deze overwege, hen in het ambt te bestendigen of te veranderen. Toch zal het niet raadzaam zijn, zonder reden dikwijls te veranderen. De Raad stelle den ouderlingen een ambtenaar ter beschikking, om de dagvaardingen uit te voeren; en, als iemand daaraan geen gevolg geeft, moet de Raad daarvan in kennis worden gesteld, om de zaak in orde te brengen.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's