MEDITATIE
Zonde
Daarom dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet. En die in het vleesch zijn, kunnen Gode niet behagen. Romeinen 8 vers 7, 8.
Als men er ons naar vraagt, willen wij allen wel toestemmen dat wij zondaars zijn. Maar het is nog heel wat anders te zeggen een zondaar te zijn, dan het zondaar zijn in zijn diepte te beseffen. De meeste menschen beseffen heel weinig van de zonde. Zij zien wel, dat in de wereld alles niet volmaakt is; dat er ook aan hen zelf wel wat ontbreekt, maar met dat al hebben zij een goed leven in deze wereld; zij hebben geen last van de zonde.
En dat is voor ons de belangrijke vraag: hebben wij last van de zonde. Neen, niet van de gevolgen der zonde, (dat hebben wij allen), maar van de zonde zelf. Zóó last er van, dat de zonde ons leven verdonkert. Want als wij iets gevoelen van den onvrede, die uit ware kennis van zonde moet voortvloeien, dan zijn we ongelukkige menschen geworden.
Maar het is duizendmaal beter zoo een ongelukkig mensch te zijn, dan met schijngeluk door de wereld te gaan, alleen omdat men de zonde kan doen, zonder er last van te hebben. Immers is de zonde ons geen last, dan hebben wij aan ons natuurlijk leven genoeg. Maar kwelt de zonde ons, dan zulllen wij tot den Heere uitgedreven worden.
Nu teekent Paulus ons in het hier boven geschreven tekstwoord het vreeselijke karakter van de zonde.
Paulus stelt tegenover elkander het leven naar het »vleesch« en het leven naar den »Geest«. Het leven naar het »vleesch« is het Ieven van den mensch als zondaar, als gevallen schepsel. Het leven naar den »Geest« is het leven van den wedergeborene, die door den Geest van Christus een nieuw levensbeginsel ontvangen heeft. Dit tweeërlei leven, dat zoo in den grond verschillend is, draagt ook verschillende vrucht.
»Het bedenken des vleesches is de dood, maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede«. Wat bedenken wij dan? Bedenken beteekent hier: het geheel eens zijn met, het houden met. Waar houden wij het mee? Met het vleesch? Dan is onze levensvrucht de dood.
Verstaan wij dat? Om dat te verstaan is het noodig te weten waarom het bedenken des vleesches de dood is. En dat zegt Paulus nu in ons tekstwoord: »Daarom, dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God«. Vijandschap tegen God! Dat lijkt een hard woord. Dat lijkt ook wat overdreven. Zijn wij menschen van nature vijanden van God? Van God, dien hooge, verhevene; dien vlekkeloos heilige; dien rechtvaardige, maar ook barmhartige en liefderijke!
Is dat niet te sterk gesproken? Wat is immers een vijand? Een vijand is een tegenpartijder, die zijn naaste op allerlei wijze bestrijdt, om hem maar afbreuk te doen en ten onder te krijgen. Een vijand ziet niet op tegen dooden, tegen vernietigen.
Zouden wij nu zoo God beoorlogen, Hem naar de kroon steken, Hem zoeken te verdelgen? Wel neen, zoo zeggen velen, dat is overdreven. Wij staan wel niet altijd góéd tegenover God, maar wij hebben Hem toch lief. Is er immers niet alle reden om God lief te hebben. God, die ons zooveel goeds en schoons schenkt? En zoo willen velen niet aan dat harde woord van Paulus: »Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God«. En toch is Gods Woord ook hier waar. Niet, dat het aangenaam is, die waarheid te verstaan. Als wij zien, dat wij Gods vijand zijn, worden wij ongelukkig. Dan is »zonde« geen gevolg meer van onkunde of van zwakheid, dan wordt »zonde« willen zondigen.
Zeker, het zondige lokt ons en trekt ons. Wij worden er door verleid. De booze begeerten kunnen ons te machtig worden. Maar als die begeerten ons meesleepen willen, worden wij gewaarschuwd. Ons geweten spreekt luide.
En wat doen wij dan? Luisteren wij dan? Wel neen! Dan vinden wij dat geweten zoo lastig. En als wij in een christelijke omgeving opgegroeid zijn, dan is dat geweten zoo lastig nauw geworden. Dan kunnen wij de wereld benijden, die er maar op los kan zondijgen, omdat zij niets van God weet. En wij zouden ook niets van God willen weten. Wij zouden Hem weg willen hebben. Als wij konden, zouden wij Zijn bestaan vernietigen!
Dan bemerken we het: wij zijn vijanden van God. Wij leven niet uit Hem, de bron van het leven; wij wenschen Hem weg. En als wij dat zien, weten wij waarom het bedenken des vleesches, de dood is ; waarom ons natuurlijk leven »sterven« is.
»Daarom dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der Wet Gods niet«. Het leven in vijandschap tegenover God komt zoo duidelijk uit in het zich niet onderwerpen aan de Wet Gods. En daarom komt die vijandschap ook veel meer uit bij ons, die onder de verkondiging van Gods Woord zijn opgegroeid, dan bij den wereldling. Wij kennen Gods Wet van der jeugd afaan. De wereldling kent die Wet niet en voelt den eisch van onderwerping daarom niet eens.
Maar, terwijl wij het nu zoo goed weten, wat God van ons eischt, wat doen wij? Onderwerpen wij ons? Met den mond wel, maar metterdaad verzetten wij ons uit alle macht. Wij verzetten ons niet openlijk, maar wij gaan van die Wet wat anders maken. Wij geven die Wet een Farizeesche uitlegging. Wij gaan het buitenste van den drinkbeker reinigen, en als iemand op den binnenkant wijst, zeggen wij: maar zoo nauw kunt ge alle dingen toch niet nemen. Wij buigen de Wet van lieverlede om naar onze zonde, wij maken haar pasklaar voor onze zonde. Wat worden er vooral in onzen tijd geen zonden goedgepraat. Wereldsch vermaak, zinnenprikkeling, onwaarheid in handel en bedrijf, vuil gewin en geldgierigheid, in haat en nijd met zijn naaste leven, het mag alles.
Maar is dat zich aan de Wet Gods onderwerpen?
Zoek toch uw zonde niet langer goed te praten. De Wet Gods getuigt te sterk. En als wij dan aan de eischen der Wet niet langer kunnen voldoen, met onze Wetsverdraaiing en die Wet onze daden als metterdaad zondige daden stempelt? Onderwerpen wij ons dan aan die Wet? Een oppervlakkig lezer zou 't misschien denken, maar de werkelijkheid, de vreeselijke werkelijkheid is, dat we dan maar moedwillig tegen die Wet ingaan, met volle bewustheid, want wij willen de zónde niet laten varen. God kan in Zijn Wet wel zooveel vragen, maar dan doen wij 't maar zonder God.
Zoo kiest de mensch den dood vóór het leven. Moedwillig in opstand tegen den Heere leven! Is het niet vreeselijk! Velen zien er niets van, en als we er iets van zien, komt over ons die knagende onvrede der zonde. Wij gaan peinzen en wij gaan tobben, en dan gaan wij nog geen anderen weg.
Hoe is het mogelijk? roept ge uit. Waarom dan, om der wille van den vrede, den eeuwigen vrede van uw ziel, nog geen anderen weg? Paulus zegt het ons: »Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God; het onderwerpt zich der Wet Gods niet, want het kan ook niet«. Het bedenken des vleesches kan zich ook de Wet Gods niet onderwerpen!
Maar is dat dan niet het einde van alle hoop voor den mensch? Is hiermee de weg niet afgesneden?
Ongetwijfeld wordt hier een weg afgesneden, namelijk de weg voor 't »vleesch«. En het is noodig, dat wij dat klaar zien. Want wij gevoelen allen wel iets van de machtige trekking der zonde, maar de gedachte ligt ons dan bij: als ik mijn best maar eens deed, dan kon ik wel beter.
Doe dan uw best maar eens, zooals er vóór u zoovelen geweest zijn, die hun best gedaan hebben.
Wat heeft een man als Luther zijn best gedaan zijn zonde te overwinnen. Maar toen hij Gods Wet ging nemen tot een richtsnoer voor zijn leven, kwam hij tot de ontdekking, dat hij niet kon leven naar die Wet, ja, dat hij, als het er op aan kwam, ook niet wilde. Hij kon niet eens het goede willen. Zijn wil was niet vrij, maar slaafsch, gebonden aan de zonde.
Zoo moeten ook wij verstaan: Het bedenken des vleesches kan zich de Wet Gods niet onderwerpen.
Maar is dat dan niet om hopeloos en radeloos te worden? Dacht ge, dat de Schrift ons daarvoor dat woord voor oogen voert? Dat woord dient niet om alle verwachting, maar wel om alle verwachting van het vleesch af te snijden.
Wat uit het vleesch geboren is, dat is vleesch. Uit den natuurlijken mensch kan nooit iets goeds voortkomen. En wij moeten het bij dien mensch ook niet zoeken. En dat wordt nog veel gedaan. Wat een eigen werk, wat een eigen inspanning! Wat een deugdzaamheid en vleeschelijke vroomheid! Wij vinden het zelfs bij Gods kinderen. Als Gods kind zijn God uit het oog verloren heeft, niet meer leeft uit Hem; als Jezus Christus niet meer gezien wordt als de levende en levenbrengende Middelaar, dan leeft Gods kind al weer naar het vleesch, terwijl het nog denkt te leven naar den Geest. En dan komt de val; hij moet komen.
En als Gods kind dan gevallen is, soms diep in de zonde gevallen is, dan rijst die angstig vraag in de ziel: Hoe kon ik zoo vallen? Heb ik dan wel ooit in waarheid de genade van Christus aan mijm ziel ervaren? Hoe staat het toch met mij? En er wordt gezocht naar een antwoord, gezocht in alIerlei richting, terwijl het antwoord ligt in onzen tekst: Het bedenken des vleesches kan zich de Wet van God niet onderwerpen.
Maar wat moet zoo iemand dan met dat antwoord doen? Maar een lijdelijke, afwachtende houding aannemen? Dat wordt wel gevonden. En dan zoekt men zich gerust te stellen met de gedachte: wij kunnen er toch niets aan doen, dus het is zoo eng niet.
Dat is echter een van de giftigste gedachten, die Satan ons in 't hart kan leggen. Laat uw leven daardoor niet vergiftigen, maar houdt daartegen steeds de medicijn van Gods Woord bij de hand, dat na gewezen te hebben op de onmacht van het leven naar het vleesch, zegt: »En die in het vleesch zijn, kunnen Gode niet behagen«. Laat dat tot u doordringen.
Wij zijn wel allen gevallen, wij zijn wel onmachtig tot het goede, maar er is geen sprake van, dat God in dat vleeschelijke leven nog iets vinden kan, dat Hem behaagt. Op dat leven rust alleen Zijn toorn. Die naar het vleesch leven, leven gescheiden van Gods gunst. We moeten niet denken, dat zonde en leven in Gods gunst nog wel tezamen zou kunnen gaan.
De apostel Jakobus zegt het zoo met nadruk: »Overspelers en overspeleressen! weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zoo wie dan een vriend der wereld will zijn, die wordt een vijand van God gesteld«.
En meen niet, dat dat goed af zal loopen. Als gij een vijand van God zijt, is God ook uw vijand. En vreeselijk zal het zijn, te vallen in de handen van den levenden God. Het einde van het leven naar het vleesch is de dood.
Maar wat helpt het ons nu of we dat al weten? Wij kunnen immers toch niet anders?
Maar zoo zegt Paulus het niet. Paulus zegt niet: ij kunnen niet anders, maar hij zegt: ons vleesch kan niet anders. Van dat vleesch is niets te verwachten.
Maar daarom moeten wij dan ook dat leven naar het vleesch loslaten en vragen naar een ander leven, een leven dat radicaal anders is. En dat willen wij wel niet. Wij willen niet opgeven, wat wij zijn. Wij willen ons vleesch niet verliezen. Maar dan toch alleen kan er leven zijn. En daarom zeggen wij tot wie last van de zonde gekregen heeft: Mensch, gooi het eens over een anderen boeg. Zoek eens naar dat leven uit God!
Is dat dan te krijgen ?
Ja, zeker! In Christus is het geopenbaard. Dat is het Evangelie van Christus, niet, dat wij brave menschen moeten zijn dat willen wij wel), maar dat er in Christus nieuw leven weggelegd is voor een zondaar, die de onmacht van zijn oude leven heeft verstaan.
Tot dat nieuwe leven roept ons het Evangelie.
En wat moeten wij dan doen?
Niets doen. Niet besluiten een nieuw leven te beginnen; niet ons best doen. We moeten in het geloof op Jezus zien en het van Hem verwachten. Kunnen wij dat dan? Wij niet. Wij behoeven het ook niet te kunnen. Het geloof, 't is de openbaring van Gods werk in ons.
Gelooven, het is niets van u zelf verwachten, maar van uw Heere inwachten uw heil. Van Hem afsmeeken, het leven in uw dood en zoo uit Hem ontvangen het bedenken des Geestes. Dan geen dood meer; dan hebt ge leven en vrede.
Voor elk, die in het duister dwaalt,
Verstrekt deez' zon een helder licht,
Dat hem in schaauw des doods bestraalt,
Op 't vredepad zijn voeten richt.
Amen.
M. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's