GEESTELIJKE OPBOUW
Het Calvinisme (25)
De tweede redactie. Op den 26sten September werd het voltooide Ontwerp aan den Raad voorgelegd en daar gelezen. Het onderzoek zou den 28sten plaats vinden. Maar in de zitting van den 28sten ontbraken zooveel leden van den Raad, dat men de aangelegenheid tot den volgenden dag uitstelde. De ontbrekenden — het waren de stadsadvocaat B a n d i è r e en negen raadsheeren, daaronder een lid van de commissie, Claude de Roset — werden aan hun eed herinnerd; en hun werd een berisping gegeven. Den 29sten begon het onderzoek, een aantal artikelen werd aangenomen, anderen werden afgestemd. Dan wordt van deze aangelegenheid geen melding meer gemaakt in de notulen, en deze onderbreking duurt vier weken.
Hoewel uit deze feiten kan worden afgeleid dat er een sterke oppositie bestond en Calvijn onmogelijk geheel onwetend van den stand der zaken kon blijven, was hij toch op den 15den October nog zonder groote bezorgdheid over den afloop. Hij schreef toen aan Butzer: "Het Ontwerp der Kerkordening, dat wij opgesteld hebben, kan ik nu niet zenden. Wij hebben het, veertien dagen, nadat wij de opdracht gekregen hadden, aan den Raad voorgelegd. Nog hebben wij geen antwoord ontvangen. Ook heb ik er niets tegen, dat zij zich zoo weinig haasten: des te zekerder, hoop ik, zal het zijn, wat zij ons zullen toestaan. Opdat zij niet aan het een of ander aanstoot nemen, heb ik hen uitgenoodigd, dat ze, indien ze dat goed achten, de zaak eerst aan de Duitsche Kerken konden voorleggen en niets vaststellen, wat die niet goedkeuren. Ik vermoed, dat ze het zullen doen. Dan stuur ik je binnenkort het Ontwerp".
Men ziet, Calvijn gaf toe, dat wel een en ander in zijn Kerkordening den heeren van den Raad vreemd en bedenkelijk zou kunnen zijn; maar hij was er zeker van, dat ze met alles zouden instemmen, als ze vernamen, dat niets door Calvijn was verzonnen, maar alles met de kerkelijke opvatting der bestaande Protestantsche gemeenten overeenkwam en de instemming had van de kerkelijke leidslieden.
Inderdaad, de maandelijksche viering van Avondmaal, het groote aantal predikingen op Zon-en werkdagen, het Catechismusonderwijs aan kinderen op Zondag, de periodieke wederzijdsche censuur der predikanten, het huwelijksgericht, ook de afgewezen wijding der predikanten door handoplegging, zelfs het gebod, dat de Doop en huwelijksinzegening slechts voor de saamgekomen gemeente aan het begin der dienstoefening zouden plaats vinden, en meer andere bepalingen, steunen op het beeld van andere kerken. De ban vormt een uitzondering. Al is echter deze elders ook slechts bij uitzondering ingevoerd en nergens geregeld toegepast, toch wordt invoering door de voornaamste theologen evangelisch en van God geboden genoemd en zeer wenschelijk geacht; of, indien de ban, naar het voorbeeld van Zwingli, onder een christelijke Overheid niet noodzakelijk wordt geacht, zoo wil men hem toch nergens ontoelaatbaar noemen. Ook de voor de uitoefening van de kerkelijke tucht op de zeden bestemde Overheid, in het bijzonder haar samenstelling uit geestelijken en leeken, is niet rechtstreeks een uitvinding van Calvijn. Oecolampadius wilde hetzelfde in Basel, en de invoering van de »banmeesters« in 1530 gebeurde met de bedoeling, aan zijn wensch te voldoen.
In Ulm werd onder Butzers invloed in 1531 het college der »dienaren van christelijke tucht» uit twee predikanten, vier raadsheeren, vier gemeenteleden samengesteld. Nog in den zomer van 1541 op den Rijksdag va.n Regensburg, in tegenwoordigheid van Calvijn en Butzer, heeft M e l a n c h t o n 't voorstel gedaan, in de Duitsche bisdommen rechtercolleges uit geestelijken en leeken te vormen, voor controle op de kerkelijke zaken en vooral ter uitoefening van den ban. Het komt geheel met de Calvinistische Kerkordening overeen, als hij voorschrijft: ze moeten het banvonnis tegen den schuldige slingeren en tegelijk de burgerlijke Overheid hun vonnis meedeelen.
Alles tezamen genomen, mogen wij met volle zekerheid aannemen, dat, wanneer Butzer zijn plan had uitgevoerd, zijn vriend naar Geneve vergezeld en samen met hem de verordening van de Kerk van Geneve had opgesteld, er een geheel gelijksoortige wetgeving als de nu aanwezige zou ontstaan zijn.
Wij maken een uitzondering. Afgezien van de conclusies, die wij uit het document zelf trekken, hebben wij over den inhoud der besprekingen, die gedurende die weken in Geneve over de Kerkorde gehouden werden, slechts één gegeven. Naast Calvijn en Viret zaten in de commissie de drie predikanten Henri de la Mare, Jacques Bernard en Ami Champeraux. »Deze hebben«, zoo vertelt Calvijn eenige maanden later, »toen in de commissie over de kerkelijke rechtbank gehandeld werd, met ons meegestemd, daarna echter hebben zij alle raadsheeren apart bezocht en hebben tegen hen beweerd dat ze zich niet moesten laten ontnemen, wat ze in handen hadden, dat ze de door God verleende macht niet moesten laten varen, geen aanleiding tot onrust geven en meer van dien aard. Wij mochten tegenover deze ontrouw niet zwijgen, maar hebben toch getracht, zonder kwade vrienden te worden, er over heen te komen. Nu hebben we een rechtbank van ouderlingen, die uitgevallen moge zijn, zooals 't wil, en tuchtwetten, zooals ze, de zwakheid van den tijd in aanmerking genomen, te bereiken waren. Geloof echter niet, dat wij zonder geweldige inspanning zoo ver gekomen zijn. Want overal heeft men met deze onheilige geesten te doen, die tucht noch orde kunnen verdragen, en om zich daaraan te onttrekken, alle voorwendsels te baat nemen, die geschikt zijn om het kerkelijk gezag afbreuk te doen!«
Wij begrijpen, dat een oppositie, aan welker bedekte manier van bestrijden ook de collega's van Calvijn deelnamen, zich richtte tegen de voorgestelde rechtbank voor de zeden, dat men de inkrimping afwees, die de macht der wereldlijke Overheid door de nieuwe instelling zou ondergaan. Nu bewijzen echter de veranderingen, die aan het Ontwerp zijn aangebracht, dat gelijksoortige bedenkingen ook tegen andere hoofdstukken van de wet openbaar werden, dat eigenlijk bijna al de beraadslagingen draaiden om de beveiliging van de staatsmacht tegen de bedenkelijke uitbreiding van de bevoegdheden der kerkelijke macht.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's