KERKELIJKE RONDSCHOUW
Over de opstaning van Jezus.
Over de opstanding van Jezus. Eigenlijk moesten we er geen aandacht aan schenken, zóó banaal is het. Maar het is tegelijk weer typeerend hoe de geestesgesteldheid onder de modernen veelal is. En daarom willen we er toch even op wijzen. Wat we op 't oog hebben is een stukje van de hand van Ds. Deelman van Alkmaar in »Kerk en Volk« het orgaan der Vrijz. Hervormden. Er staat boven: »Op het oorlogspad« en het bedoelt te zeggen, dat er onder de orthodoxen alles behalve »pais en vree« is!
Ze vliegen elkaar nog al eens in de haren! En helaas! is dat naar waarheid alzoo beschreven. Het botert niet altijd onder de rechtzinnigen, ook niet onder hen die toch zoo dicht bij elkaar staan in zake de leer. Toch blijkt het telkens, dat ze nog zoo verschillend denken, waarbij uitkomt, dat die zeggen gereformeerd te zijn alles behalve gereformeerd spreken en handelen. Er zit heel wat remonstrantisme onder het gereformeerde verborgen en als dat dan bij tijden aan 't woord komt, dan staat men vijandig tegenover wat gereformeerd is. En dan botst het weer. Zoo heel vreemd komt ons dat niet voor. Maar met dat al blijft het jammer.
Ds. Deelman vindt, dat het intusschen nu maar goed is, dat de vrijzinnigen ook nog in de Herv. Kerk zijn. Die kunnen nu nog zoo mooi het evenwicht bewaren en nu en dan voor bliksemafleider dienen. Als die er niet meer waren, dan zou feller nog de broederstrijd ontbranden in de Herv. Kerk, vreest hij. En daarom gelukkig, dat de vrijzinnigen nog in de Herv. Kerk zijn; die maken, dat het nu nog zoo wat dragelijk is en dat het nog zoo fatsoenlijk in de Herv. Kerk toegaat als nu het geval is!
Intusschen wordt beschreven, dat het onder de rechtzinnigen niet altijd botert, 't Is veelal haken en oogen. Dat bewijst ds. Deelman, door te zeggen, dat wij, Gereformeerde bonders, het zoo slecht kunnen vinden met Prof. Cramer.
En dan laat hij dit stukje volgen:
»En kunt u 't op den duur houden met menschen als Prof. Cramer, menschen van »de scherpste bijbelcritiek«? Neen, als wij er uit waren, ontbrandde in de Kerk de strijd op zijn felst! Dan trokken de »broeders« tegen elkaar van leer en niet zuinig! Nu nog saamgehouden door gemeenschappelijken afkeer van de modernen, zouden zij dan aan 't onderling bakkeleien gaan en, als in Assen, hen, die maar even afweken, uitbannen! — En dan wij denken er vooreerst niet aan, om uit de Herv. Kerk te gaan. Wij zijn geen vreemdelingen maar huisgenooten! Onze beweging is in de Herv. Kerk gegroeid — en in dien groei is Gods hand! Wij achten verder het Nederlandsche volk te goed, om 't in handen te geven van 17de eeuwsche Gereformeerde bondsmannen; wij zullen niet ophouden, ons woord in de Kerk te doen hooren, omdat wij door die Kerk alle lagen van ons volk kunnen bereiken en de oogen op den duur zullen opengaan. De oogen van Prof. Cramer zijn al zoowat heelemaal open (alleen zeurt hij nog wat over de vleeschelijke opstanding van Jezus —-maar dat gaat wel over!) — de oogen van ds. Geelkerken CS. gaan ook al open, enz. Wij hebben een taak in de Hervormde Kerk te vervullen. God roept ons ! En daarom blijven wij in de Hervormde Kerk! Begrijpt U?!«
In dit stukje staat heel wat in. Over Assen, over dr. Geelkerken, over de roeping van de vrijzinnigen in de Herv. Kerk, over hun geestelijke en kerkrechtelijke positie enz. Een, twee, drie is alles door ds. Deelman gezegd en duidelijk gemaakt en bewezen. Er is geen speld tusschen te steken...
We zullen niet alles overhoop halen.
Maar op dat enkele tusschenzinnetje in betrekking tot Prof. Cramer willen we even wijzen. Prof. Cramer wordt geprezen: Dat is een verlicht man. Daar is op den duur nog wel wat mee te beginnen, oordeelt de moderne ds. Deelman (en die kan het weten!).
Alleen Prof. Cramer is nog niet wat hij wezen moet; »hij zeurt nog wat over de vleeschelijke opstanding van Jezus — maar dat gaat wel over!«
Eigenlijk moesten we zulke lompe woorden van den renegaat ds. Deelman, die vroeger orthodox was en nu zoo graag spuwt in de bron waaruit hij gedronken heeft, links laten liggen en er geen aandacht aan geven. Maar 't kan toch geen kwaad om deze dingen in verband met de positie der vrijzinnigen in de Herv. Kerk even te onderstrepen.
Met de meeste minachting wordt hier behandeld dat stuk van onze Apostolische geloofsbelijdenis »ik geloof in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere, die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle, ten derden dage weder opgestaan van de dooden.«
Hier wordt eenvoudig geloochend het feit van Paaschfeest, waarmee natuurlijk samenhangt de loochening van alles aangaande Christus, wat zich samentrekt in de loochening, van Zijn Godheid door 't welk Hij een gewoon, zij 't dan een voorbeeldig mensch wordt, zonder meer.
Nu is 't voor ons altijd een raadsel hoe iemand die de godheid van Christus loochent, zeggen kan, dat hij in geest en hoofdzaak overeenstemt met de belijdenis der Hervormde Kerk, welke weerklank vindt in de aloude Apostolische geloofsbelijdenis — elken Zondag in het midden der gemeente voorgelezen — en welke zoo schoon is uiteengezet in de Nederl. Geloofsbelijdenis en den Heidelbergschen Catechismus, om van de vijf Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten nu maar eens niet te spreken.
Hoe kan nu iemand die de godheid van Christus loochent en Zijn verzoenend lijden en sterven niet aanvaardt en ontkent, dat Hij ten derden dage is opgestaan uit het graf — zeggen, dat hij in geest en hoofdzaak met de belijdenis der Kerk instemt?
Hoe kan die van de liturgie, met Doop en Avondmaal; van lied, Woord en Sacrament nu zeggen in aard en wezen, geest en hoofdzaak te aanvaarden, te gelooven en te belijden?
Het is eenvoudig ongerijmd; en afgezien van de schrikkelijke verwoesting en verwildering die door het modernisme in de vorige eeuw over ons volk, in betrekking tot het kerkelijk, geestelijk en zedelijk leven gebracht is, mogen we toch wel — voor de zooveelste maal — verklaren, dat het eenvoudig oneerlijk, onoprecht, onridderlijk is te blijven in een Kerkgemeenschap, waar men openlijk moet en wil verklaren, dat men het met den Bijbel, met de belijdenis, met het lied en met de Sacramenten niet in geest en hoofdzaak eens is; maar dat men in de fundamenteele stukken radicaal iets anders leert en voorstaat.
Als »vrijzinnigen« heeft men dan ook geen recht in de Hervormde Kerk. En als men dan toch in de Hervormde Kerk blijft om er zich als »vrijzinnigen« te handhaven, dan speelt men oneerlijk spel en moet men het dragen, dat men overal als »vrijzinnigen« tegengestaan wordt.
Want neem nu dat banale gezegde van ds. Deelman eens, dat »prof. Cramer helaas! nog wat zeurt over de vleeschelijke opstanding van Jezus«. Kan de opstanding van Jezus aan den morgen van den derden dag met grooter minachting als een nietswaardig iets worden weggeworpen?
En van die opstanding hebben Engelen getuigd; de wachters hebben er bericht van gedaan; de vijanden hadden er een vermoeden van; de discipelen konden het niet gelooven; met vele gewisse kenteekenen heeft de opgestane Heiland Zich aan de Zijnen levend vertoond; Maria Magdalena, Simon Petrus, de Emmaüsgangers, al de apostelen, en Thomas, meer dan vijfhonderd broederen op eenmaal zijn er de onwraakbare getuigen van; ja een Stefanus aanschouwt Hem in zijn doodsnood, Saulus op den weg naar Damascus, de apostel Johannes op Patmos — waardoor een duizendvoudig getuigenis tot ons komt: de Heere is waarlijk uit het graf opgestaan!
Neen, de discipelen, de vrienden van den Heiland hebben dat niet uit hun duim gezogen. Fantasten hebben dat niet als een kunstig verdicht legende-verhaal in elkaar gezet. De vrienden konden het juist niet gelooven, hoewel de Heiland het te voren zoo duidelijk en zoo dikwijls gezegd had, dat Hij zou worden overgeleverd en zou worden gedood, maar dat Hij ten derden dage uit den dood zou opstaan (Matth. 17). En daarom waren die herhaalde verschijningen van den opgestanen Heiland noodig aan die »onverstandigen en tragen in het gelooven« waardoor de zaak nu des te vaster voor ons is komen staan. »Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kenteekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan«. (Hand. 1:3). Daarom konden ze ook vrijmoedig verklaren: »Dezen Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn«. (Hand. 2)
Wat een pedanterie nu van een man als ds. Deelman om het eenvoudig »zeuren« te noemen, als heel de Christenheid van de oudste tijden afaan tot op dezen dag, in Nederland, Duitschland, Engeland, Amerika, Azië, Afrika — ja overal het geloovig belijdt met Gods Woord, dat Jezus ten derden dage uit het graf is opgestaan.
Wat verbeelden de modernen zich wel, dat zij deze zaak nu zoo maar eens even onderstboven kunnen schoppen?
Daarmee zouden zij ook den eenen waren troost rooven aan de Christ-geloovigen.
»Dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode«. Hij is opgewekt »tot de heerlijkheid des Vaders«. (Rom. 6 vers 4).
»Breekt dezen tempel en in drie dagen zal ik denzelven oprichten«.
»Niemand neemt hetzelve (mijn leven) van mij, maar ik leg het van mijzelven af; ik heb, macht hetzelve af te leggen en heb macht hetzelve wederom te nemen«.
Zoo is de eere des Vaders en de eere des Zoons met de opstanding uit het graf gemoeid.
En nu weten wij »dezen Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn« en »de God des vredes heeft den grooten Herder der schapen door het bloed des eeuwigen testaments, uit de dooden wedergebracht«.(Hebr. 13).
In de opstanding uit de dooden is Hij krachtiglijk bewezen Gods Zoon te zijn (Rom. 1 vers 4) en toen heeft Hij de slang den kop vermorzeld. Toen heeft de gansche Kerk, die in Adam haren God verloren had, in Christus' opstanding haren God en de zaligheid wedergekregen. Daarom drukt de apostel er zoo op, welk een heerlijk werk Gods dat geweest is: »welke de uitnemende grootheid zijner kracht zij aan ons, die gelooven, naar de werking der sterkte zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt«. (Efeze 1).
Wat is de loochening van de opstanding van Jezus Christus dan vreeselijk. Dat is maar niet de loochening van een of ander feit zonder meer, maar het is een streep halen door gansch het verlossingswerk. Dan is Jezus niet de Zaligmaker van een arm zondaarsvolk. Dan is Satan niet overwonnen. Dan is de straf niet ten einde gedragen. Dan hebben we den kwijtbrief niet voor onze ongerechtigheden.
»Indien Christus niet opgewekt is, zoo is uw geloof tevergeefs, zoo zijt gij nog in uwe zonden« (1 Cor. 15). Als Christus niet uit het graf is opgestaan, heeft Hij de gerechtigheid bij God niet verworven en geldt niet meer: »Met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden«.
Wie de opstanding uit het graf loochent, verwerpt het fundamentstuk van onze zaligheid.
En waar de apostel zegt : »Houdt in gedachtenis dat Jezus Christus uit de dooden is opgestaan», alsook: »Welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking« (Rom. 4 vs. 25), daar zegt ds. Deelman: zeur toch niet langer over de opstanding van Jezus uit het graf, want het is een fabeltje alles wat de Bijbel vertelt en het is een legende, waaraan de Christenheid altijd heeft geloofd. Wij blijven het Woord der Schrift intusschen gelooven: »Ziet mijne handen en mijne voeten, want ik ben het zelf; tast mij aan en ziet; want een geest heeft geen vleesch en beenen, gelijk gij ziet, dat ik heb«.
En wij buigen ons, voor Hem, die tusschen de gouden kandelaars wandelt en met een stem als van vele wateren zegt: Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods!« (Openb. 1 : 18) Wat jammer intusschen als men nu een zaak van zóó kostelijke waardij, waaraan alles voor de Kerk van Christus hangt tot hare zaligheid, lomp en plomp verwerpt en ruw zegt: zeur daar nu niet meer over!... Mag en zal de Kerk dat nu maar langs zich heen laten glijden?
Of zal zij om Christus' wil nog leeren spreken en getuigen, om ook de waarheid naar Gods Woord te beschermen en te handhaven?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's