UIT DE PERS
In »De Bazuin« lazen we onderstaand artikel:
Onze Scholen met den Bijbel.
Op Zaterdag 3 Augustus 1878, 's-middags half twee, werd op het paleis op 't Loo het »Smeekschrift aan den Koning om een School met den Bijbel« aan Z. M. den Koning Willem III aangeboden.
De geschiedenis is bekend. Jaren lang hadden de christenen in ons land den strijd voor het recht en de vrijheid van het christelijk onderwijs gestreden. Zwaar was de worsteling geweest, die met de gewenschte vrijheid nog niet was gekroond. In 1877 werd het Ministerie Heemskerk vervangen door het Ministerie Kappeijne. In 1876 had deze, bij de invoering van den Leerplicht gezegd: "Dan zou ik bijna zeggen: Welnu? dan moet de minderheid maar onderdrukt worden, want dan is zij een vlieg, die de gansche zalf bederft, en heeft zij in onze maatschappij geen recht van bestaan". In het begin van 1878 verscheen een ontwerp van wet, waarbij wel vele verbeteringen van het onderwijs werden aangegeven, maar waarbij tevens aan het christelijke onderwijs zooveel zwarigheden in den weg werden gelegd, dat de vrije school het kind van de rekening dreigde te worden. Er werd met de wenschen der christenouders volstrekt geen rekening gehouden. Zij moesten eerst mee betalen aan de Staatsschool en dan nog zelf, als ze het wenschten, uit particuliere middelen een eigen school in stand houden. Deze stuitende rechtskrenking kon niet worden geduld. En daarom werd aan Z. Majesteit een Smeekschrift, geteekend door 305.000 personen, aangeboden, met de dringende bede om deze ramp van het christenvolk te weren. De koning won het advies in van den Minister en deze gaf een zeer verkeerde voorstelling van de zaak. De Minister ontzag zich niet om de verdenking te opperen, dat velen, die zelven niet op de hoogte der zaak waren, zich hadden laten overhalen, om op het hun voorgelegde stuk te teekenen. En, hoe onwaardig deze handelwijze ook was, hij bereikte doel. Den 17en Augustus ging de droeve mare door het land: "De Koning heeft de wet geteekend".
Diepe droefheid vervulde het hart van allen, die de christelijke school liefhadden. Donker scheen de toekomst. Maar de scherpe Resolutie van Kappeijne bewerkte dat de school met den Bijbel in het middelpunt der belangstelling kwam te staan. Alle lauwheid week. Alle verdeeldheid in dezen verdween. Het bleek weldra dat Kappeijne aan ons christenvolk een grooten dienst had gedaan. De christelijke actie werd met beslistheid en kracht ingezet. Ons christenvolk begreep dat de heiligste goederen op het spel stonden, en dat de godsdienstige vrijheid ons dreigde te worden ontrukt.
Op 23 Januari 1879 kwamen ongeveer 90 personen in vergadering samen in "Kunsten en Wetenschappen" te Utrecht. Nadat Prof. Noordtzij de vergadering met gebed had geopend, hield Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman eene rede, waarin hij herinnerde aan de oprichting van de Unie van Utrecht. Evenals toen moest men zich teweerstellen tegen dwingelandij en tirannie. Besloten werd een nieuwe Unie, ter verkrijging van de vrijheid van het christelijk onderwijs te stichten. Lohman werd voorzitter.
Nog in hetzelfde jaar werd op 17 Augustus voor de eerste maal de Unie-collecte gehouden. Zij bracht toen ruim 41000 gulden op. Zij werd telkenjare gehouden, en de 25 jaar collecten van 1879—1904 brachten op de som van ruim twee millioen. Door de Unie is steeds propaganda gemaakt voor het christelijk onderwijs. De belangstelling en de liefde won steeds. De offervaardigheid werd zoo krachtig dat naar een matige berekening van 23 Januari 1879 tot 23 Januari 1904 door ons volk voor de bijzondere scholen een som van 36 millioen drie honderd duizend is geofferd.
Een ander resultaat van de christelijke actie tegen de liberale tirannie was de omzetting van de Tweede Kamer in 1888 en het optreden van een christelijke regeering. Bij de verkiezing in 1888 werden slechts 45 liberale leden gekozen, één conservatief, één socialist en 53 Antirevolutionairen en Roomschen. Aeneas Baron Mackay werd opgedragen een nieuw Ministerie te vormen, en deze zocht de oplossing van de schoolkwestie in de subsidiëering van het bijzonder onderwijs van staatswege. Reeds op 8 Dec. 1889 werd de nieuwe schoolwet door den Koning geteekend.
De eerste stap op den weg van rechtsherstel was gedaan. De strijd werd gestadig voortgezet, en eindelijk in 1920 bekroond met de algeheele financiëele gelijkstelling van het bijzonder en het openbaar onderwijs. De Heere heeft machtige wonderen aan ons gedaan, dies zijn wij verblijd.
Waren er in 1879 326 christelijke scholen met 53000 leerlingen, in 1920, vóórdat de Wet De Visser nog de algeheele financiëele gelijkstelling bracht, waren er 1225 scholen met den Bijbel met 202000 leerlingen, en in 1924 1625 scholen met 238402 leerlingen. Is dus de zegen van den Schoolstrijd groot geweest, en kunnen thans alle kinderen van christenouders een school met den Bijbel bezoeken, er is nog een andere zegen uit den schoolstrijd gevloeid.
Ons volk heeft zich rekenschap gegeven van het wezen van de school. De school is toch voortzetting, uitbouw van het huisgezin. Niet de Staat mag schoolmeester zijn. Doch de onderwijzer is de plaatsvervanger van de ouders. En daarom moet ook dezelfde geest, die in het gezin heerscht, in de school heerschen. En daarom moet ook de school zooveel mogelijk, en vooral wat het beginsel betreft, los komen te staan van den Staat. Zoo begon de strijd onder de leuze: »De vrije School voor heel de natie«.
Dit resultaat is na de financiëele gelijkstelling in 1920 nog niet bereikt. En daarom moet de Unie van de Scholen met den Bijbel blijven, en met haar voorlichting en arbeid ons volk dienen, totdat de volkomen vrijheid der School is bereikt.
Volgens de huidige wet zijn de scholen nog al sterk gebonden aan de bepalingen van de overheid. Wel treedt de overheid niet in de godsdienstige vrijheid, maar hoeveel goeds deze wet ook biedt, de besturen der scholen zijn aan alle zijden gebonden aan de overheidsbepalingen, en kunnen de scholen niet inrichten zooals zij dat wenschen. Ook is de financiëele gelijkstelling nog niet in alle deelen doorgevoerd.
Uit die gebondenheid aan de overheid kunnen voor de toekomst groote gevaren voortvloeien. Er is het gevaar van de christelijke staatsschool, dat wij in alles aan den leiband van den staat moeten loopen. Er is het gevaar van verslapping in eigen kring. Nu de overheid ongeveer alle kosten betaalt, dreigt het gevaar dat de energie, de warme belangstelling inzinkt en dat het gebed gaat verslappen.
En daarom moeten wij de gevaren zien. Op de wacht staan tegen de vijanden die van binnen en van buiten dreigen. Als de liefde en de belangstelhng begint te kwijnen, zinkt het christelijke leven in. Als het gebed verflauwt, gaat de kracht en de schoonheid der christelijke actie verloren.
Onze Regeering heeft thans een commissie benoemd die tot taak heeft na te gaan welke verbeteringen in de bestaande wet kunnen worden aangebracht. Mr. Rutgers is haar voorzitter. Wij willen hopen dat uit den arbeid dezer commissie iets goeds zal voortkomen voor de vrijheid onzer scholen, en voor de meer juiste preciseering van de taak der overheid in zake het onderwijs.
Het optreden van dr. Kromsigt in de Reorganisatie-Vergadering
Men herinnert zich, hoe op de onlangs te Utrecht gehouden reorganisatie-vergadering, — door Confessioneelen m de Ned. Hervormde Kerk belegd — ds. Klomp van Capelle a.d. IJsel zijn afkeuring uitsprak dat nu al 60 jaren lang door de Confessioneelen geroepen is om reorganisatie der Hervormde Kerk, dat men al maar zucht, veel woorden gebruikt, ook er om bidt, maar er geen hand voor uitsteekt. Hij oordeelde dat men, in plaats van over de Asser Synode der Gereformeerde Kerken te spreken, die dr. Geelkerken rechtmatig uit zijn bediening ontzet heeft omdat hij niet beslist Gereformeerd meer is te noemen, beter deed de hand aan den ploeg te slaan om de eigen Hervormde Kerk metterdaad tot reorganisatie te brengen. Dr. Kromsigt heeft toen aan ds. Klomp den raad gegeven, dat hij maar naar de »Doleerende Kerk« moest gaan. Onder luid applaus werd op die wijze ds. Klomp afgewezen. Op de vergadering der Confessioneele Vereeniging hield prof. Haitjema een referaat, waar in telkens de noodzakelijkheid van de reorganisatie der Nederl. Hervormde Kerk naar voren kwam. Hoewel hij zich niet met de uitspraak der Asser Synode vereenigen kan, bleef toch de kwestie-Geelkerken op verren afstand staan. Prof. Haitjema bond den toestand en den nood der Kerk zijn hoorders op het hart. Deze tweeërlei manier van optreden bij twee vooraanstaande Confessioneelen, geeft ds. J. Hoekstra, predikant te Ternaard, een korte beschouwing in de pen, die hij heeft neergeschreven in het Confessioneel »Zondagsblad« voor de Provincie Friesland. Hij schrijft zijn oordeel als volgt neer:
Bij dr. Kromsigt zien wij net tegenovergestelde naar voren komen. Hier is het de kwestie-Geelkerken vóór en na, en bleef de reorganisatie-gedachte en eisch op den verren achtergrond. Zeer duidelijk kwam deze onze beschouwing over de beide vergaderingen op de respectieve vergaderingen zelf uit. Bij de bespreking van prof. H.'s referaat bleef dr. Geelkerken in Amsterdam en de Synode te Assen. Op de reorganisatie-vergadering was het dr. Geelkerken en de Asser Synode vóór en na, en kwam de reorganisatie-eisch niet ten volle aan de orde.
Wel wonderlijk en pijnlijk tevens deed het aan dr. Kromsigt, die in zijn reorganisatiestreven »heel de Kerk en heel het volk« wil, ds. Klomp van Capelle den weg te zien wijzen naar de doleerende Kerk, omdat die anders dacht over de Asser Synode dan hij.
Dat was toch zeker persoonlijke tuchtoefening à la Assen in het kwadraat.
En uit dit scherpe verschil van meening tusschen dr. Kromsigt en ds. Klomp blijkt dan o.i. ook zonneklaar, dat een reorganisatie-vergadering, die het heil en herstel van eigen Kerk beoogt, het beste doet met het doen van hen, die heengingen en een andere Kerk formeerden, zich niet in te laten op een wijze als nu dr. Kromsigt deed. Men mag alle zaken buiten het erf der eigen Kerk bezien en bespreken, mits men dit doe op een eerbiedigen afstand en zelfs niet den schijn op zich laadt aan 't geen elders geschiedt belangrijker te vinden dan de eigen aangelegenheden.
En het jammere is nu, dat men niet huiswaarts keerde met een koel hoofd en warm hart voor reorganisatie-plannen, maar met eenige vurigheid de morgenvergadering verliet vanwege een zeer levendige discussie.
Meer zullen wij er niet van zeggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's