GEESTELIJKE OPBOUW
Het Calvinisme (26)
Terwijl wij nu de veranderingen zullen gaan opsommen, die aan het Ontwerp aangebracht zijn, noemen wij er in 't bijzonder één, die niet behoort in de reeks der beslissingen over kwesties tusschen Staat en Kerk. Het voorstel namelijk van het ontwerp, iedere maand het Avondmaal te vieren werd verworpen en de van ouds in gebruik zijnde regel gehandhaafd, die de viering van het Avondmaal, behalve op de groote feesten, op den eersten Zondag van September bepaalde, dus jaarlijks op 4 zondagen.
De overige veranderingen betreffen:
1. De namen der ouderlingen. Men verwijderde deze aanduiding van het kerkelijke ambt niet, maar stelde de staatkundige beteekenis der instelling in het licht door overal de aanduiding »afgevaardigden van den Raad« er bij te voegen.
2. De keus der onderwijzers. Het ontwerp bevat alleen de bepaling, dat den onderwijzer mag worden aangenomen onder voorafgaande goedkeuring der predikanten, laat echter na, te spreken over de zeggenschap, die de Raad in de benoeming van den onderwijzer heeft. De verandering ontneemt aan de predikanten hun aanspraak niet en vergroot veeleer hun bevoegdheden, doordat, zooals men het verband moet ver... aan hen het onderzoek opgedragen wordt. Maar tegelijk bepaalt de verandering dat 't onderzoek in tegenwoordigheid van twee raadsheeren moet plaats vinden en de candidaat voor en na het onderzoek, aan den Raad moet worden voorgesteld. Zonder den wil van den Raad kan dus de man noch worden toegelaten tot het onderzoek, noch na het met goed gevolg afgelegde examen in de betrekking aangesteld worden, en over het examen oefent de Raad controle uit.
3. De keus der predikanten. De letter van het Ontwerp sluit de uitlegging niet uit, dat het medezeggenschap van den Raad in de benoeming van een predikant maar vorm is, en dat de geheele macht zich bevindt in handen van het college van predikanten. Tegen deze veronderstelling verzetten zich slechts twee nieuwe clausules. Eerstens de bepaling, dat vóór de verkiezing de man aan den Raad moet worden meegedeeld, d. w. z. voorgesteld, waardoor de Raad in staat gesteld wordt de verkiezing te verhinderen. Dan wordt door de inlassching »al naardat men het raadzaam zal achten«, de bevestiging van de keuze van het goedvinden van den Raad afhankelijk maakt.
4. De tucht over de geestelijken. Terwijl men bij de beide voorafgaande punten niet gedwongen is aan het Ontwerp de bepaalde bedoeling toe te schrijven, in de rechten van de wereldlijke Overheid in te grijpen, maar een verzuim kan aannemen, is het bij dit punt moeilijk, de verdenking af te wijzen, dat het Ontwerp voor de geestelijkheid een bevoorrechte positie heeft willen scheppen. Wanner namelijk het Ontwerp voor een reeks van misdrijven, waaronder zulke worden opgenoemd, die zonder tegenspraak voor den gewonen rechter behooren, zooals bijv. diefstal, den geestelijken overtreder verwijst naar het onderzoek en het vonnis zijner collega's en der ouderlingen, aan den Raad slechts de kennisneming van het gevelde vonnis en den plicht van afzetting van den schuldige toewijst, dan zal men moeilijk aan den wetgever de stilzwijgende onderstelling mogen toeschrijven, dat gelijktijdig met dit geestelijk proces of daarna, onderzoek en vonnis van den gewonen rechter moet plaats hebben.
Men heeft daarom met 't volste recht deze bepaling van het Ontwerp geschrapt. Maar ook in minder ernstige gevallen wilde men aan de geestelijke rechtbank niet de zelfstandigheid toekennen, die de volgende bepaling hem verleende; ook deze bepaling werd geschrapt. Wat in de plaats van de afgekeurde bepalingen moest treden, werd niet gezegd: er bleef hier vooreerst een leemte.
5. De rechtbank voor huwelijkskwesties. Het Ontwerp verlangt voor de afdoening van de huwelijksoneenigheden een aparte rechtbank, die in eerste en laatste instantie moet oordeelen: door den Raad ingesteld, maar van hem onafhankelijk, versterkt door geestelijke leden met adviseerende stem, dus een nieuwe Overheid van ongeveer hetzelfde karakter als de instelling van de tucht op de zeden, en evenals deze een steun van de kerkelijke macht in den staat. De verandering, die ten opzichte van dit punt besloten werd, keurt de instelling wel goed, maar beperkt haar macht tot het verhoor der partijen en laat slechts een geestelijken bijzitter toe. Het vonnis blijft den Raad voorbehouden.
6. De tucht op de zeden. Hier liet men het Ontwerp geheel onveranderd en keurde daarmede goed de invoering van den kerkdijken ban, de instelling van een college voor uitoefening van de tucht, de samenstelling er van uit geestelijke en wereldlijke leden, de bepalingen over de rechten er van, het optreden tegen overtredingen in geloofszaken en in levenswandel. Maar men voegde aan het slot den volgenden zin toe: »Wij hebben bepaald, dat de predikanten op geen rechterlijke macht aanspraak hebben, maar alleen de betreffenden te verhooren en de genoemde terechtwijzingen hebben uit te spreken, en naar aanleiding van hun rapport zullen wij het vonnis kunnen vellen, al naardat door het geval vereischt wordt«.
Het is zeker, dat deze zin geheel in strijd is met de opvattingen en bedoelingen van Calvijn, die overal, waar hij over het college voor uitoefening van de tucht spreekt, in brieven en in de Institutie, het een rechtbank noemt en haar in duidelijke bewoordingen rechterlijke macht verleent. Maar deze zin is ook in strijd met het Ontwerp, dat aan degenen, die toezicht op de zeden uitoefenen, niet alleen het recht van vermaning en terechtwijzing, maar ook dat van den ban verleent. Men had dit artikel dus moeten veranderen en in overeenstemming met het toegevoegde moeten brengen.
Met het oog op latere gebeurtenissen moet toch de mogelijkheid worden toegegeven, dat men den tekst van het Ontwerp zoo meende te kunnen uitleggen, dat het met den nieuwen slotzin niet in strijd was. Er staat namelijk nergens uitdrukkelijk, dat de ouderlingen of het college voor de uitoefening van de tucht den ban moeten uitspreken, maar er wordt herhaaldelijk gezegd: »men schelde hem van de Kerk«, of »hen moet aangezegd worden«. Natuurlijk kon met »men« niet de Raad bedoeld zijn, wat blijkt uit de woorden: »men schelde hem van de Kerk en geve hem aan de stedelijke Overheid op«. Men heeft toen de verklaring opgesteld: de aangifte aan den Raad moet daarom plaats vinden, opdat deze den ban al of niet goedkeure. Dat is niet juist: de aangifte was voor het geval van verzet tegen de leer of de verordening van de Kerk voorgeschreven en had ten doel, de Overheid aanleiding te geven, tegen den verachter der kerkelijke straf met dwangmiddelen op te treden. Zoo heeft later Calvijn terecht deze woorden verklaard. En wanneer men zich van deze uitlegging niets wilde aantrekken, dan bleef toch nog in zoover een tegenstrijdigheid tusschen Ontwerp en slotzin over, dat de rechterlijke macht van den kerkeraad, die van de goedkeuring van den Raad afhing, toch nog rechterlijke macht was, terwijl de slotzin absoluut geen rechterlijke macht wilde toelaten.
Wij kennen nu de twistvragen, die het Ontwerp van de Commissie deed ontstaan, en die de tegenstellling tusschen Calvijns bedoelingen en de opvattingen van de meerderheid in den Raad openbaarden. Wanneer wij ons den brief herinneren, dien Calvijn op 15 October aan Butzer zond, dan moeten wij zeggen, dat hij zich toen vergiste, door aan te nemen, alle mogelijke bedenkingen van den Raad te kunnen opheffen, door zich op het oordeel van de Duitsche kerken te beroepen. Hij zou 't beter getroffen hebben wanneer hij den heeren aangeraden had zich tot de Protestantsche overheden te wenden en van hun advies de beslissing afhankelijk te maken. Wij gaan echter nu verder en vermoeden, dat ook de leidende personen in de verschillende kerken juist in deze kwesties niet geheel met Calvijn overeenstemden, dat vooral Butzer, wanneer hij aan het totstandkomen van de wet voor de Kerk van Geneve meegewerkt had, aan den invloed van de wereldlijke Overheid een grootere speelruimte had gelaten en het voorzichtig zou vermeden hebben, een twist over de grenzen tusschen Kerk en Staat te doen ontstaan. Laten we zien, hoe de onder Butzers invloed ontstane Kerkorde van Ulm van 1531 den ban regelt. Wij weten reeds, dat daar, evenals in Geneve, een college van dienaren van de christelijke tucht uit geestelijken en leeken werd samengesteld. Wanneer iemand, zoo wordt dan gezegd, in zekere zonden viel, en dit tot ergernis van de Kerk bekend werd, moet een van de dienaars der christelijke tucht hem herhaaldelijk voor zich doen komen en vermanen. Dan moet de waarschuwing door twee of drie, daarna door alle acht plaatsvinden en ten laatste de zaak voor den Raad gebracht worden, opdat zulk een zondaar naar omstandigheden met tijdelijke straf getuchtigd, uit de stad verbannen of door den predikant in het openbaar van den kansel op bevel van den Raad afgekondigd worde als iemand, die de kracht van het christelijke leven verzaakt, van Christus afgevallen en den duivel toegevallen is. Verder moet hij uit de christelijke gemeente uitgesloten en uitgestooten worden. Wanneer hij zich betert en van den Raad gratie ontvangt, moet hij toch bij de acht afgevaardigden om wederopneming in de christelijke gemeente verzoeken. Deze stellen een zekeren tijd vast, om zijn berouw te onderzoeken en toont hij zich daarin oprecht, dan moet hij weer als een lid van Christus, met gemeenschap der heilige Sacramenten en anderszins worden erkend, en, indien hij in het openbaar werd uitgesloten, in het openbaar ook weer in de gemeente worden opgenomen.
De derde redactie.
Met de tweede redactie was het werk der wetgeving niet afgeloopen. Er moest nog een en ander glad gestreken worden en aangevuld. Wanneer de tweede redactie afgesloten was en wanneer het werk van de derde redactie begon, is niet vast te stellen. Toen de zitting van den 29sten September werd afgebroken, was men bezig met het hoofdstuk over de tucht op de zeden: bij de hervatting der beraadslaging op den 26sten October zeggen de notulen: »men ging voort, over den kerkeraad te beraadslagen«. Kerkeraad wordt in de notulen het college tot uitoefening van de tucht op de zeden genoemd, een aanduiding, die in het Ontwerp vermeden was. In den tijd tusschen zijn brief aan Butzer van den 15den October en het einde der beraadslaging in den Kleinen Raad op 3 November, valt de groote inspanning van Calvijn, »het geweldige zweet«, dat hem kerkeraad en tucht op de zeden gekost hebben.
De veranderingen, waartoe in de derde redactie besloten werd, betreffen:
1. De bevestiging van den predikant. Hier was door het wegvallen der handoplegging een leemte gebleven. Nu werd bepaald, dat de bevestiging door een prediking over het ambt zou plaats vinden, gevolgd door gebeden voor den bevestigde, dat de Heere hem schenke, de plichten van het ambt te vervullen.
2. De rechtbank voor huwelijkskwesties. Hier werd het college, dat apart voor huwelijiksoneenigheden was ingesteld, zooals door het Ontwerp was voorgesteld en door de tweede redactie, hoewel met een verandering, was aangenomen, geschrapt en de macht van het college, zooals die door de tweede redactie was beperkt, aan den kerkeraad overgedragen.
3. De verordening op de tucht voor de geestelijkheid. Hier wordt de leemte aangevuld, die bij de tweede redactie was ontstaan. Men maakt onderscheid tusschen de vergrijpen van wereldlijken aard, die strafbaar zijn volgens de wet en »de anderen, wier eerste onderzoek aan den kerkeraad toekomt«.
De eerste komen direct voor den raad, die den geestelijke straft als den niet-geestelijke, alleen, dat bij den geestelijke bij de gewone straf nog de ontzetting uit het ambt komt. De andere worden aan den kerkeraad overgelaten; toch moet deze rapport en vonnis aan den raad voorleggen, zoodat aan den raad het laatste vonnis over de straf blijft voorbehouden.
4. De tucht op de zeden en den kerkeraad. Hier wordt de slotzin van de tweede redactie, dat de predikanten op geen rechterlijke macht aanspraak mogen maken, geschrapt en vervangen door het volgende: "En dit alles moet op deze wijze plaatsvinden, dat de predikanten geen burgerlijke rechterlijke macht hebben, en slechts het geestelijke zwaard van het Woord Gods hanteeren, zooals de heilige Paulus hun voorschrijft, en dat door dezen kerkeraad aan het gezag van den raad en de gewone rechtbank in niets afbreuk worde gedaan, dat integendeel de burgerlijke macht ongeschonden blijve; en dat in het bijzonder, wanneer het noodig zal zijn te straffen of de betreffenden te dwingen, de predikanten met den kerkeraad, nadat ze de betreffenden verhoord en de passende terechtwijzingen hebben uitgesproken, alles aan den raad rapporteeren moeten, die op hun rapport voor het vonnis naar omstandigheden zal zorgen".
Dit is een voorzorg tegen elke inbreuk van den kerkeraad op de gewone rechterlijke macht van de Overheid. De geestelijke rechterlijke macht, zooals deze in de artikelen van het Ontwerp is vastgesteld, blijft volkomen onaangetast, ook; het banrecht van den kerkeraad. Zoo heeft Calvijn den zin opgevat en verklaard, en dit is de juiste opvatting.
De Hervormer heeft dus op het voornaamste punt, waarvan de ontwikkeling van het Calvinistische Kerkwezen uitging, een groote overwinning behaald. Hoe dat gebeurd is, welke mannen aan beide zijden den strijd hebben gevoerd, de wijze, waarop Calvijn persoonlijk zijn invloed heeft uitgeoefend, de motieven, welke tot den uitslag aanleiding gaven en welke hem vertraagd hebben, daarover is niets overgeleverd. Wij weten alleen, dat de strijd heftig was: Calvijn zegt ons, dat de zaak hem veel zweet gekost heeft; en nog overtuigender luidt de bittere charakteristiek, die hij aan zijn tegenstanders wijdt. Wij mogen echter niet nalaten, hierbij te voegen, dat ook de laatste redactie van den slotzin gebrekkig is. Daar het om niets anders dan om het banrecht gaat, zoo had, ter wille van de volle duidelijkheid en om allen twijfel uit te sluiten, het banrecht hier uitdrukkelijk vermeld en den kerkeraad verleend moeten worden. Zooals nu de woorden staan, is het altijd mogelijk, in het zwaard van het Woord Gods, dat den kerkeraad wordt toegewezen, niets anders dan 't recht der vermaning en terechtwijzing te zien, daarentegen de weigering van het Avondmaal als straf en dwang op te vatten en daarom tot die onderwerpen te rekenen waarover de kerkeraad alleen maar te rapporteeren, de Raad te vonnissen heeft.
Kennelijk berust het op zulke overwegingen, dat spoedig na de afkondiging van de Kerkverordening en later weer tot den grooten strijd van 1553 de bewering in Geneve kon opkomen, dat de Kerkverordening het banrecht niet aan den kerkeraad, maar aan den Raad toekende.
De beëindiging van het werk.
De beraadslagingen in den Kleinen Raad werden op den 3den November ten einde gebracht, daarna de Kerkverordening op den 9den November aan den Grooten Raad voorgelegd. De eisch der predikanten, te voren van de veranderingen in den tekst in kennis te worden gesteld, werd afgewezen. De Groote Raad besloot tot eenige veranderingen. De vermelding waard is o.a. het besluit, dat er in de Kerkverordening over de doopvonten niet zal worden gesproken: blijkbaar een naklank uit de twisten om de Berner ceremoniën. Werkelijk is in de Kerkverordening de bepaling betreffende de doopvonten, geschrapt. Een ander besluit luidde, dat aan den kerkeraad een stadsadvokaat zou worden toegevoegd. Dit voorschrift is niet in de Kerkverordening overgegaan, maar toch in werkelijkheid uitgevoerd. Een ander besluit schijnt te beteekenen, dat de aanduiding helpers geschrapt, alle geestelijken op dezelfde wijze dienaren des Woords zouden worden genoemd. Dit is niet tot uitvoering gekomen, noch in de Kerkverordening, noch, ten minste in de eerste jaren niet, in de practijk.
Voor het overige werd de Kerkverordening goedgekeurd. Ten slotte, op den 20en November, gaf de gemeente haar instemming, zonder dat er een protest vernomen werd!
Faktoren en karakter der Kerkverordening.
1. De Kerkverordening ontstond uit de samenwerking van Calvijn met de Overheid, zonder dat de burgerij daaraan deelnam.
De geheele beraadslaging had plaats in de commissie, in den Kleinen Raad en in vertrouwelijke besprekingen tusschen raadsheeren en predikanten. Slechts twee leden van den Grooten Raad werden de commissie toegewezen. De beraadslagingen waren geheim: Calvijn mocht Butzer het Ontwerp niet meedeelen. De voltooide wet werd aan den Grooten Raad voorgelegd; zijn tegenwerpingen waren onbeduidend, betroffen dingen van minderen rang en ze werden slechts gedeeltelijk in aanmerking genomen. De gemeente hoorde dan de wet voorlezen en gaf zonder protest haar goedkeuring.
2. De leidende staatslieden begunstigden de eischen van Calvijn.
Zij hebben de beroeping van Calvijn door gezet en zijn nu bereid, op de voorwaarden in te gaan, van welke hij zijn blijven afhankelijk maakt, bijzonderlijk hem het kerkelijk college tot uitoefening van de tucht op de zeden toe te staan. De commissie voor de Kerkverordening wordt zoo samengesteld, dat haar meerderheid zich zonder uitzondering aan de eischen van Calvijn onderwerpt. Calvijn is daarna zeker van zijn zaak en laat zich door de lange vertraging niet van de wijs brengen.
De eischen van de den Staat goedgezinde oppositie worden bevredigd, terwijl daarbij de kerkelijke belangen zorgvuldig worden ontzien. De hoofdkwestie wordt door een compromis bijgelegd, waarbij Calvijn zich rustig kan neerleggen.
Ten slotte kan uit zekere gebreken en leemten der Kerkverordening opgemaakt worden, dat Calvijn in het vaste vertrouwen leeft, ook in de toekomst van den bijstand van den Raad zeker te zijn. De Raad heeft in de verordening het recht, de geestelijken af te zetten: Calvijn verzuimt naar waarborgen tegen willekeur van den Raad te zoeken. De hulp van den Raad tegen verachters der Kerk en harer leer is noodzakelijk; Calvijn heeft in het memorandum van 1537 nog duidelijk op de noodzakelijkheid van bepaalde voorschriften van den Staat voor dit doel gewezen: de Kerkverordening vindt het voldoende, de aangifte aan den Raad te eischen en laat het verdere stilzwijgen aan de beoordeeling van den Raad over. De opvallende bepaling, dat bij meeningsverschillen over de leer tusschen de geestelijken ten slotte de Overheid orde moet scheppen, mag men niet zoo verstaan, alsof aan de Overheid in laatste instantie de beslissing over de leer werd overgelaten. Neen, Calvijn beslist, en als een ander zich hardnekkig tegen hem verzet, dan moet de regeering tusschen beide komen en de orde herstellen. Wanneer hij niet geweten had, dat zij zich in deze rol zou schikken, dan zou hij een anderen uitweg hebben gezocht, bijvoorbeeld in de richting van synodale venbinding met de andere Evangelische Kerken, waaraan hij vroeger — in den strijd met de onvriendelijke regeering van 1538 — werkelijk heeft gedacht.
3. Een machtige godsdienstige opwekking in Raad en burgerij, een opvlammen van vroomheid-en godsdienstzin heeft bij de totstandkoming der Kerkverordening, — voor zoover wij weten — niet plaats gevonden.
De beroeping van Calvijn is voornamelijk uit politieke oogmerken, daarnaast uit den wensch naar herstel van het erg verwarde kerkwezen ontstaan. Onder de mannen van aanzien kennen wij er een van een sterk evangelisdhe overtuiging en oprechte vroomheid: dat was Ami Porral. Guillermins waren er nog genoeg; zij hielden nu en later aan de oude partijinstellingen vast en waren met het behouden der doopvonten en der vier Bernsche feesten niet tevreden. Maar de leden der commissie, die bijna allen voor dien tijd aan het hoofd der partij hadden gestaan, hebben het toch niet noodig geacht deze bepalingen in de Kerkverordening te brengen; het oude vuur was dus niet meer aanwezig. Evangelische gezindheid en belangstelling in kerkelijke dingen mag men ongetwijfeld bij een groot deel der bevolking veronderstellen. Waren echter nu, zooals ons bij de buitengewone gebeurtenis natuurlijk zou lijken, Raad en burgerij opnieuw door den gloed van kerkelijke geestdrift aangegrepen, dan zou de verwerping der handoplegging en der maandelijksche Avondmaalsviering niet mogelijk geweest zijn. Niet zonder reden klaagt Calvijn herhaaldelijk over de zwakheid van den tijd, dat is over het tegendeel van toewijding en vuur.
4. De Kerkverordening verleent aan de Kerk een ongewone mate van onafhankelijkheid en kracht.
De geestelijken bezitten het initiatief in de bezetting der Kerk- en schoolambten en niemand kan tegen hun wil in dezen kring Door den kerkeraad verkrijigt de Kerk een ongehoorde macht. Was de latere ontwikkeling vooruit gezien, dan had de Raad zijn toegevendheid jegens Calvijn wel niet zoo ver gedreven. Maar de letter der verordening opende veeleer aan den Raad het uitzicht, de nieuwe macht met de geestelijkheid te deelen, en wel de grootste helft voor zich te nemen; want de twaalf door hem te kiezen leekenleden waren de meerderheid. Calvijn heeft later uitdrukkelijk op dezen toestand gewezen, om het ongevaarlijke van de instelling te bewijzen, en zal ook nu niet verzuimd hebben hetzelfde argument aan de bezorgden voor te houden. Pas de ervaring kon toonen, of deze meerderheid tegen het geestelijke overwicht der predikanten en tegen de natuur der dingen zou stand houden. Het ambt was nu voor kerkelijk gezinde mannen begeerlijk, de benoeming had plaats onder advies van de geestelijkheid; de jaarlijksche wisseling der personen, dus de mogelijkheid van een vernieuwing en versterking van den invloed der Overheid, wordt door de verordening slechts als uitzondering toegelaten. In den nauw gesloten kring van mannen, die door de uitoefening van hun bevoegdheden boven de bevolking geheven en van haar vervreemd werden, is het ontstaan van een corporatiegeest te verwachten, die zich in den dienst der Kerk zal stellen.
5. De Kerkverordening legt aan 't volk van Genève een ongewoon en zwaar juk op. Wij meenen de tucht op de zeden. Het buitengewone ligt allereerst daarin, dat de kerkelijike tucht op de zeden, die elders in hoofdzaak theorie bleef, in Geneve practijk werd. Maar ook de theorie was nergens elders zoo ver gegaan, als in Genève de practijk. De Geneefsche zedentucht berust in 't algemeen op het gemeenschappelijke bewustzijn van de nieuwe Evangelische gemeenten en mocht zich op het voorschrift des Heeren, Matth. 18, volgens de traditioneele uitlegging van deze plaats, beroepen. Maar in het gebruik maken van deze uitlegging overvleugelt deze zedentucht alle tot nu toe geldende theorie en overschrijdt de maat van het toelaatbare. Terwijl elders slechts de bekende en openlijk aanstoot gevende zonden als voorwerp van de burgerlijke of van de kerkelijke rechtbank worden aangeduid, moet de ouderling in Geneve zijn oogen overal in zijn wijk hebben, den levenswandel van ieder in het bijzonder, nagaan en ook op de verborgen zonden letten. Hij is tot spion aangesteld. Allereerst moet hij tegen het geheime ook in het geheim optreden. Verzet echter de zondaar zich tegen zijn vermaningen, dan treedt hij als aanklager op. In de rechtbank, waarvoor de zondaar gedaagd wordt, gaat de aanklager naast de anderen als rechter zitten. Dit systeem wordt verscherpt door de instelling, dat iedere week op Donderdag, de kerkeraad moet vergaderen. De machine is dus op geregelden en ononderbroken arbeid ingericht, en de leden van den kerkeraad ontvangen van ambtswege de aansporing iedere week het bewijs van hun plichtmatige zorg te leveren. In de eerste jaren gaf de plagerige naspeuring van de vaak echt onschuldige overblijfselen van katholieke gewoonten aan het nieuwe gerechtshof de overvloedigste stof. Daarnaast ontstond langzamerhand als practijk van het nieuwe gerechtshof, voor de openbare zondaars een verdubbeling of onder omstandigheden zelfs een verdriedubbeling van het gebruikelijke gerechtelijke proces. Bracht het onderzoek van den kerkeraad een schuld aan het licht, die voor den burgerlijken rechter hoorde — en volgens de wet van Geneve behoorden de verboden dansen en spelen, brasserij, misstappen in het geslachtelijk verkeer voor de wereldlijke rechtbank —, dan werd de schuldige aan de Overheid in handen gegeven en 't tweede rechterlijke proces volgde. Anderzijds, als de wereldlijke rechtbank een straf had uitgesproken, dan was het de plicht van den kerkeraad, al naar het geval vereischte, de weigering van het Avondmaal er aan toe te voegen, wat gevoeglijk niet zonder een nieuw rechterlijk proces, verhoor, vermaning, vonnis, kon geschieden.
De onderwerping van een vrij volk onder zulke instellingen lijkt ons zoo opvallend, dat wij de vermoeidheid en de verslapping der Geneefsche burgers na de voorafgegane wilde uitspattingen der democratie als verklaring moeten gebruiken. Waarschijnlijk echter was aan den Raad, die zich deze gebeurtenissen nog levendig herinnerde, iedere versterking der rechterlijke macht welkom. Aan de mogelijkheid, dat 't nieuwe, scherp onderzoekende gerechtshof, zich ook tegen de leden der regeerende families zou kunnen keeren, heeft men, naar het schijnt, toen niet gedacht.
6. De Kerkverordening komt met de eischen van Calvijn niet geheel overeen.
Wij hebben een aantal punten gevonden, waarin de hervormer heeft moeten toegeven. De tuchtverordening behoort daar niet bij: veeleer heeft hij in den strijd daarover de overwinning behaald. Toch noemt hij juist deze verordening een onvolkomen, werk, welker gebreken hij met de zwakheid van den tijd verontschuldigt. Wat hij er in miste, is een vraag, voor welker beantwoording onze onderzoekingen ons geen steun geven. Pas de volgende jaren geven daarover opheldering.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's