De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Een Koninklijke noodiging*

11 minuten leestijd

»Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven«. Matth. 11 vers 28.

In ons teksthoofdstuk vinden we het antwoord door Jezus gegeven op de vraag van Johannes den Dooper: Zijt Gij degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen?
Tot op de Koninklijke noodiging, waarmee dit hoofdstuk besluit, wordt alles wat hier in de woorden van Jezus wordt meegedeeld, beheerscht door de beantwoording van die vraag van Johannes. Ja, Jezus is waarlijk Degene, Die komen zou!
De teekenen, zoowel van goddelijke majesteit als van menschelijk vernederd zijn, reeds lang te voren door der profeten mond vermeld — ze waren in Hem te onderkennen en lokten uit tot geloof. Toch werd Hij door veel aanzienlijken en ingebeelde wijzen in ongeloof verworpen, terwijl Hij door geringe en eenvoudige lieden daarentegen blijmoedig en kinderlijk werd aangenomen. In plaats van daarover te murmureeren, eerbiedigde Jezus in deze beschikking en uitkomst het souverein welbehagen des Vaders, Die »deze dingen« — de dingen van het onzienlijke Koninkrijk — den wijzen en verstandigen verborgen houdt en het den kinderkens daarentegen openbaart. In het besef hiervan verheft Jezus Zijn stem en andermaal klinkt er een »wéé« uit Zijn mond tegen de hoorders met doove ooren en de toeschouwers met blinde oogen; andermaal, als in de zaligsprekingen uit de bergrede, gaat Zijn mededoogen uit tot de armen van geest, die niets hebben dan hun volslagen gemis, de treurenden Zions, om wier wille Hij in de wereld gekomen is en machtig schalt het geluid van Zijn Koninklijke noodiging: "Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven".
1°. Beschouwen we wat nader de personen, die genoodigd worden;
2°. overwegen we de zaak, waartoe zij genoodigd worden;
3°. peilen we de belofte, welke de noodiging inhoudt.
1. De personen, die in onzen tekst genoodigd worden, zijn »allen, die vermoeid en belast zijn«. Geen uitzondering wordt er dus gemaakt door Jezus, zooals ook de apostel Paulus zich daarom in zijn brief aan de Romeinen zoo algemeen mogelijk uitdrukt, als hij zegt (Rom. 3 vers 22b en 23): »Want er is geen onderscheid. Want allen hebben zij gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods«; maar ook (Rom. 10 vers 12): »Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen. Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden«.
Toch mag onze tekst door de dienaren des Woords niet zóó worden verkondigd en door de gemeente niet zóó worden verstaan, alsof een ieder en een iegelijk zich maar zou mogen vleien met de zalige hoop op een heerlijken hemel, onverschillig wie of wat hij is. Immers — wél is ieder mensch belast; wèl gaat ieder mensch, zooals de eigenlijke beteekenis van dit woord in de grondtaal is, door zware lasten neergedrukt zijn weg; — maar lang niet een ieder gevoelt zich daaronder vermoeid en afgemat. En dat wordt toch ook door Jezus vereischt in de personen, die Hij tot zich noodigt.
De lasten, die een mensch neerdrukken, zijn van verschillenden aard!
Vooreerst is er de last van den dagelijkschen arbeid. Hoe zwaar echter die last ook op sommigen moge drukken, niet deze last wordt door Jezus voornamelijk bedoeld, waar de rust, door Hem beloofd, geen lichamelijke rust is, maar zieleruste.
Er is echter ook de last der zondeschuld. Deze last buigt de ziele terneder, zoodat met een David geklaagd wordt:
Want mijn hoofd is als bedolven
In de golven
Van mijn ongerechtigheên;
Zulk een last van zond' en plagen
Niet te dragen,
Drukt mijn schoud'ren naar beneên.
En dan nog — wat was de wet van Mozes, die den dienst der schaduwen had ingesteld naar het voorbeeld, hem op den berg getoond, — wat was die wet niet een drukkend juk geworden door alle menschelijke inzettingen van raak niet en smaak niet en roer niet aan, die er door de Farizeën aan waren toegevoegd, zoodat het was geworden: regel op regel en gebod op gebod!
O, wat is die zondelast zwaar, waaronder al het schepsel zucht, sinds in het paradijs de mensch van den staat der rechtheid, waarin God hem schiep, is vervallen. En is de uitwerking der zonde niet geweest, dat wij »vervreemd van God, in 's afgronds donk'ren nacht« zullen afdalen, zooals de dichter van den 49sten Psalm ons zoo waarschuwend voorhoudt:
»Schoon hij zich op deez' aard in wellust baadt
En ieder roemt zijn weeld' en overdaad!«
Wat baat het dan een mensch, al had hij heel de wereld gewonnen en daarbij schade geleden aan zijn ziel? zoo vraagt Jezus. Als we de gunste Gods moeten missen, als we door de zonde tot slaven geworden zijn van den duivel, de wereld en het eigen vleesch, — als we onbekwaam zijn tot eenig waarachtig goed uit en van ons zelven en tot alle kwaad geneigd — o, hoe zwaar is dan de last van zonden, die een mensch van nature heeft te torsen. Geen wonder, dat hij naar ziel en lichaam ten gronde gaat ten gevolge van de zonde, die doorwerkt in de gedachten des harten, de woorden der lippen en de daden, die in het openbaar of in het verborgen worden bedreven.
Wie zal ze tellen, al onze zonden van nalatigheid en bedrijf; alléén of met anderen bedreven; tegen plicht en beter weten in begaan; tegen God, den naaste of ons zelve? Zijn ze niet menigvuldiger dan de haren van ons hoofd, omdat we naar het woord van Jacobus, dagelijks struikelen in velen?
O, die last der zonden, nog verzwaard door het besef van machteloosheid om zich zelf te volmaken, — hoe kan het geweten er door gedrukt, worden, zoodat in wanhoop de hand aan eigen leven wordt geslagen, als een Judas; — hoe moest zelfs de Heiland, Jezus Christus, als Borg voor de Zijnen met dien last der zonden beladen, het uitklagen: »Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe«; — ja, hoe moet dikwijls door wie aanvankelijk van den last der zonden verlost is door het geloof in Jezus Christus, onder het drukkende besef der aanklevende en inwonende zonde gezucht worden: »lk, ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?«
Allen nu, die door dien zwaren zondenlast zich gedrukt gevoelen en vermoeid en afgemat door al hun pogen zich op wettische wijze daarvan te bevrijden; — die allen worden door Koning Jezus genoodigd tot Hem te komen.
Hij toch is een Koning van bedelaars, tot Wien de armen van geest en de nederigen van hart met vertrouwen mogen komen, zoo als eens tot Zijn grooten voorvader naar het vleesch, tot koning David, die in de spelonk van Adullam vergaderde »alle man, die benauwd was en alle man, die een schuldeischer had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was« (1 Sam. 22 vers 1).
Wie aanzienlijk en rijk daarentegen zich waant; wie van geen kwaad zich bewust is, voor zulken is Koning Jezus niét begeerlijk:
Geen wonder dus, dat de Farizeërs, die van eigengerechtigheid droomden, en de Sadduceërs, die den slaapdrank der wereldschgezindheid innamen, zich niet ver­moeid gevoelden en dus geen behoefte hadden aan Jezus' noodiging gevolg te geven. Maar zij, die door de boeteprediking van Johannes den Dooper waren voorbereid en ontdekt; zij, die het hadden leeren verstaan hoe kwaad en bitter het is den Heere zijnen God te hebben verlaten ; allen zij, die het Godonteerende en zielverdervende der zonde hebben leeren inzien; die onder den last der zonden zóó gebukt gaan dat ze angstig klagen: »Wee mij, wee mij, ik ben bekommerd vanwege mijne zonden« ; — zij allen worden door Jezus genoodigd tot Hem te komen.
Zooals het was in de dagen van Jezus' omwandeling op aarde, zoo is het ook nu nog. Door de gaarne getrouwe dienaren des Woords, zullen niet de goddeloozen, die rustig in de zonde leven, noch de zorgeloozen en ongevoeligen, die het feit der zondeschuld voor God niet ontkennen zonder er zich verder druk om te maken, uitgenoodigd mogen worden om zonder meer tot Jezus te komen; en ook niet die uitwendig onberispelijk leven en geen bekeering voor zich van noode achten; en zeker ook niet de geveinsden en huichelaars, die wel verslagen schijnen, maar het niet zijn en al evenmin de tijdgeloovigen, die onder hartstochtelijke indrukken verkeerende soms wel gevoelige zielsbewegingen naar Jezus kennen, zonder dat het Woord wortel schiet, — maar zulken, die door Woord en Geest aan zichzelf ontdekt zijn en van de verfoeilijkheid en strafwaardigheid der zonde overtuigd zijn geworden; zij, die vermoeid zijn geworden door dien last der zonde, waaronder zij gebukt gaan en die door innig berouw en hartelijk leedwezen over de zonden verteerd, een oprechte begeerte gevoelen om van dien last ontheven te worden.
De wettische dienstbaarheid, waaronder zulke treurenden Zions verkeeren, wordt door hen als een drukkend juk gevoeld, waarvan het torsen al evenmin rust geeft, maar integendeel, hen steeds vermoeider doet worden. Och, als ze hun zondenlast er maar kwijt door konden raken, dan zouden ze wel alles willen doen en aangrijpen; alle geboden en inzettingen van menschen, waardoor het juk der wet nog verzwaard is, zouden ze wel willen nakomen, wanneer ze maar rust er door konden vinden voor hun gefolterde zielen, — maar ach, heeft Paulus het niet zoo terecht uitgesproken: »Uit de werken der wet wordt geen vleesch gerechtvaardigd voor God en blijven we niet "onnutte dienstknechten" naar het woord van Jezus, ook al zouden we gedaan hebben al hetgeen ons was bevolen?
Neen, rust zoekende waar ze niet te vinden is, op verkeerde wijze, door verkeerde middelen, zooals de Farizeën en de Sadduceën — zal de ware rust nooit worden gevonden, integendeel, onder den last gebogen blijvende, waardoor de vermoeidheid ontstond, zal deze steeds toenemen, zoodat ze tenslotte geheel krachteloos en hulpeloos en hopeloos neerzinken.
II. Tot hen nu is die Koninklijke noodiging gericht: Komt tot Mij, of zooals onze Statenvertalers het wat breeder hebben overgezet: Komt herwaarts tot Mij. Het is als wil de Heiland zeggen: Zie toch af van datgene, waarvan ge tevergeefs heil en hulp verwacht hebt, van alle wettische werken in eigen kracht, waardoor de ziel geen rust of verkwikking kan bekomen; laat toch af van dat gezwoeg onder een last van menschelijke inzettingen, door blinde leidslieden u opgelegd. Komt tot Mij! Niet tot de Wet dus — die kan slechts dienen als tuchtmeester tot Christus en als richtsnoer voor het nieuwe leven der bekeering.
Niet tot eigen deugd en kracht — immers wat zal de mensch geven tot lossing zijner ziel; ook niet tot andere schepselen. Want niemand zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen of Gode zijn rantsoen geven; maar tot Jezus Christus, Gods eengeboren Zoon, die van eeuwigheid door den Vader tot Verlosser en Middelaar is verordineerd en in de volheid des tijds is gezonden en bekwaam gemaakt, en die Zijn werk op aarde volbracht hebbende aan Golgotha's kruis, nu in den hemel voltooit wat tot zaligheid Zijns volks vereischt wordt. Ja, Jezus Christus en dien gekruisigd — dat is de persoon, dien alle vermoeiden en beladenen noodig hebben.
Wat m' ook luste,
Zieleruste
Vond ik buiten Jezus niet.
Zoo zingt de vermoeide, wiens kracht vernieuwd is door het geloof in Hem, die zegt: Komt tot Mij. Hij kan volkomen zalig maken. Immers Zijn zoen-en kruisverdienste is een nimmer verdrogende fontein, uit welker volheid de Heilige Geest als de Toepasser telkens put om alle nooden en behoeften der vermoeiden, die tot Hem de toevlucht namen, volkomen te vervullen.
Een alleszins gepaste Zaligmaker, is Jezus Christus, die Zijn hartelijke genegenheid tot de vermoeiden en beladenen bewijst door die vriendelijke noodiging: »Komt herwaarts tot Mij!« Als Profeet kan en wil en zal Hij hen door Zijn Woord en Geest verlichten en leeren; als Priester heeft Hij hun schuld verzoend en wil Hij hun Voorspraak zijn bij den Vader; als Koning wil Hij hen trekken uit de macht der duisternis en hen de ware vrijheid deelachtig maken van het kindschap Gods.
Zalig de vermoeide en beladene ziel, die op Zijn noodiging, zooals die van Zijnentwege door alle gaarne getrouwe dienaren des Woords wordt uitgedragen, acht mag slaan en die tot Hem komt. Immers die zal het ervaren, bij zalige zielsbevinding, dat de Heere getrouw is en een waarmaker van Zijn Woord; dat Hij Koninklijk is in het beloven, maar ook in het vervullen er van. Daarom dan ook is het alle eeuwen door aan David nagezongen, gelijk ook wij het nu willen doen, en God geve in Zijne genade, dat het maar in oprechtheid des harten geschieden moge door velen:
'k Bekende, o Heer', aan U oprecht mijn zonden,
'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden;
Maar ik beleed, na ernstig overleg,
Mijn booze daan;
Gij naamt die gunstig weg;
Dies zal tot U een ieder van de vromen,
In vindenstijd met ootmoed, smeekend komen.
Een zee van ramp moog' met haar golven slaan,
Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.
(Slot volgt).
*) Met weglating van wat verband hield met de bijzondere omstandigheden, bevat deze meditatie in hoofdzaak wat door mij werd gesproken bij mijn eerste ambtelijke bediening des Woords te Veenendaal op Zondag 27 juli (sec!- moet zijn juni) l.l.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's