De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

16 minuten leestijd

Het Calvinisme (27)
Na het beluisteren van twee Duitscbe geleerden Hauszherr en Cornelius, is het niet onaardig het woord te geven niemand minder dan dr. J. Th. de Visser, oud-minister van Onderwijs, die in zijn verschenen standaard-werk: Kerk en Staat, uitgegeven bij A. W. Sijthoff te Leiden, natuurlijk ook een resumé geeft van de be schouwingen van Calvijn inzake de verhouding van Staat en Kerk.
Omdat de meening van Luther en Zwingli naast die van Calvijn wordt gegeven, beginnen we hier over te nemen wat dr. J. Th. de Visser schrijft van blz. 229 —246, zij 't dan dat we niet elken regel en elk woord afschrijven.
De Kerk volgens de roomsch-catholieken, aldus dr. de Visser op blz. 230, bestaande in de zichtbare, door den paus als haar opperhoofd bestuurde gemeenschap van hen, die het Sacrament des doops, naar de bekende rituëele vormen, hebben ontvangen — was naar protestantsche opvatting eene gemeenschap van allen, die door den band van het waar geloof zijn verbonden.
Deze gemeenschap, leert de protestant, is naar haar innerlijk wezen onzichtbaar; en de zichtbare Kerk, waarin het Evangelie recht gepredikt wordt en de sacramenten goed bediend worden, is er slechts de onvolkomen uitdrukking van.
In de overtuiging van het geestelijk priesterschap aller vromen lag bij den protestant de oplossing van de tegenstelling tusschen geestelijkheid en leek. Voor de trapsgewijze opklimming in priesterlijke waardigheid, die haar hoogtepunt bereikte in het pausdom, kwamen de met elkaar gelijk gestelde leeraars of opzieners der gemeenten in de plaats. Alle machtsidee van den een over den ander werd uitgesloten. Er was nu ook geen sprake meer van een dergelijke autoriteit op wereldlijk gebied, nu de leer der alleen-zaligmakende uitwendige Kerk, die de aardsche dingen alleen in een goed spoor kon brengen en houden, was verworpen. De gemeente, als vergadering der geloovigen, voert met hare evangelie dienaars uitsluitend met geestelijke wapenen den strijd.
Met deze protestantsche opvatting van 't wezen der Kerk en het priesterschap aller geloovigen was de weg gebaand tot eerbiediging van de Overheid als een zelfstandige macht. De roomsche leer, dat de Staat op zichzelf eene plat-aardsche, onheilige macht is, die eerst door de wijding der Kerk tot betere doeleinden kan worden gebezigd, werd er door in haar hartader getroffen. Dat is de vrucht der Reformatie en is niet 't minst te danken aan Luther.
De Staat wordt in wetgeving, regeering, gericht nu z i c h z e I f  en is niet meer de ondergeschikte dienstmaagd van de Kerk.
Het protestantisme erkent in de Overheid een geheel zelfstandige, door God verordende macht, die krachtens haren oorsprong en wezen een natuurlijk, goddelijk recht heeft.
God heeft haar ingesteld, nadat de mensch door zijne zonde een boos en zelfzuchtig schepsel was gewonden en dientengevolge het gevaar dreigde van een strijd van allen tegen allen. Toen heeft God, naar Luther's kernachtige spreekwijze, »de wilde beesten aan een ketting gelegd«. Die ketting is de burgerlijke Overheid, die, het zwaard dragende, zorgt, dat de zondaren niet naar hunnen wil aan hunne boosheid kunnen toegeven en die, wanneer zij het toch doen, hen er voor straft.
Er is dientengevolge een scherp onderscheid tusschen de taak der Kerk en die der Overheid. De eerste is de geestelijke macht, die de menschen door den Heiligen Geest onder Christus brengt; de laatste zorgt, dat de uitwendige vrede bewaard blijft. De taak der Overheid is dus beperkt tot de bescherming der goeden, de bestraffing der boozen, de handhaving van 't recht en de bevonderinig van het welzijn der burgers. Tot zedelijke venbetering is zij niet geroepen en allerminst tot opvoeding van de burgers voor het Koninkrijk Gods. Haar functie is alleen de noodweer tegen de ellende der zonde. Wie als Overheid de moordenaars straft, de opstandelingen neerwerpt, den vijand afweert, en het recht steunt, volbrengt Gods wil.
Principieel is het Luther dan ook onverschillig of een christen dan wel een heiden Overheidspersoon is. De Staat behoort tot de aardsche dingen, gelijk eten en drinken, waarvoor geen kerkelijke voorschriften toestaan. De bijbel is dan ook geen burgerlijk wetboek. Zelfs vermaant Luther de vorsten uitdrukkelijk om voor de waarneming hunner ambtsplichten niet den bijbel en de predikanten, maar hun landsrecht te raadplegen. Want de Overheid staat in geenerlei betrekking tot de zaken, die het geloof en de zaligheid betreffen. Dientengevolge is er ook geen verband tusschen de Overheid en de Kerk. Christus, die haar stichtte, is het hoofd der Zijnen en geen heer der aarde. Elk heeft z'n eigen terrein. En al staat de Overheid geheel neutraal tegenover de Kerken, dan moeten deze toch de Overheid eeren, als regeerende in Gods plaats, krachtens Gods ordinantiën.
Zelfs als men met eene christelijke Overheid heeft te doen, handhaaft hij dit beginsel. »De wereldlijke macht heeft wetten, die zich niet verder uitstrekken dan over tijdelijke en uitwendige dingen, want over de ziel wil God niemand als heerscher dulden dan Zichzelf. De Overheid heeft de macht niet om de zielen te beschermen en kan haar geen wetten stellen. Dat doet alleen het Woord van God. Aan de Overheid is niet opgedragen door hare wetten den inhoud van dat Woord aan de menschen bekend te maken noch door hare bevelen voor de toepassing daarvan te zorgen. Zij mag zich niet mengen in geloofszaken noch daarvoor wetten geven, zelfs niet om ketterij te straffen, want deze is »een geestelijk iets, dat men met geen ijzer kan stuk slaan noch met vuur kan verbranden«.
Dit was het ideaal dat Luther op den voorgrond stelde in een tijd, toen hij in den vollen gloed des geloofs hoopte op eene overwinning van het Evangelie over geheel de zondige wereld en daaraan de verwachting vastknoopte van ééne groote, christelijke gemeenschap onder leiding van een waarlijk christelijk hoofd.
Maar op dit punt werd hij meer en meer ontnuchterd.
Zelfs het ideaal van één groote nationale Kerk in Duitschland, waarin het Woord Gods krachtig werkte, moest hij opgeven. Slechts in bepaalde streken toch kon het Evangelie ingang vinden en daar nog moest de Overheid het niet zelden hare toestemming verleenen. En zoo kwam het bij hem en bij de zijnen van lieverlede tot de vestiging der territoriale Kerk, niet om 't Woord Gods te redden — want dit zou God zonder haar wel doen — maar ter wille der geloovigen. Dezen moest de deur worden geopend; dezen moesten in den nood geholpen worden.
Door de practijk gedrongen, valt Luther nu terug tot de beschouwing, dat Overheid en Kerk beide het christendom moeten dienen, al doen zij dit dan ook op onderschei­dene wijze. Het duidelijkst komt dit uit in de taak, die hij de Overheid tegen de openbare dwaalleer toekent. Dwaalleer of ketterij op zichzelf maakt niemand schuldig tegenover de Overheid. Doch anders wordt 't, wanneer zij o p e n l ij k wordt verkondigd. Dan dient de Overheid tegen hare aanhangers in te grijpen en is de dwaaleer of als oproer te straffen, wanneer zij b.v. leert dat er geen Overheid moet zijn, óf dat een christen geen Overheidspersoon mag wezen en dat men geen privaatbezit hebben mag; of als g o d s l a s t e r i n g te straffen, wanneer zij ingaat tegen datgene wat gemeen goed van het geloof der geheele christenheid is, b. v. Jezus' Godheid loochent en Hem, evenals de Turken doen, alleen als mensch en profeet beschouwt; en als bedreiging van den uitwendigen vrede te straffen, wanneer b.v. in éénzelfde paroohie dientengevolge verschillende gelooven zouden worden verkondigd en daardoor haat en nijd, partijschap en twist zouden worden aangekweekt.
Langzamerhand zijn de Lutheranen een stap vender gegaan en plaatsten zij zich op het standpunt, dat de burgerlijke gemeenschap rust op den grondslag van het christelijk geloof in ruimen zin genomen; dat aanranding daarvan die gemeenschap zelf bedreigde en derhalve door de Overheid moest worden gestraft.
De Overheid heeft en houdt dus hare bemoeienis met godsdienst en Kerk. In de eerste plaats geschiedt dit, omdat zij als Gods dienares verplicht is Zijn wil en wet te handhaven. Gelijk ieder persoonlijk Hem met alle kracht moet dienen, zoo ook de Overheid met haar macht; daartoe behoort de sterke arm. Wat zij in dezen heeft te doen, leert zij uit de wet der tien geboden. Zij is de »custodia utriusque tabulse« en als zoodanig mag zij er niet tegen opzien de overtreders daarvan streng te straffen. Alleen mogen de overtreders van de geboden der eerste tafel niet gedood, maar hoogstens verbannen worden. Vooral Melanchton meende, dat die roeping der Overheid om de geboden der eerste tafel te doen opvolgen, niet alleen de straf op godslastering, »blasphemias et perjuria«, maar ook op de openbare valsche leer en verkeerden godsdienst in zich sloot. Het is niet geheel zeker, in hoeverre Luther deze uitbreiding van het toegrip godslastering voor zijn rekening nam. Waarschijnlijk is, dat hij in dezen niet zoo ver ging als Melanchton en zich toeperkte tot de openbare loochenaars van de hoofdwaarheid van het christendom, zooals die door Protestanten en Roomschen gemeenschappelijk werd beleden. Maar in elk geval erkent ook hij, dat de Overheid, als Gods dienares, de taak heeft de openbare overtreders van de geheele decaloog te straffen, zoowel die van de eerste als van de tweede tafel.
Ten tweede is de Overheid verplicht die overtreders te straffen, omdat zij de grondslagen voor de burgerlijke samenleving aan tasten en den landsvrede in gevaar brengen. Evenmin in de Overheid zelf als bij de onderdanen kan in één parochie of stad openlijke twist tusschen belijders van verschillende godsdiensten worden geduld. Doet zich dit geval voor, zoo is de Overheid verplicht uit de Heilige Schrift aan te toonen wie gelijk heeft en de tegenpartij het spreken in het openbaar te verbieden. »Want het is niet goed dat men het volk in ééne parochie een tegenstrijdige prediking laat hooren«. Lutlher plaatst hier de Overheid voor een zeer moeilijk werk en begeeft zich, door de Overheid het recht van de uitlegging des Bijbels te geven, op een gevaarlijken weg. Maar men vergete niet, dat in die dagen openbare verkondiging van tegenstrijdige gevoelens op godsdienstig gebied in ééne plaats zoo gemakkelijk tot oproer en doodslag kon leiden, zoodat de Overheid wel dikwijls preventief moest optreden. En ten andere, dat wanneer zij dit deed, een protestant voor haar geen anderen maatstaf kon aanleggen dan de Heilige Schrift.
In elk geval is het duidelijk, dat aan wat de Overheid in dit uitzonderingsgeval moest doen, geen argument kan worden ontleend voor de stelling, dat zij volgens Luther steeds den Bijbel tot richtsnoer harer handelingen moest nemen. Want het gaat hier niet om het kiezen van een richtsnoer voor hare staatkunde, maar om de wijze waarop, zoo de burgers openlijk twisten over den godsdienst, het best de vrede kan worden bewaard. En dan laat de Overheid, als de hoogste macht op aarde, den Bijbel spreken, dien immers roomschen en protestanten gelijkelijk eeren!
Maar een bepaald christelijke politiek, met den Bijbel tot grondslag, heeft Luther nooit geëischt. De Kerk alleen bedient het Woord. Slechts dient de Overheid de wet Gods te handhaven. En zelfs waar dit den decaloog geldt, huivert Luther voor de uitbreiding, die Melanchton aan het begrip godslastering gaf, als viel daaronder ten allen tijide en onder alle omstandigheden de openlijke dwaalleer. Slechts als deze de fundamenten van het geloof aantast of tot oproer leidt, moet de Overheid tusschen beide treden; anders niet.
Maar indien de overheid zich als zoodanig doet gelden, handelt zij als hoofd der burgerlijke maatschappij. Niet als lid of voogd der Kerk; niet als s u m m u s e p i s c o p u s. Als zoodanig heeft zij óók wel eene roeping, maar deze betreft niet hetgeen wij tot dusverre hebben genoemd. Als burgerlijke Overheid is zij dienaresse Gods en als dienaresse Gods. alleen geroepen tot de custodia utriusque tabulae, de bescherming van de grondslagen der christelijke samenleving. De taak, die zij dan vervult, wortelt niet in hare verhouding tot de eene of andere Kerk en oefent zij niet uit als geestelijke macht, maar is 't noodwendig gevolg van de hooge, zelfstandige plaats, die zij in Gods plaats onder een volk als burgerlijke Overheid inneemt.
Maar daarmede is niet gezegd, dat zij niet ook tegenover de Kerk een bepaalde roeping heeft en zich niet in hare zaken zou mogen mengen. Integendeel. Doch zij doet dit niet als »custos utriusque tabulae«, maar als preecipium membrum ecclesiae (d.i. als voornaamste lid der Kerk, dus niet als »Overheid«, maar als voornaam »Kerklid«). Tot juist begrip van deze meening dient te worden vooropgesteld, dat in den gedachtengang van Luther .de geestelijke stand als zoodanig was vervallen. Geen kerkelijke hiërarchie bestond meer. Alle christenen behooren tot dien stand. De voorgangers zijn niets dan dienaars. De gemeente heeft dus het recht zelf hare zaken te regelen. Tot die gemeente behoort, zoo zij het Evangelie heeft aangenomen, ook de Overheid. Zij is »een lid van het christelijk lichaam«, een lid van den geestelijken stand. Als zoodanig moet zij, als de nood aan den man komt, de macht, waarover zij beschikt, ten dienste van de Kerk stellen. Zij alleen kan dit, omdat noch voorganger noch gemeente eenige wereldlijke macht bezitten. »Wo es die Not fordert und der Papst argerlich der Christenheit ist, soll darzu thun wer am ersten kann als ein treu Glied des ganzen Körpers, dass ein recht frei Koncil werde« — wat niemand zoo goed vermag te doen als het »weltliche Schwert, sonderlioh dieweil siie nun auch Mitpricster sind, Mitpriester, mitgeistlich, mitmachtig in allen Dingen und ihr Amt und Werk, das sie von Gott haben über jedermann, sollen lassen freigeben, wo es not und nutz ist zu gehen«. Op een andere plaats komt de gedachte van Luther nog beter uit, als hij zegt; »Nun wollen Wir sehen der Stücke, die man toillig in den Koncilien sollte verhandeln und mit denen Papste, Kardinale, Bischöfe und alle Gelöhrten sollten Tag und Nacht umgehen, so sie Christum und seine Kirche lieb hatten. Wo sie aber das nicht thun, soil das Volk und das weltlidhe Schwert dazu thun, unangesehen ihr Bannen und Donnern«. De gedachtengang van den grooten hervormer is duidelijk.
Nu de geestelijkheid hare roeping in de Kerk heeft verzaakt, treedt de gemeente, dat is het volk, zelf voor hare rechten op. Dat kan zij vanwege het algemeen priesterschap der geloovigen. Maar wat zij n i e t vermag, is daarbij gebruik te maken van uitwendige machtsmiddelen. Want daarover beschikt zij niet. Doch nu is er in haar midden één lid, die deze uitwendige machtsmiddelen wèl heeft, en dat is de vorst. Deze moet dan optreden voor het christelijk g e h e e I, waarvan hij zelf een deel is, met de macht waarover hij, als Overheid, beschikt. Als lid, als voogd der Kerk stelt hij zijn sterken arm in haren dienst. Niemand dan hij kan het doen, en hij, de medepriester der geloovigen, moet 't doen. Maar één ding sta op den voorgrond. Wat hij dan voor en in de Kerk verricht, geschiedt door hem niet als wereldlijke Overheid, maar als »voornaamste lid der Kerk«, die haar met zijne machtspositie steunt en dekt. Melanchton, van wien de uitdrukking »praecipium membrum ecclesiae« waarschijnlijk afkomstig is, wijst op die roeping kort en kernachtig met deze woorden: »Als de bisschoppen er niet meer zijn of zelf een dwaalleer brengen, moet de overige Kerk de verkeerde herders uit hun amtot verwijderen en moeten de voornaamste leden in elke gemeente de overigen voor gaan en de anderen helpen de Kerk te verbeteren. De vorsten en de overige overheidspersonen zijn die voornaamste leden der Kerk. Het is dus noodig, dat zij die verbeteringen beginnen en steunen«. En in denzelfden geest lezen wij in het aanhangsel over de pauselijke macht in de Smalkaldische artikelen: »In de eerste plaats moeten echter de voornaamste leden van de Kerk, koningen en vorsten, de Kerk raadgeven.
Eén van de eerste verbeteringen, die hier bij in aanmerking komen, raakt het Kerkbestuur: De gemeente in haar geheel heeft het recht de dwaalleeraars af te zetten, maar voor haar treedt in dezen de Overheid, als voornaamste lid, op; zij maakt dan hare macht dienstbaar aan den kerkelijken wil. De gemeente kan in haar geheel de vacante zetels bezetten; de Overheid als haar voornaamste lid doet dit in hare plaats. In naam der gemeente hervormt alzoo de Overheid, dat is hier de landsheer, de Kerk, en hij doet dit in zijn hoedanigheid van praecipium membrum, d. i. als het voornaamste gemeentelid.
Streng hiervan wordt in den gedachtengang van Luther en de zijnen de roeping der Ovenheid als "custos primae tabulae" gescheiden. Als zoodanig verbiedt zij, terwille van den landsvrede, de openbare valsche leer en de oprichting van sectarische Kerken. Zij maakt dus, als Overheid, uit, welke leer en welke Kerk in het land zal geduld en van regeeringswege, desnoods met den sterken arm, zal beschermd worden. Doch altijd blijft de Overheid in dezen werkzaam op het gebied der externa. Zij heeft het officium externse disciplinae. Deze bevoegdheid en roeping had de instructie op de visitatie in Mecklenburg van 1557 op 't oog, toen zij zeide "dat de barmhartige God van elke Overheid met grooten ernst eischt, dat zij Zijne goddelijke en ware leer aan hare onderdanen getrouw doe verkondigen en de christelijke ceremonies doe verrichten, en dat zij daarentegen de onware leer, die niet in overeenstemming is met Gods Woord, en alle onchristelijke ceremonies doe afschaffen". Van Ovenheidswege werd echter, zooals trouwens in den aard der zaak ligt, deze onderscheiding gewoonlijk niet in het oog gehouden. Practisch had zij dan ook, op het standpunt van den vorst, zoo goed als geene beteekenis. Indien we b.v. lezen, dat in 1645 bij de Westphaalsche vredesonderhandelingen gemeenschappelijk door de evangelischen wordt verklaard: dat de regeling van de openbare uitoefening van den godsdienst, de inrichting van de Kerkorde en de ceremonies, en al wat daarmede samenhangt, onmiddellijk uit het territoriale recht van de Overheid van het land voortvloeien —dan wordt hier aan het territoriale recht van de landsoverheid eene uitbreiding gegeven, die naar echt Luthersche opvatting haar niet toekomt en haar uitsluitend als »voornaamste lid van de Kerk«, praecipium membrum ecclesiae, kan en mag worden toegekend. Luther zou niet geaccepteerd hebben, wat daar gezegd wordt; dat den landsheer als »dominus territorii« de »cura religionis« (de zorg van den godsdienst) toekomt, en evenmin wat in overeenstemminig daarmede er aan toegevoegd wordt, n.l. dat hij daartoe bevoegd is »ex communi per totum imperium hactenus insitata praxi cum jure territorii et superioritatis«. Men had daarbij duidelijk 't oog op de roeping van den landsheer als »custos primje tabulae«, wat wel het best blijkt uit het feit, dat het Kerkbestuur van den vorst zich uitstrekte tot alle onderdanen, onverschillig of zij leden van de landskerk waren of niet.
Volgens zuiver Lutherscbe opvatting handelt de vorst, wanneer hij zich mengt in zaken van Kerkorde, ceremonies en dergelijke, alleen als h e t  v o o r n a a m s t e  l i d  d e r  Kerk — en niet als Overheid. Tusschen de custodia prima taibulae, die de vorst krachtens zijn souvereine reclht uitoefent en de macht die hij in de Kerk bezit als prsecipium membrum, bestaat een p r i n c i p i ë e l verschil.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's