MEDATIE
Een scherpe doorn in het vleesch
En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zoude verheffen, zoo is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zoude, opdat ik mij niet zoude verheffen. 2 Cor. 12 vers 7.
Corinthe was een gemeente, waar de apostel Paulus met zegen had gearbeid. Het zaad des Woords was daar niet tevergeefs uitgestrooid. Een bloeiende gemeente was te Corinthe opgewassen. Rijken zegen had de Heere verbonden aan den arbeid van Zijinen dienstknecht Paulus.
Ook na het vertrek van den apostel bleek diens arbeid blijvenden zegen achter te laten. Niettemin vernam Paulus te Epheze bij den aanvang van zijne derde zendingsreis ook vele dingen, die hem o zoo moesten bedroeven. Een brief, aan de gemeente geschreven, vol vermaningen en waarschuwingen, schijnt maar in slechte aarde gevallen te wezen bij de Corinthiërs. Paulus kreeg een hooghartig schrijven van hen terug, waarin men zijne vermaningen trachtte te ontzenuwen. In dien zelfden tijd kreeg hij van andere zijde uit Corinthe tijding van iets, wat hem nog veel meer bedroefde. De gemeente van Corinthe was bezig uiteen te vallen in verschillende partijschappen. Sommigen zeiden: »Wij zijn van Pautlus«, om daarmee uiting te geven aan hun groote liefde en genegenheid tot Paulus. Maar anderen zeiden: »Wij zijn van Apollos«. Deze was een welsprekend Joods christen uit Alexandrië. Zonder dat deze dit zelf ook maar eenigszins zal hebben gezocht, was er een deel in de gemeente van Corinthe, dat dezen boeienden spreker, die zoo machtig was in de Schriften, zoo hoog vereerde, dat Paulus er in hunne schatting haast niets meer bij was. Maar hierbij bleef het niet. »Er ontstond ook een partij, die duidelijk blijk gaf te staan onder den invloed van Cephas of Petrus. En eindelijk was er nog een partij, die zich tooide met den schoon klinkenden naam van »Wij zijn van Christus«, hetwelk evenwel lieden schijnen geweest te zijn, die er op wezen, dat Jezus ook onder de Joodsche wet geleefd had, en dat Zijn navolgers daarom zulks ook verplicht waren.
Ge kunt u indenken, hoe dit alles den apostel moet vervuld hebben met droefheid. Zal Satan tenslotte door het uitzaaien van de splijtzwam het werk des Heeren en des Apostels nog vernietigen? Al deze toestanden gaven aanleiding tot het schrijven van meerdere brieven, waarvan er ons twee zijn overgebleven, n.l. de eerste en de tweede brief aan de Corinthiërs.
Uit dien tweeden brief hebben we thans het twaalfde hoofdstuk voor oogen. Het zet de kroon op de bewijsgronden, die de Apostel aanhaalde tot verdediging van zijn Apostelschap. In het elfde hoofdstuk heeft hij in den breede uiteengezet, dat hij nergens minder in is geweest, dan de uitnemendste apostelen.
Niet zonder eenige aarzeling gaat hij er in het 12de hoofdstuk toe over om hun een blik te laten werpen in de heilgeheimen van eigen zieleleven. De apostel is er de man niet naar om, sprekend over zijnen weg, dien God met hem hield, zich in roem taal te verheffen. »Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar«, zoo schrijft hij zelf. Er is geen denken aan, dat hij ook maar een oogenblik beoogt om zich zelf voorop te zetten. Daarom schrijft hij: »Ik ken een mensch in Christus, voor veertien jaren (of het geschied is in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het) dat de zoodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel; en ik ken een zoodanig mensch (of het in het lichaam geschied is of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het) dat hij opgetrokken geweest is in het Paradijs en gehoord heeft onuitsprekelijike woorden, die het een mensch niet geoorloofd is te spreken«.
De apostel stelt het net voor, alsof hij het over een ander heeft. Eerst in den loop van zijn betoog is het niet langer aan twijfel onderhevig, of hij spreekt van zichzelf.
Welk een bescheidenheid, welk een heilige schuchterheid. Hieraan kan menigeen van Gods kinderen zich spiegelen, die misschien in den loop der jaren het ervarene onder' het vertellen hoe langer hoe meer verfraaide of versierde ter eigener eer, terwijl de apostel had geleerd: »Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt«?
't Was wel veertien jaar geleden, en toch was het alsof het pas gister geschied was. Hij zou het nooit vergeten. Hoe hij eigenlijk gesteld was, weet hij zelf niet meer. Of hij nog in het lichaam was, of de ziel aan het stof ontkluisterd was, wist alleen de Heere. Maar dit stond voor hem vast, dat hij door den wolkenhemel en den sterrenhemel henen werd opgetrokken in den derden hemel. Daar zingen de serafs. Daar toeven de gezaligden. Daar in dat oord van eeuwig licht lag het brandpunt van Gods alomtegenwoordigheid.
Ik kan mij indenken de nieuwsgierigheid van menig mensch, die nu denkt eens wat meer te weten te komen, hoe het zal wezen achter de Jordaan des doods, uit den mond van den opgestanen Lazarus of ook van Paulus, die was opgetrokken in den hemel der hemelen.
Voor den nieuwsgierige valt er weinig op te pikken. Het gordijn wordt er ten eenenmale voorgeschoven. 't Is den apostel niet geoorloofd daarvan te spreken. Zou er één taal der aardwormen te vinden zijn, die uitdrukking zou geven aan die onuitsprekelijke dingen?
Hoe lang de apostel deze zalige gemeenschap met God mocht smaken, is voor ons verborgen gebleven. Dit staat evenwel vast, dat er eene scherpe tegenstelling op volgde. Zoo pas nog in de zalige oorden van vreugde en blijdschap, ziet hij zich op eens geplaatst voor een satanischen kwelgeest of een engel des satans, die hem met vuisten slaan zou. Dit is naar des apostels eigen woord de nadere verklaring van den scherpen doorn, die hem in het vleesch gedrukt werd.
Wat kan een doorn de hand of den voet doorwonden! Welk een ondragelijike pijn! Met die kwellende pijnen vergelijkt hij ook het woeden van dien satanischen kwelgeest, die hem met de vuisten in het gezicht wilde slaan.
Veel is alle eeuwen door over dien scherpen doorn in Paulus' vleesch geschreven. Er zijn er, die gedacht hebben aan een lichamelijk lijden, b.v. doorborende pijnen in de Iris of niersteenlijden, enz. Beslist te verwerpen is natuurlijk deze verklaring niet. Het is altoos mogelijk dat de satan van het lichaamslijden gebruik maakt om met Gods kind den strijd aan te binden, om hem maar afvallig te maken van God.
Anderen hebben gedacht aan het lijden van Paulus vanwege de miskenning in de gemeente van Corinthe. We zullen inderdaad dit alles niet gering achten. Het moet voor den apostel hard zijn geweest, toen hij bemerkte dat er zoovelen in Corinthe aan zijn hemelsche roeping begonnen te twijfelen.
Maar nog weer anderen zoeken de oorzaak wat dieper en meenen, dat Rom. 7 ons den sleutel ter verklaring van dien doorn in het vleesch wel in handen geeft. Ook Paulus voelde na ontvangene genade, hoe groot de kracht der overgeblevene zonde was. Hij ervaarde tot zijn groote smart, dat hij niet heilig leefde, gelijk hij wel begeerde heilig te leven voor God. Er was een wet in zijne leden, welke strijd voerde tegen de wet van zijn gemoed, wat hem klagend deed uitroepen: »Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods«. »Misschien« — zoo zeggen de uitleggers — »is de apostel wel in bitteren strijd geweest met de een of andere boezemzonde, die hij telkenmale zocht te overwinnen, maar die zich telkenmale weer verhief om te trachten hem weer naar de zondige wereld te trekken«. Wij voor ons zijn ook van dat zelfde gevoelen, zonder dat we evenwel die andere verklaringen durven verwerpen.
Maar nu op de uitkomst van dien hangen strijd gelet! Het bracht den apostel op de knieën. Neen, hij heeft geen smeeking tot den kwelduivel zelf gericht, dat deze hem moet loslaten, maar wèl tot den Heere zelf. Maar ziet, zijn gebed scheen geen verhooring te vinden. De kwelduivel hield niet op om met vuisten te slaan. Zelfs na ten tweedenmale vurig te hebben gesmeekt, kwam er nog geen uitkomst. Op het derde smeekgebed kwam evenwel het antwoord des Heeren. Hoe gansch anders had Paulus dit antwoord verwacht. Maar geen wegname van den scherpen doorn is hierop gevolgd. Ook is de satanische kwelgeest niet voor altoos naar de rampzalige oorden van godverlatenheid verwezen. »Mijn genade is u genoeg, want mijn kracht wordt in zwakheid volbracht«, zoo blonk hem van den hemel tegen.
Ziet ge nu wel, dat er eigenlijk geen onverhoorde gebeden van Gods kinderen bestaan kunnen? Er staat geschreven: »Bidt en gij zult ontvangen«. De Heere is een Waarmaker van Zijn Woord. Toch is het nuttig, dat Hij menigmaal anders verhoort dan Gods kind zulks wenschen zoude. Hij alleen weet wat goed is voor Paulus. Hij zag reeds de gevaren, die de uitnemendheid der openbaringen voor Paulus met zich brachten. Om hem nu te bewaren voor zelfverheffing, heeft Hij juist dien scherpen doorn hem in het vleesch gegeven. Dit gaf den apotstel gedurig strijd en zieleworsteiing. Maar telkenmale deed de Heere den apostel ook weer Zijn genade ondervinden. Voor die genade moest de engel des satans bij tijden en oogenblikken wijken. Door die genade ondersteund, voelde Paulus zich dan weer krachtig en sterk. Dan mooht hij ervaren, dat Gods kracht in zijne zwakheid werd volbracht. Zoo zou het een leven in diepe afhankelijkheid blijven. Nu eens zuchten, dan weer juichen. Nu eens klagen, dan weer roemen. Nu eens schier bezwijken, maar dan weer triumpheeren. Nu eens in de donkere dalen van bangen twijfel, dan weer op de bergen des geloofs met heerlijke vergezichten naar het hemelsche Kanaän.
Met Gods genade zal Paulus den scherpen doorn kunnen dragen. Met Gods genade kan de dichter zeggen: »Het is goed, dat ik verdrukt ben geweest«. Met Gods genade kan Jesaja jubellen: »Ik dank U, dat gij toornig op mij zijt geweest, maar uw toorn is afgekeerd en gij vertroost mij«. Met die genade kan Paulus leven, maar kan Paulus óok sterven.
»Zoo zal ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in nooden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig«, zoo jubelde Paulus.
Lezers en lezeressen. Hebt gij ook kennis aan dien doorn in uw vleesch? O, wat al scherpe doornen kunnen in het vleesch drukken. Is niet de grondtoon van het leven moeite en verdriet? Wat al lichamelijk lijden! Met wat een smart worden de kinderen voortgebracht, maar ook vaak grootgebracht! Wat al leed en miskenning! Wat al woeling en strijd! En ondervindt ook Gods kind het niet gedurig, welk een kracht de zonde, die in hem is, helaas nog tegen zijn zin en wil, bezit. Wat oefent Satan een geweld uit op al Gods kinderen. Heilig voor Zijn aangezicht te willen wandelen, is door genade toch de lust van al Gods gekenden. En dan aan den avond van elken dag de schuldbrieven te moeten uitspreiden voor 't aangezicht Gods! O, het kan niet anders of 't moet van de lippen: »ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods«.
Lezers en lezeressen! Waar bracht u dit alles. Deed het u slechts morren en klagen? Kwam het tot een openlijk of heimelijk ballen van de vuist tegen den Almachtige? Zeker, er is genade toe noodig om eenswillens te zijn met Gods weg, als die weg ingaat tegen vleesch en bloed. Maar bedenk het, dat toch de psalmist heeft geschreven, dat de Heere de moeite en 't verdriet aanschouwt, juist daarom, opdat men het in Zijne hand leggen zou!
Zijn vaak niet de diepe wegen middelen om den mensch onder de werking van des Heeren Geest voor het eerst of bij vernieuwing op de knieën te brengen? In dat licht bezien, wordt elke doorn een roepstem van Boven.
O wat zal het zijn, indien de zegeningen, die de Heere u in den schoot wierp, u niet tot verootmoediging brachten? Nog schrikkelijker, indien ook in den weg der doornen en der gerichten het hart voor Hem niet vernederd werd. Roept de Heere het den mensch niet toe, dat hij zich vernederen zal onder Zijne slaande hand? Indien men onder al die bearbeiding zou verloren gaan, zal het deel wezen om met de satanische kwelgeesten voor eeuwig gepijnigd te worden.
O, gij allen die Hem vreest en die nochtans ook jammert over de doornen in uw vleesch, er blijft maar één weg voor u open. Dat is op de knieën. Eenmaal, andermaal, totdat Hij zich zal laten verbidden. Hij doet het wel niet om het gebed, maar nochtans op het gebed. Wel komt de Heere u niet meer te antwoorden met een stem van den hemel. Sinds Zijn Woord is afgesloten, leidt Hij al de Zijnen door dat Woord en door Zijnen Heiligen Geest. Als het licht van Boven over uw donkeren weg mag opgaan, dan worden vele »waaroms« veranderd in »daaroms«.
»Opdat gij u door de uitnemendheid der openbaringen niet zoudt verheffen«, is vaak het antwoord van de zijde des Heeren. De Heere maakt de Zijnen klein, maar integendeel van de aardsche vaders, houdt Hij ze ook na ontvangene genade gaarne klein, opdat zij zouden verstaan dat Gods genade alleen hun genoeg is, en dat God Zijn groote kracht in arme krachteloozen in zichzelf vervullen wil.
Zij dat ook uw ervaring, lezers en lezeressen.
ERMELO J.J. TIMMER
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's