De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFT VERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFT VERKLARING

5 minuten leestijd

Van sommige menschen zijn de zonden tevoren openbaar, en gaan voor tot hunne veroordeeling; en in sommigen ook volgen zij na. Desgelijks ook de goede werken zijn tevoren openbaar, en daar het anders mede gelegen is, kunnen met verborgen worden. 1 Timotheüs 5 vers 24 en 25.

1 TIMOTHEUS.
Er is niets verborgen, hetwelk zal geweten worden. Ook stellen wij ons eerst voor de vraag wat deze woorden beteekenen en daarna waarin de apostel hen in dit verband plaatst. Beide vragen geven ons moeilijkheid. Wat de eerste betreft, het gaat over zonden die voorafgaan tot de veroordeeling van menschen, en zonden die volgen. Ook in de goede werken wordt eene dergelijke onderscheiding gemaakt. Nu wordt hier eigenlijk niet van den zonden in de eerste plaats gesproken, maar wel van de menschen, die deze zonden bedrijven. De zonden van die menschen zijn zóó openbaar, dat zij hen als het ware vooruit loopen naar het oordeel. Het oordeel voor den rechterstoel des Heeren wordt hier bedoeld. Immers kan van eene beoordeling door menschen hier geen sprake zijn. Waar toch zou een rechtspraak van mensen kunnen zijn, waarvan in het algemeen zou kunnen gelden dat de goede werken (vers 25) daar aan het licht zouden komen? Aan de Goddelijke rechtspraak, de rechtspraak van den Alwetende moet hier gedacht worden. Bij andere menschen echter zijn de zonden verborgen. Zij worden niet door de medemenschen gezien. Zij blijven dan voor de menschen wel een langen tijd verborgen, maar zij volgen toch. Voor het aangezicht van den eeuwigen Rechter worden zij ontdekt. "Welke ook in 't licht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is". Welnu, zoo zegt de apostel verder, zoo is het ook met de goede werken. Bij sommige menschen loopen deze zeer in het oog, maar bij anderen worden zij niet gezien, niet door de menschen opgemerkt. Maar zij zullen dan toch in ieder geval voor gericht Gods openbaar worden,
Het is duidelijk dat deze woorden iets algemeens hebben, een algemeenen regel verkondigen, dien wij in andere woorden telkens in onzen Bijbel terugvinden. Wij zien slechts wat voor oogen is, maar het licht van het eeuwige oordeel zal ongedachte dingen doen zien, zoodat hetgeen wij hebben geprezen door God niet geprezen wordt en omgekeerd. Dezelfde zonden, van ontrouw, echtbreuk, dronkensohap, zijn bij den eenen mensch onmiddellijk zichtbaar, terwijl zij bij den anderen eerst voor den rechterstoel des Heeren aan het licht komen. Van den eenen worden insgelijks de goede daden dadelijk rond gebazuind, terwijl die zelfde daden van een aner vaak geheel anders worden uitgelegd of geheel verzwegen worden, ja niet eens opgemerkt. Zij zullen nochtans niet verborgen blijven.
Maar nu is het de vraag: wat doet deze aIgemeene regel nu juist hier? M.a.w. wat betekenen deze woorden in hun verband? Zij zijn zóó algemeen, dat sommige verklaarders(o.a. Wohlenberg in Kommentar zum neuen Testament von Zahn) hen maar liefst bij het volgende, de plichten van dienstknechten (Hoofdstuk 6) rekenen, alsof de apostel wilde zeggen dat de geloovige slaven zich moeten troosten, bij al de miskenning die zij ondervinden, met de gedachte dat God hun goede werken aan het licht zal brengen.
Omdat de indeeling in hoofdstukken uit lateren tijd dateert, is deze samenvoeging met het volgende wel mogelijk, maar het doet dan toch vreemd aan, omdat zo'n algemeene regel er aan vooraf gaat. Hij had dan veel beter zijn paats gehad na vers 2 van Hoofdstuk 6. 'k Meen dat wij het verband met het behandelde gedeelte van de ambtsdragers moeten vasthouden. Het ging in vers 22 over de waarschuwing niemand haastig de handen op te leggen, tot het ambt toe te laten. Heb geen gemeenschap aan anderer zonden, zeide de apostel, d.w.z. aan de zonden van simonie. Nu is het toch wel te begrijpen dat de apostel eraan toevoegt: gij kunt niet alles weten, ook niet van de zonden, ook niet van de goede daden der ambtsdragers. Gij moet zeer veel overlaten voor den komenden rechterstoel.
Het is wel waar, dat vers over het drinken van een weinig wijn staat er dan vreemd tusschen in. Waarschijnlijk heeft 't op den rand gestaan en hebben overschrijvers het er in gezet.
Maar afgezien hiervan, zijn onze teksten het best te verbinden met de raadgevingen over leeraren en ouderlingen. Het oordeel van de menschen over hen is zoo veranderlijk en wisselvallig.
Gij moet uw maar eens te luister geven aan wat de mensen over de dominee's te zeggen hebben. De een staat te hoog, de ander te laag; de een preekt te schriftuurlijk; de ander te »ondervindelijk«; de een leest te veel en daarom vervelend, de ander leest niet en is daarom wonderlijk goed in de ogen van sommigen, want hij heeft zijn pen weggeworpen, maar volgens anderen is hij veel te oppervlakkig en praat er maar wat op los. Volgens sommigen is een leeraar dan alleen goed, als hij maar veel bij de menschen komt en op straat gezien wordt. Gods kinderen moeten zijn boeken zijn! Anderen willen een goed »bestudeerde preek«, waarin wetenschap en kunst wedijveren. En ach, hoe weinig verstand hebben die critici vaak van eene prediking. Zij spitsen hun ooren als zij een vreemd woord hooren en zeggen: dat is een geleerde preek, daarin komen veel vreemde woorden voor! Als het niet zoo bedroefd was, zou men er om lachen!.... Ik zou zoo nog wel een poosje voort kunnen gaan met de oordeelvellingen der menschen over hunne leeraren en ook hun ouderlingen. Gij weet er zelf ook genoeg van, mijn lezer! Het gaat helaas meer over de gezondenen dan over den Zender, den nooit genoeg te prijzen en te verheerlijken Zaligmaker onzer zielen, waarvan de uitnemendste predikers slechts nietige instrumenten zijn. Zeker! Van deze instrumenten blijft veel verborgen. Van sommigen zijn de zonden opembaar, maar van sommigen worden dezelfde zonden door de menschen in het geheel niet opgemerkt. Een ieder vrage zich in zijn prediking, in zijn ambtswerk dan ook af : zal ik in dien dag onbestraffelijk bevonden worden? De vrijspraak Gods is veel meer waard dan de lof van duizenden bij duizenden van de menschen. Niet die zijn slechts de goede werken die de menschen van de ambtsdragers zien, maar diè, welke gedragen worden door het gebed en het geloof, al prijst er ons nie­mand om.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFT VERKLARING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's