De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Allerlei

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Allerlei

7 minuten leestijd

Het goud van de film en het goud van het Evangelie.
Goud bekoort zoozeer 't menschelijk gemoed aldus schrijft v. d. M(unnik) in »Timotheüs«, dat zelfs de Heilige Schrift, in welker atmosfeer de schittering toch maar een zeer bescheiden plaats heeft, herhaaldelijk zich aansluit bij de hooge waardeering van het goud. In Israels tempeldienst wemelt het van gouden sieraden: ringen en haakjes, kastjes en schelletjes, vaten en schalen, bekers en kruiken. En in Johannes' visioenen op Patmos zijn het weer de gouden kandelaars en de gouden kronen, het gouden wierookvat en het gouden altaar, die glans bijzetten aan de uitbeelding van het hemelleven, samengevat in de beschrijving der stad met de gouden poorten. Waar zóó de gewijde geschiedenis 't goud aan de spits der uiterlijke schoonheid zet, mag het ons niet verbazen dat de profane wereld den dans om 't gouden kalf danst, totdat zij in het einde der dagen met ontzetting zal hooren de echo van de spreuk tegen den Koning van Babel (Jes. 14 vs. 4): »Hoe houdt de goudene op!«
Voor hen — en dat zijn de meesten - die het goud alleen kennen op den afstand der bewondering of van het onbevredigd verlangen, is het schijngoud een welkome plaatsvervanger; al wat verguld is, lescht voor een oogenblik den dorst naar schittering; de vergulde armoede is er het tragische bewijs van. Met hoe weinig 'n mensch tevreden is, bewijst ons bovendien de bioscoop, die haar millioenen bezoekers voor een niet gering deel dankt aan de tentoonstelling van omgevingen, waarin het goud de heerschende macht is. Verreweg de, meeste filmdrama's spelen in de „groote" wereld; tijdig en ontijdig wordt er de salon en zijn schittering in aangebracht, en wie zal 't aantal bezoekers tellen, wier begeerte door zulke etalages van filmgoud werd opgewekt, om maar te zwijgen van de zwakke figuren, wier begeerte hen wegsleepte naar de daad!
Eenigen tijd geleden werd het bioscoopminnend publiek in extase gebraoht door een film, „Gold Rush" geheeten, waarin een der bekendste komieken de heldenrol speelde. Hij is, — zoo schreef een dagblad — 's werelds grootste gek. En deze ontzettende reputatie bezorgde hem weer de bewondering van millioenen, omdat hij in zijn „meesterwerk", waarom „elkeen moet schateren", tevens „het hooglied van het leed" had geschapen. Wat hij dan gedaan had? Wel, hij had zich met zijn clownerie begeven naar de sneeuwvlakten van Alaska, te midden van een „goud-ren", waar de genadelooze bezetenheid van den gouddorst mannen tot duivels maakte. En toen heeft hij zijn publiek laten zien, dat goud koud is en niet verwarmt, maar dat dorst naar goud toch in allen is. „Zonder goud komen wij om", schreef de man van de krant.
Toen ik dat las, fitste er een woord van dr. Gerritsen in mij op; Het was aan het einde van de laatste preek, die ik van hem gehoord heb; kort daarna viel het zware gordijn der geestelijke duisternis om hem heen. »Zonder God komen wij om!« zoo riep hij uit en een zware zucht begeleidde dat woord. Dat was de donkerheid van de vallei der Godverlatenheid. Maar het was tegelijk de echo van den geloofskreet: »Met mijn God loop ik door een bende, met mijn God spring ik over een muur«.
Zonder goud komen wij om. Zoo zegt de wereld van het film-goud.
Zonder God komen wij om. Zoo zegt het Gods volk, dat het goud des Evangelies ziet glanzen, een goud, dat nooit vergaat!
Zonder goud kom ik om. Zoo roept het kind dezer eeuw, dat zijn wankelend steunsel zoekt in de flonkering van het goud, hij moge het bezitten of begeeren. De wereld van dezen dag steunt hem in die armoedigste aller levensbeschouwingen; zij spelt hem dat woord dagelijks voor en zij zegt hem: het goud is zoet. En de bioscoop betoovert hem: het goud geeft levensweelde. En zijn rillend koude hart pantsert hij met platen van goud
Maar dan komen de donkere, somtijds tevens zijn laatste dagen. De wereld dreunt hem voorbij, want zij jaagt met haar goldrush voort langs en over degenen, die niet meer meekunnen. En de bioscoop wikkelt haar film-linten af, ernst en luim; zij mist hem niet, en van wat zij hem gaf, is niets overgebleven. Dat filmgoud is verdonkerd. En zijn arme hart huivert men kan toch door de enge poort niet gaan met een zak vol goud op den rug! Ach wat, hij zou zonder goud omkomen? Hij komt om mèt zijn goud, zooals men eens een verdronken man ophaalde, om wiens hals een zak met goud gebonden was, welke hij van een stoomboot geroofd had. Ds. Burroughs werd geroepen bij een rijkaard, die op sterven lag en om z'n geld schreeuwde. De predikant legde hem een zak met goud op het hart en wachtte »Neem het weg! Neem het weg!« gilde de stervende. »Het kan mij niet helpen!«
Neen, het filmgoud, en ook het tastbare goud, kan ons niet helpen bij den eindtocht. Dan is er goud noodig van ander gehalte. Wel diep gedolven goud. Zeker. En ook goud uit den smeltkroes. »Het behaagde den Heere hem te verbrijzelen«. Maar goud der onverderfelijkheid! Dat nooit verdonkert! Duur is het niet: »Komt, koopt zonder ge!d«. Maar wij zijn duur gekocht.
En daarom, met hoe milde hand dit goud der genade ook wordt uitgestrooid, wij moeten er toch heel zuinig mee zijn. Want wij dragen het in aarden vaten midden door het gedruisch en de verleiding der wereld heen, en — wij kunnen er geen korrel van missen.
Wij moeten er zuinig mee zijn, ook omdat God in Zijn kinderen Zich verheerlijken wil met het siersel hunner deugden. Niet meer het goud van 1 Tim. 2 vs. 9, maar dat van 1 Tim. 2 vs. 10 moet ons siersel zijn. De wereld zal de glanzing van dat goud niet onderkennen, want zij onderscheidt niet de dingen, die des Geestes zijn. Maar wij zullen het onder elkander wèl herkennen, en God groot maken, dat Hij ons verwaardigt, het siersel van Zijn genadegift te dragen, tot allen, die zonder goud meenen om te komen.
»En hij, die met mij sprak, had een gouden rietstok, opdat hij de stad zou meten«. »En de stad was zuiver goud«. »En de straat der stad was zuiver goud«. Ja, mijn lezer, het goud Iaat ons uit dit leven alleen weggaan, en het is onmogelijk, een gouden brug over de doodsrivier te slaan. Alleen Hij, Die gedaante noch heerlijkheid had, brengt ons er over, en dan, ja dan, vinden wij weer het goud in verblindende schittering vóór ons: de stad, die fundamenten heeft. Aldaar zal geen nacht meer zijn.
»Boven de sterren verdwijnt eens het duister, »Daar ziet gij alles ontraadseld, onthuld;
»Wat gij verwacht van Gods eeuwigen luister »Wordt daar eens heerlijk en blijvend vervuld.«

Een echte Gouden Bruiloft.
In een van de aanzienlijkste wijken der N.-Amerikaansche stad Boston, vierde een schatrijk echtpaar onlangs den 50sten herinneringsdag hunner huwelijksvereeniging. Op de met goud gedrukte uitnoodigingskaarten stond het volgende te lezen: »Wij danken onzen hemelschen Vader voor de ontvangen weldaden en zouden aan dit dankgevoel uitdrukking willen verleenen in een offer aan de armen en ellendigen. Wanneer onze vrienden met ons aan dit offer wenschen deel te nemen, zal het ons veel genoegen doen. De bijdragen onzer vrienden mogen niet grooter dan 1 dollar (ƒ2.50) zijn. Kleinere bijdragen worden als dankoffers ter toevoeging aan onze eigene met de meeste dankbaarheid in ontvangst genomen. Andere geschenken of verrassingen begeeren wij niet«.
Wat op deze wijze inkwam, werd door het gelukkige echtpaar minstens verdubbeld en onder de armen verdeeld. Voorzeker een sympathieke manier, om een gouden bruiloft te vieren.

Ter overdenking in regen-dagen.
Wanneer de hemel geeft zijn zegen
Van eenen schoonen zomerregen.
Zoo valt die gaaf wel overal.
Maar al wat hoog is en verheven,
Daar komt het water afgedreven
En vloeit in 't allerlaagste dal.
Dat is wat schoons om mij te leeren:
Zoo vloeit de milde gaaf des Heeren
In 't need'rig en ootmoedig hert.
O need'righeid, zoo hoog te roemen.
Wat draagt uw grond al schoone bloemen.
Och, of mijn berg een diepte werd.

JAN LUYKEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Allerlei

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's