De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

6 minuten leestijd

Van de hand van den heer Meima, directeur der Christelijke Kweekschool te Groningen, lazen we onderstaand artikel:
Durven.
Durven is een woord, daar een jongen nogal mee wegloopt. Erger kan hem haast niet overkomen dan dat iemand tegen hem zegt: »Hij durft niet!« Zoo'n smaad laat hij niet gemakkelijk op zich zitten en hij zou er zich door laten prikkelen tot daden, die hij anders zou verafschuwen. En geldt het onder de volwassenen ook niet menigmaal voor levenswijsheid: »Je moet maar durven!« »Wie niet waagt, die niet wint!«
Ieder ouder komt dan ook bij de opvoeding van zijn kinderen daarom gedurig te staan voor het vraagstuk, den kinderlijken durf in 't rechte spoor te leiden. Aan den eenen kant is namelijk het gevaar voor waaghalzerij niet uitgesloten, terwijl aan den anderen kant lafheid dreigt te ontstaan. De een moet vaak geremd worden, de ander moet een duwtje hebben.
Laten we maar eens zien.
Vooral onder de jongens komt het nog al eens voor, dat ze nergens voor staan. Als je zoo'n koppeltje van die waaghalzen bezig ziet, sta je versteld, dat er niet meer ongelukken gebeuren. Op het dunste ijs wagen ze zich en wie niet meedoet, wordt voor een durfniet uitgescholden. De breedste slooten worden gezocht en wie er niet over durft, nu, die wordt achtergelaten of men lokt zoo lang, dat hij er eindelijk in springt. De tyrannie, die op dit gebied onder de jongens heerscht, is grenzenloos. Wie niet durft, welnu, die wordt eenvoudig dood verklaard, die doet niet mee. Ze klimmen in de hoogste boomen, om de nesten in de bovenste takken uit te halen of plunderen een boomgaard, terwijl ze trouw voor elkaar op de wacht staan, om te waarschuwen, wanneer de eigenaar of de politie mocht komen.
En als het om een vechten moet gaan, dan staan ze ook nergens voor. Diep geminacht wordt de lafaard, die voor een klein geruchtje op de vlucht slaat. De geheele bende wordt van allerlei wapentuig voorzien en reken er op, dat er bij zulke gevechten menige gevoelige klap wordt uitgedeeld. Bij sneeuwballen werpen denken ze aan geen gevaar voor oude menschen en paarden, maar gooien hun ballen naar alle kanten.
Mij dunkt, niemand kan meenen dat die waaghalzerij van onze knapen ons niet aangaat. Een ruwheid en roekeloosheid komt hier aan den dag, die wij hebben tegen te gaan. Natuurlijk, ze behoeven niet als oude mannetjes langs de straat te loopen. We kunnen best verdragen dat ze hun jonge spieren willen spannen, maar we moeten hun duidelijk maken dat alle ruwheid en alle durf, waarbij levensgevaar ontstaat, zondig is. Daarvoor vinden we voldoende aanleiding. En mochten we die gelegenheid zoeken, dan biedt bijna iedere krant ons voorbeelden van jongens, die door roekeloosheid een ongeluk kregen, waarbij ze niet zelden het leven inschoten.
'k Geloof, wat wij het er ook wel over eens zijn, dat de toeschouwers bij de staaltjes van jongensdurf wel eens anders mochten optreden dan ze vaak doen. Het belangstellend toekijken of aanmoedigend lachen is in vele gevallen fout. Wanneer de knapen zulks merken, gaan ze een stapje verder, om, kon het, de bewondering op te wekken. Neen, we kunnen ze beter van de gevaarlijke plaatsen wegsturen. We mogen best eens een bij den arm grijpen, als hij op het punt staat met steen of sneeuwbal een verkeerden worp te doen. Dank zullen we daar dadelijk niet voor oogsten, eer een grooten mond hebben we te wachten, maar ik geloof, dat we er dat wel voor over mogen hebben, liever dan mede schuldig te staan aan de verwildering van onze jeugd.
Evenwel ook nog van een anderen kant komen we met het durven van onze knapen en meisjes in aanraking. Ze durven vaak niet. Wat voor vele ouderen dikwijls zoo noodlottig is, dat ze niet tegen een ander, desnoods tegen een geheelen kring, tegen de publieke opinie in durven gaan, dat openbaart zich al vaak bij de kinderen. Ze zijn bang voor de critiek van anderen op al wat ze doen en bezitten. Menig moeder weet, wat moeite het kost een kind naar school te krijgen met een jurk, die door een of meer vriendinnen is afgekeurd. Hoe vaak liegt een kind, omdat het de waarheid niet durft te spreken uit vrees voor een ander. Een jongen ging elken Zondag met zijn vader en moeder wandelen, maar begon er van te spreken, dat hij maar niet meer mee wou. Bij nader onderzoek bleek, dat zijn schoolvrienden hem er mee plaagden, dat hij als een zoet jongentje elken Zondag met vader en moeder bij de hand mocht gaan wandelen. Zij mochten wel alleen; dan had je veel meer pret!
Een ander deed altijd graag boodschappen voor zijn moeder. Dat vond hij fijn en niet onvoordeelig met het oog op de versnaperingen, die de winkeliers toegaven. Op een dag was dat uit. Hij ging niet meer! Hij wou niet altijd met de mand langs de straat loopen! Wat bleek weer? Een paar jongens hadden hem gezien en plaagden nu geducht het loopjongentje, dat altijd boodschappen voor zijn moeder moest doen.
Nu zijn die menschen stellig zeer te beklagen, die altijd te lijden hebben onder de vraag, wat een ander er van zegt. Ze leven niet hun eigen leven, maar zijn slaven van de opinie van een ander.
Als het kan, moeten we onze kinderen daarvoor zien te bewaren, daartegen zien te wapenen. Als we dat trekje bij hen voor den dag zien komen, moeten we ze geruststellen met: »Een ander laat je praten«. Ze moeten vroeg gevoelen, dat ieder verantwoordelijk is voor eigen daden en dat hij een zwaar leven krijgt, die naar ieder gaat luisteren. De geschiedenis van den vader met zijn zoon, die met den ezel uitgingen en beurtelings deden, wat de verschillende voorbijgangers zoo eens opmerkten, is zeer leerzaam. Daar kunnen ze wel eens moed door grijpen, om eigen meening te volgen.
Te meer is dat noodig voor wie willen leven naar den eisch van Gods Woord. Die zullen veel 't afkeurend oordeel van de wereld moeten verdragen. Die kunnen met elke mode niet meegaan. Die hebben alle tijden door leeren durven, tegen de gansche wereld in.
Make de Heere ons daarom maar getrouw in het werk der opvoeding, opdat onze kinderen ook mogen durven, waar het moet en aan den anderen kant weer bewaard blijven voor te veel durf, die tot roekeloosheid zou leiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's