KERKELIJKE RONDSCHOUW
Een zwakke verdediging.
De Kerknieuws-schrijver van de »N. R. Courant« heeft het ook al over de »degradatie der Walen«; en noemt het voorstel dat door de Synode is aangenomen »gevolg van Confessioneele machtspolitiek«. Zelfs wordt gezegd en in dikke letters boven het artikel afgedrukt: »De aangenomen wetswijziging is plomp, onkiesch en ondoordacht«.
Veel dikke woorden in vet gedrukte letters, maar met dat al is de verdediging van de zaak der Walen maar slap en heel dun. Eigenlijk wordt er geen enkel argument aangevoerd, om de dikke, vetgedrukte woorden, die nog al gepeperd zijn, waar te maken. 't Heet, dat het nageslacht de aanneming van het voorstel »als betreurenswaardig zal brandmerken«. »Het is« — zoo heet het — »een politieke zet van de slechtste soort«. »Onzuiver zijn de beweegredenen«. »Dat deze degradatie, ondanks alle kwasimoreele en kerkrechtelijke verbloeming, 'n politieke machtsoefening is zonder meer, is overduidelijk«. »Politiek, in zijn slechtsten vorm, kan plomp zijn en grof, zonder eenigerlei egards voor historische eerbiedwaardigheid of maatschappelijk fatsoen«. »De ultra's hebben gebruik gemaakt van hun overwicht in stemmenaantal« enz. enz.
Men hoort het: de N. R. Courant, wel eens de oude liberale tante genoemd, is opgewonden en boos en trekt van leer; en als haar mond opengaat, dan komt er soms heel wat te voorschijn.
Vooral als ze het heeft over »politiek van de slechtste soort« en van »politieke machtsoefening«. Daar heeft Tante blijkbaar verstand van! Maar met dat al blijft de verdediging toch heel, héél dunnetjes en onbelangrijk. 't Is een uitgieten van vele dikke woorden in toorn, maar argumenten voor de zaak waar het om gaat, krijgen we niet. Daarom zouden we aan de N.R. Courant wel willen vragen — als we zoo vrij mogen zijn — om aan de lezers van 't groote dagblad eens wat cijfers voor te leggen en eens eerlijk en naar waarheid voor te leggen wie en wat die Walen zijn. Kenmerkend is, dat de deftige N.R. Courant ten slotte eigenlijik niets anders weet dan dat de Walen nu maar moeten gaan »staken«; en dat ze nu maar aan de Ned. Hervormde Kerk den scheidsbrief moeten geven. Wat de Ned. Hervormde Kerk te Amsterdam, Delft, Arnhem, Den Haag, Rotterdam, Breda enz. nu verliezen zou wanneer dit eens gebeurde, begrijpen we niet. De N.R. Courant zegt het ook niet. Maar dat zij dit advies geeft aan de Walen is teekenend. Zonder eenig bewijs te leveren dat er onrecht geschiedt, moet dus maar gezegd worden: »als ge ons onzen zin niet geeft, dan leggen we 't bijltje er bij neer«.
't is waarlijik fraai!
Dure studenten en nog wat.
De vorige week hebben we in ons artikel »Uit de Synode« enkele cijfers genoemd in betrekking tot de Waalsche Gemeenten. We kwamen toen tot de conclusie, dat die Waalsche Gemeenten toch maar bitter klein zijn en totaal van karakter zijn veranderd. Al cijferende werd ons duidelijk, dat voor Amsterdam met een aantal van 3387 leden twee predikanten zijn! Wat een ideale toestand! En dan geeft het Rijk ƒ 4469.— tractement, terwijl het Rijk ook nog ƒ 2800 geeft voor emeritaatspensioen en f 560.-— voor weduwenpensioen. Zoo kan men de becijfering voortzetten. Arnhem met 142 leden heeft één predikant (waar zal men het in »de stad« zoo vinden?) en het Rijk geeft ƒ 1050.— tractement. Breda heeft 57 leden en één dominé, die van het Rijk ƒ 1000.— tractement krijgt; Den Bosch met 31 ieden één dominé en ƒ 1205.— Rijkstractement, enz. enz. enz.
Men kan zeggen: "cijfers zijn maar cijfers" ; maar cijfers kunnen ook »sprekende« cijfers zijn. Zoo zijn er ook cijfers gepubliceerd betreffende onze studenten. We laten er hier wat volgen, gelijk we ze vonden in een artikel van ds. C. Lindeboom te Amsterdam, die er over schreef in »De Bazuin«.
»In samenwerking met het gemeentelijke Bureau van Statistiek« — 200 lezen we in bedoeld artikel — »hebben Curatoren der Amsterdamsche Hoogeschool onlangs een werkje uitgegeven, dat ten opzichte van »studeerend Nederland« uitnemend oriënteert. Het is getiteld: »Statistische gegevens betreffende de universiteit van Amsterdam, in vergelijking met de andere Nederlandsche Universiteiten«.
Wanneer we daaruit iets mededeelen, met behulp van een in het »Handelsblad« verschenen uittreksel, dan houde men in 't oog, dat de Technische Hoogeschool te Delft, de Landbouwhoogeschool te Wageningen, de Handelshoogeschool te Rotterdam, en ook de Theologische School, de Vrije Universiteit en de Roomsche Universiteit te Nijmegen buiten beschouwing zijn gebleven. Het zijn alleen de openbare Universiteiten, die onderling worden vergeleken.
Deze vergelijking loopt over de cursussen 1881/82 tot 1923/24. In die jaren is de bevolking van ons land nog niet verdubbeld; ze kwam van ruim 4 milioen op 7 miliioen. Maar de bevolking der genoemde Hoogescholen is méér dan verdubbeld, ja, ongeveer verviervoudigd, en kwam van 1596 op 6076. Het aantal studenten klom te Amsterdam van 443 tot 1725, te Leiden van 500 tot 1674, te Utrecht van 401 tot 1792, te Groningen van 252 tot 885. In 1881 waren er nog geen vrouwelijke studenten; in 1895 vormden zij 2% in 1923 20.3% van het geheele aantal!
Wat de verdeeling der studenten betreft over de verschillende faculteiten, valt er achteruitgang te boeken, absoluut en relatief voor de theologische, en relatief voor de medische.
Het aantal theologanten bedroeg in 1895 nog 406; in 1915 had het zijn laagste punt bereikt: 187. Sinds steeg het tot 248, waaronder 17 vrouwelijke, in 1923. Niettemin is er een daling over de geheele linie: te Leiden van 10.9% in 1899 tot 3.5%; te Utrecht van 27.2% op 6.9%, te Groningen van 16.8% op 6.4%, te Amsterdam van 4.9% tot 0.5% der geheele Universiteitsbevolking.
In Amsterdam kostten de theodogische studenten in 1924 per hoofd aan de gemeente ƒ5262.—!
Het aantal studeerenden in de geneeskunde moge relatief zijn afgenomen, absoluut nam het toe. Van 1895 tot 1923 klom onze landsbevolking van 6.1 op ongeveer 7 milioen; in die jaren kwam het cijfer van medische studenten, aan alle Universiteiten samen, van 1388 op 2412.
Aanstaande juristen waren er 533 in 1895 en 1169 in 1923. Voor de beoefenaren der wis-en natuurkunde zijn deze cijfers: 344 en 1289, voor der letteren en wijsbegeerte: 176 en 785.
Hoe meer studenten, hoe meer professoren en lectoren! In Amsterdam kwamen we van 63 in 1914 op 75 in 1924. We zullen niet alle cijfers noemen; vermelden alleen, dat aan alle vier openbare Universiteiten saam 65 hoogleeraren in de medische en 79 in de wis-en natuurtkundige faculteit werkzaam zijn!
Wilt ge ook iets weten van wat al deze geleendheid den belastingbetalers kost? Amsterdam spant in dezen, de kroon. De uitgaven voor de Universiteit zijn hier in 24 jaar (1900—1924) viereneenhalf maal zoo groot geworden, en geklommen van ƒ 376.632 op ƒ1.693.052. In 1900 gaf het Rijk uit voor Leiden en Utrecht respectievelijk ƒ 762.272 en ƒ 437.227; in 1924 waren deze bedragen gestegen respectievelijk tot 2.426; 540 en ƒ 2.503.087. Kwam te Groningen in 1900 het Rijk een student te staan op ƒ 1054, in 1924 op ƒ 1731.
Misschien zegt ge: dat is een dor artikeltje dezen keer: allemaal cijfers! Inderdaad — doch cijfers, die ons wat te zeggen hebben. Die tot bezinning roepen. Die ons leeren, dat we op dezen weg niet kunnen voortgaan.
We leven op wetenschappelijk gebied heel, heel erg boven onzen stand. En dat in een tijd van bezuiniging!« Wij willen aan dit artikel niets toevoegen. Alleen onderstrepen we dien éénen merkwaardigen zin nog even: In Amsterdam kosten de theologische studenten in 1924 per hoofd aan de gemeente ƒ 5262.— !
Waar een gemeente al liefhebberij in heeft!
Treurig verloop.
Enkele jaren geleden kwam ons Bestuur in aanraking, door bemiddeling van anderen, met den heer Smith, tot voor kort hoofd der Christelijke School te Groot-Ammers. Bedoelde heer, toen onderwijzer aan een School met den Bijbel te Ridderkerk, wilde zoo gaarne, predikant worden en na besprekingen ontving hij financiëelen steun uit het Studiefonds om les te kunnen nemen in Latijnsch en Grieksch en dan straks Staats-examen te kunnen doen.
Een wonderlijke weg, vol wilde wispelturigheid is daar toen op gevolgd. Want in Rotterdam benoemd aan een van de Hervormde Scholen, gaf hij al spoedig blijk, dat hij éen eigenaardige opvatting aangaande zijn werk had. Op het onverwachts vertrok hij naar Hazerswoude. En daar nauwelijks zijnde, werd hij benoemd als hoofd der Christelijke School te Groot-Ammers, uit welken werkkring hij nu ontslagen is.
Van den Gereformeerden Bond gesteund bij zijn studiën ontzag hij zich niet in vergadering tegen den Gereformeerden Bond te ageeren. Die Gereformeerde Bond was »niks«, zoo verkondigde hij den volke.
En intusschen sloeg hij, die vroeger heilsoldaat geweest is en daarna gereformeerder werd dan de Gereformeende Bond is, over tot het anti-militairisme; richtte een bond op; werkte samen met den modernen dominé van Ammerstol en is nu, volgens bericht in de courant, overgegaan naar het Openbaar Onderwijs.
Natuurlijk verwacht het Hoofdbestuur van den Gereformeenden Bond, volgens afspraak, terugbetaling van de genoten gelden. Wij vertrouwen dat dat dus nog wel in orde zal komen. Maar overigens?
Wij vreezen, dat deze wilde, wonderlijke weg vol treurige wispelturigheid niet véél goeds zal baren, tenzij de Heere tusschenbeide komt om orde te scheppen, waar nu hopelooze wanorde aanwezig is. Geve de Heere de hulpe van Zijnen Geest en moge de vastigheid van Gods Woord tot wijsheid en sterkte worden. Dan kan er na schade en schande in den weg van genade nog blijdschap en vrede uitspruiten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's