De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

25 minuten leestijd

Calvijn — Servet.
            II
Het beruchte proces.,
De feiten van de procedure-Servet hebben wij thans in ordelijk verhaal voor te stellen en daarbij met name te onderzoeken in hoeverre Calvijn's persoonlijke gedragingen afkeuring verdienen.
Wie was Servet ?
Michael Servet of Serveto werd waarschijnlijk in 1509 te Villa Nova, een plaatsje in het koninkrijk Arragonië, in Spanje, geboren. Aan de universiteit te Toulouse studeerde hij in de rechten en bracht in 1530 zijne studiën ten einde. Tijdens zijn verblijf aan de hoogeschool te Toulouse ontwaakte bij hem eenige sympathie voor de Reformatie, maar tot eene uitwendige breuk met Rome kwam 't niet.
Zijn zucht om zich nadere bekendheid te verschaffen met de Reformatie, dreef hem naar Bazel en Straatsburg, waar hij betrekkingen aanknoopte met Oecolampadius, Bucer, Micronius, die hem vriendelijk ontvingen en hem bereidwillig ter zijde stonden bij zijne theologische studiën. Hij vervreemdde deze mannen echter van zich toen hij, de 22-jarige jongeling, in 1531 een geschrift uitgaf, waarin allerlei verwarde denkbeelden werden verkondigd en op hoogst krenkende wijze tegen enkele Reformatoren werd uitgevaren. Zijn ijdel, trotsch karakter en dweepzieke geest maakten hem voor elke overreding onvatbaar en zoo verliet hij onverzoend Duitschland om na allerlei omzwervingen onder den schuilnaam Villanovanus — naar zijn geboorteplaats Villanova — waarvan hij zich in het vervolg bedient als corrector bij de firma Frechsel in Lyon, dienst te doen.
Een avontuurlijk leven werd door hem geleid. In Parijs hield hij zich met medische studiën bezig; hij zwierf van de eene plaats naar de andere, woonde te Avignon, Lyon, Charlieu en eindelijk te Vienne, waar — naar vrij algemeen verluidt — door Calvijn's intrigeeren een proces tegen hem wegens kettersche leeringen gevoerd werd, dat zijn veroordeeling tot den vuurdood ten gevolge had. Door te vluchten maakte hij de uitvoering van het vonnis onmogelijk, op zijn vlucht kwam hij te Geneve en hier werd het laatste bedrijf uit zijn stormachtig leven afgespeeld.
Op 22-jarigen leeftijd dan, gaf Servet een geschrift uit, dat in de kringen zijner Gereformeerde vrienden heftige verontwaardiging wekte. Die verontwaardiging was begrijpelijk. Tegen het leerstuk der Heilige Drievuldigheid richtte hij zijn aanval op eene wijze, die ergernis moest verwekken.
Hij loochende, dat in het Goddelijk Wezen drie personen zijn te onderscheiden, maar zag in den Zoon en den Heiligen Geest slechts uitstralingen van Gods wezen, waardoor Hij met de menschen in verbinding treedt. Is eenmaal Gods rijk op aarde gevestigd, dan houden Zoon en Geest op te bestaan en zij verdwijnen in het Wezen van God, die alleen, eeuwig is.
Dit vormt de hoofdgedachte van zijn boekje, en ware die hoofdgedachte kalm en ernstig ontwikkeld, gedachtenwisseling zou mogelijk zijn geweest. Maar de verdediging van zijne stelling was gespeend aan allen zedelijken ernst: aan de Kerkvaders werden de heftigste scheldnamen toegevoegd, met de heiligste zaken werd op gruwelijke wijze de spot gedreven. Bij diezelfde houding bleef hij volharden, toen hij zich later in allerlei theologische studiën verdiepte en zich telkens tot de voormannen der Reformatie wendde om hen van de voortreffelijkheid zijner denkbeelden te overtuigen.
Ook met Calvijn trad hij in connectie; deze werd overstroomd met brieven, waarin hem eene reeks vragen werd voorgelegd. Eerst werden die brieven beantwoord, trachtte Calvijn hem terecht te wijzen en beproefde hij eenige helderheid in zijn verwarde voorstellingen te brengen. Toen het hem echter duidelijk werd dat alle pogingen vruchteloos moesten blijven, daar hij niet met eene zoekende ziel, die dorstte naar klaarheid, maar met een verward heet hoofd, die uit ijdelheid allerlei paradoxale stellingen opwierp, te doen had, staakte hij de correspondentie en verwees eens voor goed naar zijne Institutie, waar zijne denk­beelden te lezen waren. Op eene dergelijke wijze te worden afgescheept, griefde den ijdelen man ten zeerste, een diepen wrok vatte hij tegen Calvijn op, de grofste beleedigingen werden hem naar het hoofd geslingerd, zijn Institutie hem met allerlei spottende en beleedigende aanteekeningen toegezonden.
Natuurlijk, dat door dit alles Servet ook aan Calvijn verre van sympathiek was en in de correspondentie der Reformatoren wordt hij dan ook door de hervormers, die hem kenden, in allesbehalve zachte kleuren afgeschilderd.
Servet liet het echter niet bij het zenden van brieven en aanteekeningen op de Institutie, maar schreef ook een groot boek over de Herstelling van het Christendom, waarmee hij in 1546 gereed was. Een afschrift van 't manuscript zond hij aan Calvijn toe en dit werk nu is de aanleiding geworden tot de beruchte procedure, die zooveel pennen en monden in beweging gebracht heeft.
De hoofdgedachte, door hem in zijn geschriften over De dwalingen der Drievuldigheid behandeld, keert ook in dit boek terug. Weer noemt hij den God, die alle Christelijke Kerken aanbaden, een »driekoppige helhond« en betitelt hij de drie personen in het Goddelijk wezen drie uitvindingen des duivels. Nog verder drijft hij zijn onheiligen spot. Tot bestrijding van de leer, dat de Zone Gods eeuwig is, zegt hij o.a.: »Waar heeft God toch eene vrouw gehad? Of is Hij zelf van beiderlei sexe? Kan iets anders dan vleesch en bloed genereeren? « De menschwording Gods tracht hij belachelijk te maken door b.v. te schrijven: »Als het Woord eens in eene vrouw vleesch geworden was, dan zou dus de Zone Gods een manvrouw geweest zijn«.
Naast de vermelding van deze spotternijen, die reeds — zij 't ook op kleinere schaal — in zijn eerste geschriften worden gevonden, moet ook nog worden opgemerkt, dat De Herstelling van het Christendom zich van zijn vorige boeken daardoor onderscheidt, dat het elementen bevat, die sterke verwantschap vertoonen met wat in Anabaptistische kringen geleerd werd. Den Kinderdoop noemt hij »een vervloekte gruwel, een moord van den Heiligen Geest, een verwoesting van de gemeente Gods«.
Ook apocalyptische visioenen en ideeën waren hem niet vreemd. Denkende aan zijn voornaam Michael, beroept hij zich telkens op Daniel's profetie omtrent de verlossing van Gods volk, verwijst hij daartoe naar de woorden uit den Bijbel: »En te dier tijd zal Michael opstaan, die groote vorst, die voor de kinderen uws volks staat«, herinnerde hij aan het visioen van Johannes, die Michaël en zijne engelen krijg zag voeren tegen den draak. En , dan sprekend over den val van den anti-christ, die nabij is voelt hij, Michael Servet, zich geroepen als de worstelaar bij uitnemendheid tegen den draak.
Was het wonder, dat Calvijn het boek vol ergernis las en bij zijne naaste vrienden zijn hart luchtte over zooveel geestdrijverij en afdwaling? Openlijk tegen hem optreden achtte hij onnoodig, zoolang de schrijver zijn werk niet in het licht gaf, kon hij geen kwaad stichten en dies mocht Calvijn zwijgen. De uitgave van 't boek toefde lang, menig drukker, die dergelijke godslasterlijke taal niet wilde helpen verspreiden, maar eindelijk toonde een zich op voorwaarde der stiptste geheimhouding bereid het werk te drukken en zoo verscheen het in 1 5 5 3 in 800 exemplaren. De naam van den schrijver werd niet genoemd en zoo waande Michael Servet, die als Villanovanus te Vienne vertoefde, zich volkomen veilig. Die waan was echter van korten duur, want spoedig deed zich een incident voor, dat Servet in gevaar bracht en bij dit incident nu heeft Calvijn zich doen kennen als een man, die, naar het oordeel van een zijner biographen, eeuwig als een lafhartig, karakterloos verrader mag worden betiteld.
Wat toch geschiedde?
Te Geneve woonde een aanzienlijk protestantsch burger Guillaume Trie, een vriend van Calvijn, die in drukke briefwisseling stond met zijn neef Antoine Arneys te Lyon, die zich aan de Roomsche hiërarchie bleef onderwerpen. Beide, oprechte mannen in hun geslacht, roerden in hunne correspondentie ook terdege de kerkelijke kwestie aan en Arneys trachtte zijn bloedverwant Trie van de Reformatie terug te brengen. Trie wees daartegenover op de schrikkelijke misbruiken, welke in de Roomsche Kerk heerschten en als bewijs van hare tuchteloosheid vermeldde hij het feit, dat te Vienne, vlak bij Lyon, Michael Servet, die daar onder den naam Villanovanus woonde, geheel ongemoeid werd gelaten en zulks niettegenstaande hij een boek had uitgegeven, waarin de ergerlijkste ketterijen voorkwamen. Arneys, een vroom Roomsche, schrok over dien smaad, zijne Kerk aangedaan, en toonde aanstonds den brief aan den inquisiteur, die Villanovanus direct aan 'n streng verhoor onderwerpt en huiszoeking bij hem doet, maar niets verdachts wordt bij hem gevonden en met de duurste eeden bezweert Servet zijne onschuld: nimmer heeft hij theologische werken geschreven. Ook de drukker, die genoemd werd, ontkende, en zoo ging Villanovanus vrijuit.
Trie in Geneve wordt van dezen .. der zaak in kennis gesteld en hij voelde zoo dat de indruk moest worden gevestigd of hij lichtvaardig Rome beschuldigd had. Die indruk nu wilde hij uitwisschen en in een dringend verzoek uit Vienne zoekt hij Calcijn te bewegen hem de brieven van Servet en het afschrift van de Herstelling van het Christendom af te geven. Calvijn weigerde eerst beslist, maar na aanhouden van Trie geeft hij hem de brieven en enkele bladzijden uit het  geschrift. Deze bewijsstukken werden door Trie naar Vienne gezonden en weer werd Servet voor den rechter geroepen. Weer ontkende hij en toen de eigenhandig geschreven stukken werden voorgebracht, trachtte hij deze bezwarende getuigen te ontzenuwen door het voor te stellen dat hij, Villanovanus, toen hij ... was, veel van zekeren Servet had horen spreken, wiens boekjes hij ook las. Toen wilde hij het oordeel van Calvijn over deze geschriften weten en om dat te leeren kennen deed hij alsof hij de schrijver was en nam geheel de rol van Servet op zich. Zo waren die brieven in de wereld gekomen. Zijn romantisch verhaal maakte weliswaar indruk op den rechter, eindelijk viel hij door de mand en toen verklaarde hij zich bereid alles te herroepen en zich in alle ... aan "het besluit der Heilige Moederkerk te onderwerpen". Dit alles baatte echter niet - het vonnis luidde, dat hij op de ... met een langzaam vuur tot asch zoo worden verbrand.
Dat dit vonnis nu, waarbij werd vonnis gedaan op bewijsstukken door Calvijn geleverd, tot. »eeuwige schande« van de reformator strekt,  moet zoo beslist worden tegengesproken.
Dat hij de brieven gaf, kan hem niet euvel worden geduid, wanneer men beseft dat Trie ze slechts met "de grootste moeite" ontving, toen deze door een ...baar lichtzinnige beschuldiging in opspraak dreigde te komen, en zoo men in aanmerking neemt dat de correspondentie tussen Calvijn en Servet volstrekt geen ... tiëel karakter droeg, daar Servet in zijn verschenen boek een groot aantal tusschen hen gewisselde brieven liet optekenen.
Niet op de schending van het vertrouwelijke der brieven berust dan ook de beschuldiging tegen Calvijn, maar zij gaat uit van de veronderstelling, dat de reformator als een aartshuichelaar gehandeld heeft met brieven door hem aan Trie gedicteerd en de val, waarin Servet liep, dus bewust heeft opgezet.
Het bewijs der beschuldiging zoekt men te leveren door te wijzen op het grootte aantal theologische uitdrukkingen, waarvan Trie zich bedient, die een ongeleerde nimmer zou gebruiken, en vooral ... gewagen van den haat, welke Calvijn tegen den man, die hem zoo dikwijls beledigde, moest bezielen.
Beide gronden zijn onhoudbaar. De uitdrukkingen van Trie zijn gezegden, die door ieder ontwikkeld man, die met de kerkelijken strijd dier dagen meedeed, konden gebezigd worden. En het verwijt alsof Calvijn uit wraakzucht de ... op touw zou hebben gezet, valt aanstonds ... wanneer men bedenkt, dat het boek al 7 jaren in zijn bezit was en hij dus, ... dergelijke onedele motieven hem ... reeds veel vroeger zijn boozen haat bot zou hebben gevierd. En ten slotte ... Calvijn zelf, toen reeds tijdens zijn ... zijne vijanden hem beschuldigden de aanstoker van het Vienner proces te zijn geweest, dit zoo beslist mogelijk ontkend hebben, bestaat er geen enkele reden om zijne waarheidsliefde in twijfel te trekken. Overtuigend is ook de vraag: Waarom zou ik, indien het zoo ware, den moed niet gehad hebben om dit gulweg te erkennen, ... openlijk betuig, dat Geneve op mijn aanklacht tegen hem is opgetreden?
Op wat te Geneve voorviel, ... zoo tot vaststelling van Calvijn's ... tegenover Servet het oog worden geslagen. Over Geneve handelt ons slotartikel.
(Wordt voortgezet)

Kerk en Maatschappij
Op den Theologischen Schooldag onlangs te Kampen gehouden, heeft ... J. Schouten, lid van de Tweede Kamer en wethouder van Financiën te Rotterdam gesproken over bovenstaand onderwerp. Van dit referaat is een breed verslag in de kerkelijke bladen opgenomen en we willen gaarne de kolommen van ons blad beschikbaar stellen voor dit ... woord van den hooggeachten heer Schouten, terwijl we de punten, die bij de discussie ter sprake kwamen, mee ver...
De heer Schouten sprak dan ongeveer aldus:
»Onze eerste vraag moet zijn: «Wat verstaan we onder Kerk en wat verstaan we onder Maatschappij?«
Wat de Kerk betreft: de Catechismus geeft in vraag 54 op die vraag een antwoord. Dit antwoord is ons uitgangspunt. De kerk is de belijdende gemeente ... instituut voor den dienst des Woords vergaderd.  En onder Maatschappij ... spreker in het verband van zijn ... het geheel van organen, organisaties en ... voorzieningen in de stoffelijke behoeften van den mensch. Men kan het ook ruimer nemen, maar zoo is het hier bedoeld. Raken Kerk en Maatschappij elkaar? 
Sommigen redeneeren deïstisch of rationalistisch of overgeestelijk. De Kerk moet volgens hen blijven voor de binnenkamer; voor strikt persoonlijk leven. Maar volgens ons is de dienst Gods universeel; hij omvat het geheele leven. De Kerk moet Gods licht over heel het leven doen schijnen. Een volstrekte scheiding van geest en stof, geestelijk en natuurlijk leven is onbijbelsch. Wie aan den Kerk alleen voor het zieleleven van den individu doch niet voor het gansche aarde... ven beteekenis willen toekennen, laten zich leiden door een verkeerd, vaak egoïstisch beginsel.
Anderen zeggen: het stoffelijke over­heerscht in het leven en daarom staat de Kerk los van de maatschappij. Volgens hen is het zijn van den mensch de beslissende macht in het geestelijk bestaan.
Anderen, nog verder gaande, zien de Kerk als een sta-in-den-weg tegenover de maatschappij. De Kerk is als bovenbouw uit het vroegere maatschappeliike leven opgekomen. Van dat maatschappelijk zijn is de Kerk afhankelijk. Nu die onderbouw moet bestreden worden, moet ook de Kerk uit de weg, want zij is gebonden aan de vroegere maatschappij, vijandin van den vooruitgang, dienares van het kapitalisme. Daarom moet hier de Kerk weg. Men kent hier de taal der sociaal-democratie.
Evenwel, ook hiertegen gaat onze strijd. De Kerk is geen resultaat van maatschappelijke verhoudingen in een bepaalden tijd, doch vrucht van Christus werk. De Kerk staat tegenover de maatschappij volkomen vrij. Aan Christus' wet en ordinantiën is zij gebonden, niet aan de maatschappelijke levensvormen. Zij is niet resultaat van levensverhoudingen, zij is geen dienares van de reactie, van het kapitaal. Want zij gaat aan die alle om Christus' wil en door Zijn Woord voorop.
Dus heeft de Kerk een belangrijke taak tegenover de maatschappij.
Niet in de ontvouwing van een sociaal-politiek program ligt die taak. Evenmin in een leiding geven aan een van de sociaal-economische partijen. Ook niet een oordeelvelling over acute maatschappelijke conflicten, tenzij het klaarblijkelijk is, dat die conflicten een strijd openen tegen wat de H. Schrift leert. Behoudens deze conditie heeft de Kerk niet te strijden voor een bepaald economisch stelsel.
Want immers: Kerk en maatschappij zijn volstrekt niet ineengegroeid tot een eenheid. Zij hebben ieder een eigen taak. Misschien zou de Roomsche opvatting meebrengen dat Kerk heeft te heerschen over de maatschappij. Maar de onze is deze opvatting niet.
Wat is dan wèl de taak der Kerk tegenover de maatschappij?
Wel de Kerk moet prediken, moet zielszorg oefenen, ze moet haar leden oefenen en wapenen in den strijd tegen de zonde. Zij moet troost bieden aan lijdenden; winnen, wapenen en troosten moet ze, zoals dr. Kuyper eens zeide. Het troostend werk der Kerk nu heeft ook voor de maatschappij veel beteekenis. Er is druk en lijden in deze maatschappij; onrecht en wanverhoudingen drukken haar leven neer. De geloovige, die aan den lijve die wanverhoudingen gevoelt, heeft ook behoefte aan den troost van het Evangelie, die door de bediening des Woords vanwege de Kerk.
Doch ook het wapenen der geloovigen in den strijd tegen wereld en zonde en Satan heeft die beteekenis. Niet maar tegen het eigen hart, doch tegen heel de wereld en de in haar werkende en woelende krachten moet, voor zoover de zonde daar heerscht, de Kerk, wapening en wapenen geven. De bediening van 't Woord moet, naar wij dikwijls elkaar zeggen, ook het sociale vraagstuk in zich betrekken en als vraagstuk van recht, niet louter van stoffelijken aard, doen zien. Welnu, hebben wij geheel onzen plicht vervuld, gelijk hij erkend werd? Neen, ook dit werk is onvolkomen; wij erkennen het gaarne.
De Kerk heeft zich niet te conformeeren aan het leven, gelijk het daar zich aandient, zij moet blijven strijden tegen al wat zonde is. In de bediening des Woords moet naast het onwrikbaar-vaste, ook al' wat wisselt, verandert en groeit, een plaats hebben. In de maatschappij is het vaste, het onveranderlijke, voor allen die vasthouden aan de H. Schrift. Doch er is ook zoo veel, dat in haar wisselt en verandert. Als nu de kansel het licht laat vallen ook op sociale verhoudingen, dan past daarbij historische en reformatorische zin.
Historisch, zeggen we. Christus kwam op aarde, toen Israël stond onder Rome' s macht. Ook toen was er onrecht, onderdrukking, sociale ellende, machtsmisbruik, economische wanverhouding. Christus zag dat, doorschouwde het duizendmaal dieper dan iemand ter wereld. Toch heeft Hij nooit de schare opgezweept tegen de Romeinsche ovenheerschers. Hij preekte den opstand niet. Hij bracht geen georganiseerd verzet tegen de onderdrukkers. Hij heeft al die dingen vanuit Gods Woord benaderd en gewogen. Hij heeft alle vraagstukken veranderd. Hij heeft de probleemstelling veranderd. Hij heeft die kwestie afgebracht van het stoffelijke naar het zedelijke leven, van belang naar recht. Die Hem hoorden, bleven onder Rome's tyrannie, bleven slaven, bleven tollenaren. Maar alles werd veranderd. Want het Evangelie beheerschte hun denken en willen en gaf het een anderen inhoud. Christus stond niet buiten, niet tegenover de historie doch heeft haar geplaatst in hooger licht. Als hij het bestaande moest veroordeelen, deed hij het duidelijk en klaar. Doch het effect was net allereerst veroordeeling van den ander, doch allereerst van zichzelf. Waar het rechtsfundament ontbrak aan de sociaal-economische verhoudingen daar heeft Christus dat recht gepredikt. Wat bestond bleef bestaan, doch het fundament, dat werd beter gelegd.
Zoo moet ook de Kerk zich keeren tegen de revolutie, en daardoor dienen de reformatie. Dat zal meebrengen een hervorming van het leven, van binnen uit. De Kerk moet het gezag, het bezit, de gerechtigheid, den arbeid en de maatschappij op deze wijze tegemoet treden.
Wat het gezag betreft: heeft de Kerk niet soms dat gezag eenzijdig doen zien? Men stelde gezag bij het patronaat, bij de leiders van de bedrijven. Maar heeft men niet verwaarloosd, dat er ook gezagsverhoudingen zijn bij de arbeiders in het bedrijf? Men heeft wel eens zoo gepredikt, alsof het gezag concreet gezien werd alleen bij de leiders van bet bedrijf. Maar het moet toch nog anders ook. Gods gezag zien — dat geeft een ruime plaats voor de vernieuwende erkenning van den individu, van de kringen, waarin hij leeft. Wanneer de bediening van 't Woord zonder meer de medezeggenschap op het terrein van den arbeid opzij stelt als in strijd met wat Gods Woord zegt over het gezag, dan doet die Kerk tekort aan de Schrift. Wat in een bepaalden tijd groeit, kan niet zonder meer gezien worden als zonde tegen de Schrift — en daarmede uit.
Daar is ook het bezit. Zijn nu werkelijk de bestaande bezitsverhoudingen zonder meer overeenkomstig de Schrift? Is verzet er tegen zonder meer zonde tegen de Schrift? Maar God is de eenige eigenaar, de eenige die bezit heeft. Als wij staan op de handhaving van ons bezit, dan gaan we toch in tegen de gedachte, dat wij maar rentmeesters zijn, en dat God alleen bezitter is. In dat licht moeten de vraagstukken van den eigendom gezien worden. Dan wordt zoo veel relatief in die eigendomsverhoudingen. Telkens ontstaan wijzigingen, door verandering in verhouding van vorst en onderdaan, familie tegen familie, onteigening, belasting. Dat al die dingen relatief zijn, moet de Kerk erkennen, zij heeft wat eeuwig is en blijvend te prediken. Zoo volgt zij Christus' voorbeeld. Zoo erkent zij God als alleenbezitter, en erkent het rentmeesterschap der menschen. De vraag is dan: wat het meest en het best in overeenstemming is met het rentmeesterschap en Zijn richtige uitoefening.
Velen meenen, dat elke wijziging in de bestaande bezitsverhoudingen eigenlijk is: zonde tegen het 8e gebod. Dat is niet waar. Weliswaar willen wij daarmee nog niet predikers zijn van socialisatie of van radicale veranderingen. Maar de gemeente moet het vraagstuk harerzijds niet excentrisch zien; ze moet de gemakzucht, het schadelijk conservatisme veroordeelen, altijd uit eeuwigheidsstandpunt. Wat ik verkeerd doe in mijn rentmeesterschap dat moet ik ook veranderen. Stelt onze tijd een maatregel voor, die den individuen gelegenheid geeft, beter rentmeester te zijn, dat moet de geloovige reformatorisch, niet revolutionair, daar niet tegenover staan omdat het wat nieuws is.
En dan het recht, de gerechtigheid in de maatschappij. En het karakter van den a rbeid. Ook daarover moet de kansel zijn woord spreken. Recht is dat, wat God wil; het andere niet, ook niet het bestaande zonder meer. En de arbeid is nu vaak een last voor duizenden. De prediking moet hem doen zien als heerlijkheid, als dienst van God, als ontvouwing van wat God over de wereld gedacht heeft, medewerker zijn van God. 
Voor sociale prediking pleit spr. niet. Paedagogische, psychologische, en andersoortige preeken worden vaak gevraagd — zoo ook sociale prediking. Maar dat vragen is ongereformeerd. Het Woord Gods is één, universeel. Elke preek is ten principale psychologisch, dogmatisch, sociaal, exegetisch enz. Wie hier eenzijdig worden wil, verloochent de organische eenheid der Godsopenbaring. Deze moet gehandhaafd worden.
Maar wel moet de Kerk, onder beding van dit alles, de leden wapenen tegen de verkeerde stroomingen en praktijken van dezen tijd. Gods Woord moet de tegenwoordige verwarde en gescheurde maatschappij belichten. Revolutie keeren is nog niet conservatisme dienen. Stuwen moeten we; en aan de wereld toonen, dat de Kerk geen resultaat is van een bepaalden maatschappijvorm, niet conservatief kapitalistisch. Gods Woord, objectief over alle leden der Kerk oordeelende en critiseerende, zegt hun allen Gods recht aan zonder aanzien des persoons. Propagandisten van bepaalde idealen zijn we alleen, als ze in de Schrift als beginsel gesteld zijn.
Dr. A. Kuyper heeft eens een rede voor het Chr. Sociaal Congres besloten met de verwachting, dat nooit onze schuld, onze lauwlheid, de redding der maatschappij zou verhinderen. En als wij dagelijks de uitbrekende sociale conflicten zien en de worsteling om de hegemonie — dan moge ons onze lauwheid, onze onwil tot reformatie, een sta-in-den-weg zijn om de maatschappij weer terug te brengen naar Gods getuigenis, Gods recht, Gods gezag, Gods majesteit moet aan de wereld getoond worden. Want daarin ligt om Christus' wil haar eenig behoud. Christus is ook de Verlosser van de maatschappij; Hij is de Heiland van de wereld.
Discussie. In het debat met den heer Schouten begaven zich Ds. D. van Dijk van Groningen, Dr. C. N. Impeta van Kampen, Dr. K. Dijk van Den Haag, Ds. F. H. van Loon van Smilde.
Ds. D. van Dijk heeft één vraag. Hoe denkt referent nu precies over medezeggenschap, bezit enz.? Moet de dienst des Woords daarover spreken, ze met name noemen, een oordeel daarover uitspreken? Of moet de prediker daarover zwijgen om het bestaande te zien in het licht van Gods Woord, zoodat ieder gedrongen wordt tot een betere levenshouding? Heeft referent wel consequent volgehouden, wat hij begon te zeggen over Christus' voorbeeld, als onzen norm?
Dr. C. N. Impeta heeft 3 vragen:
1°. de taak van de Kerk is veel breeder dan de bediening des Woords. Er zijn ook ouderlingen, en diakonaat (armenzorg). De kerkeraad heeft het gepredikte toe te passen in het herderlijk bezoek! Komt de kerkeraad niet ontzaglijk vaak voor moeilijkheden, als de leden niet doen wat de dienst des Woords hun als plicht voorhoudt? Wordt dan de taak der Kerk niet veel moeilijker? Christelijke of niet-christelijke vakbeweging, staking, posten enz. geven concrete, actueele moeilijkheden. Wat moet de KerK dan doen, als de kansel verlaten is, en de weekarbeid roept ? De kerkeraad staat wel degelijk voor concrete gevallen. Wat dan te doen?
2°. Referent zei, dat de Kerk wel eens te kort schoot in het ontwikkelen van de idee dat de gezagsverhoudinig is niet alleen bij de leiders van 't bedrijf, doch ook bij wie er in arbeiden! Hoe is dat bedoeld? Gezag in het bedrijf, is dat ook door Referent bedoeld?
3°. Referent sprak over rentmeesterschap. Als wij rentmeesters zijn, dan zijn we dat alleen tegenover God? Maar tegenover de menschen zijn we toch bezitters?
Dr. K. Dijk meent ook, dat Referent teveel de prediking op den voorgrond bracht en te-weinig dacht aan huisbezoek-en catechisatie. Kan Referent daarover nog iets zeggen? Tegenover de moderne vakbeweging is de strijd moeilijker dan tegenover de neutrale. Tegen arbeiders zeggen we gemakkelijker dat ze niet neutraal mogen zijn dan tegenover patroons en bedrijfsleiders. De synode van Leeuwarden sprak reeds iets over dit vraagstuk. Hoe denkt referent over deze actueele vraagstukken. Met wat referent opmerkte over het vaste en onveranderlijke in de Schrift, betuigt Dr. Dijk volle instemming.
Ds. F. H. van Loon vraagt: Kan in onzen tijd bij de bespreking van de maatschappelijke vragen wel uitgeschakeld worden het staatkundig leven? Staat en maatschappij grijpen zoo op elkander in. De 8-urige werkdag, wat is die, een aanklacht tegen den staat of tegen de maatschappij?
Ook deze debater meent, dat de concrete gevallen zich telkens opdringen aan de Kerk, speciaal in het werk der zielzorg. Behalve de dienst des Woords is er ook zooveel ander kerkelijk werk. Hoe denkt Spr. over het werk eener generale synode in dit verband? En dan: kan de Kerk ooit vrede hebben met het bestaande, indien b.v. de maatschappij eenmaal communistisch zijin zou?
Referent antwoordt: dat zijn bedoeling niet was alles even breed te bespreken. Hij wilde alleen enkele markante dingen naar voren brengen.
Met opzet bepaalde spr. zich in het referaat hoofdzakelijk tot de prediking. Hoe belangrijk herderlijk bezoek, huisbezoek, werk van synodes e.d. mogen zijn — de bediening des Woords blijft toch de motorische kracht vóór het gereformeerde leven. Voorzoover daarin iets haperde naar de meening van de Spr., wilde hij daarover graag spreken.
Wat de neutraIe vereenigingen betreft: er is wel een terrein, waarop men neutraal kan zijn, (b.v. straten-aanleg). Maar zoodra een vereeniging beslissen moet over principiële kwesties moeten we tot ieder zeggen: het mag niet neutraal blijven. Al staat iemand alleen, ook als bedrijfsleider, hij moet toch het beginsel aanvaarden, evengoed als de arbeiders.
Met de opmerking dat de mensch tegenover den mensch bezitter is vereenigt Ref. zich niet.
De mensch is alleen maar rentmeester. Gods bezit dat hebben wij te verzorgen gekregen, doch zelf worden wij nooit bezitters. Ons eigendomsbesef, ons waardeeringsoordeel over eigendom en bezit moet weer naar Christus' prediking worden gereformeerd. Spr. kan niet toegeven dat de mensch beheerder is van het goed tegenover God, doch bezitter tegenover den mensch. Natuurlijk gaat het niet om juridische terminologie hier; doch om kerkelijk-theologische, christelijk-sociale. Het gaat niet om beheers-verhoudingen, doch om gebruik van Gods bezit in de wereld.
Heeft de arbeider gezag? Volgens Ref. ja! Ook de arbeider komt in de fabriek als mensch Gods, als beelddrager Gods. Het zijn allen menschen die gezag hebben. Heeft de arbeider geen gezag? Hij kan toch zeggen: ik doe dat niet, als de patroon iets zegt? Het gezag is natuurlijk iets anders dan dat van den patroon over den knecht! Maar gezag is het ook. Het is niet zóó: de een alles, de ander niets ! Het is zóó: de een dit, de ander dat, de een zulk, de ander andersoortig gezag.
Moet de Kerk uitspraak doen over bepaalde conflicten in de maatschappij? Neen, tenzij ze duidelijk strijden tegen Gods Woord. Enkele debaters vergeten daanbij, dat concrete gevallen niet hetzelfde zijn als concrete conflicten? Er kunnen bepaalde gevallen zijn, waarbij de Kerk direct betrokken wordt. Dan moet de Kerk niet zeggen: wie gelijk heeft, doch het conflict doen zien, en dan daarover, als de Schrift normen geeft, beslissen.
De Staat, zoo is gezegd, heeft arbeidswetgeving geschonken, en die grijpt in op maatschappelijke verhoudingen. De Kerk moet ten dezen erkennen dat de arbeidswetgeving rekening houden moet met bepaalde omstandigheden en bepaalde tijden. Tegen de arbeidswetgeving van nu is wel dit bezwaar, dat de wet er is als een tuchtmeester, omdat de maatschappij niet deed wat ze behoorde te doen en toen de Overheid dwong in te grijpen. Laat de Kerk daar op het licht vallen, dan zullen velen, die nu nog zichzelf zonder zelfcritiek laten gaan, die de volksvertegenwoordiging en de Overheid veroordeelen en verwerpen, de hand in eigen boezem steken. Dan zal de critiek blijven, doch fundamenteel veranderen, want ze begint met zelfveroordeeling en zélfopwekking tot eigen persoonlijke roeping.
Ten slotte: medezeggenschap en allerlei veranderde levenshouding moet niet zonder meer als verkeerd worden veroordeeld in de prediking. De vragen zijn zoo vreeselijk moeilijk; ze worden vaak verkeerd gesteld. En die er in de praktijk voor staan, voelen de moeilijkheid. De kansel moet niet een rem worden voor den vooruitgang, dien de praktische werkers in trouw aan hun beginsel zoeken te verwezenlijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's