De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

14 minuten leestijd

Het verbond Gods.
Nederland en Kanaän, Israël en Neêrlands volk zijn niet g e l ij k. Maar een v e r g e l ij k i ng mag wel gemaakt worden, want er is groote overeenkomst. Dat ze gelijk aan elkaar zijn — dat was zoo ongeveer het gevoelen van den bekeerden Jood Isaac Da Costa. Hierin gaan we niet mee met dezen vromen christen-Jood. Mr. Groen van Rrinsterer zag het beter. Die zei niet, dat ze g e l ij k waren, maar hij zei wel, dat ze met elkaar vergeleken kunnen en moeten worden. Bij vergelijking dus; niet bij g el ij k s t e l l i n g.
En ja, waarlijk er is overeenstemming te zien tusschen het Joodsche volk, het Israël van het Oosten en het Nederlandsche volk, het Israël van het Westen. Heel verschillende geschiedenissen. Ook heel verschillende venhouidingen. 't Is ook een heel andere genade-bedeeling dan vroeger. Die dat over het hoofd ziet, komt tot de onmogelijkste redeneeringen. Heel, heel anders is nu de volkspositie en de positie der Kerk dan onder oud-Israël. Maar een vergelijking mag en moet worden gemaakt Er is en blijft groote overeenstemming.
Zoo heeft de Heere hier uit Rome's diensthuis vrijgemaakt de Nederlandsche Gereformeerde Kerken van plaats tot plaats, om als de openbaring van het lichaam van Christus uit te komen van provincie tot provincie, levend bij des Heeren Woond en geleerd en geleid door des Heeren Geest. Uit vrij ontfermen heeft de Heere Zich tot ons gewend en in geloove is het verbond Gods aanvaard. Hem plechtig trouw belovend tot op den dag, dat Christus zal wederkomen op de wolken. Dat verbond is er, tot openbaring komend in het midden van de Nederlandsche Gereformeerde Kerken, met haar belijdenis en haar leven naar Gods Woord.
Nu is het van 's menschen zijde altijd zonde en tekortkoming. Ook van de zijde der Gereformeerde Kerk in dezen lande. Wie de Vaderlandsche Kerkgeschiedenis onderzoekt, leest er van en weet er van te verhalen. Wat valt het in vele opzichten tegen, als men het historieboek onderzoekt! Niet wat God gedaan heeft, maar wat onze Vaderen gedaan hebben; onze Nederlandsche Gereformeerde Kerken! Wat zijn er tal van zwarte bladzijden. Die de oude schrijvers leest weet er van. Die de kerkelijke historiën kent weet er nog meer van.
De straffen Gods zijn niet uitgebleven. De ellende op de kerkelijke erve is wel heel groot geworden. Verval van krachten. Overheersching der vijanden; verdrukking en vervolging van Gods volk. Scheuring en partijschap. En wie nu de erve der Nederlandsche Gereformeerde Kerken overziet, telt de Nederlandsch Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken, de Christelijk Gereformeerde Kerk, de Oud-Gereformeerden, de Gereformeerde Gemeenten, enz. enz. verscheurd, verstrooid en onderling verdeeld, omdat de Heere ons bezocht met Zijn straffen en omdat de een hierheen en de ander daarheen gegaan is, waarbij nu onze Nederlandsch Hervormde Kerk achtergebleven is als een terrein, waarop de aloude waarheid is gehandhaafd, — maar allerlei meening wordt daartegenover gesteld en worstelt om den voorrang.
Nu gelooven wij, dat de Heere het verbond met onze Nederlandsche Gereform. Kerken, waarvan een overblijfsel in de Nederlandsch Hervormde Kerk, welke sinds 1816 zucht onder de Synodale organisatie, is over gebleven, niet verbroken heeft. Hij heeft haar kennelijk den scheidsbrief nog niet gegeven. De Heere woont kennelijk in het midden van haar en heeft haar niet verlaten. Maar nu vraagt Hij naar Zijn eer. Hij vraagt, dat men leve voor Zijn Woord en dat men zich schikke om in Zijne wegen te wandelen. Kennelijk wacht Hij, dat zal worden gehoord de stemme van velen: Komt, laat ons onze wegen doorzoeken en laat ons wederkeeren tot den Heere.
Dat heeft niets te maken met zich af te scheiden van de Nederlandsch Hervormde Kerk. 't Is heel iets anders. 't Is om in het midden van de Ned. Hervormde Kerk zonde zonde te gaan noemen, kwaad kwaad te heeten en wel door overmacht niet zelden gebonden en gekluisterd, den strijd aan te binden tegen alles wat niet is naar Gods Woord en naar Gods wil.
Dat zijn de ware Hervormden die in het midden van de Ned. Hervormde Kerk bij de Waarheid Gods mogen leven, die Waarheid mogen liefhebben, die Waarheid mogen verbreiden en verdedigen en er in den weg der goddelijke Waarheid naar staan, dat de knoopen der ongerechtigheid ook kerkelijk worden losgemaakt en ook kerkelijk weer gewillig worde gewandeld naar den eisch van Gods verbond.
Die zóó wenschen te leven, te werken, te strijden — zullen dikwijls van anderen moeten hooren, dat ze onruststokers zijn.
't Zij zoo !
't Is ons echter om onrust niet te doen; dat is niet het doel van ons werken; 't is om rust en vrede te doen; maar uit den schadelijken, zondigen weg van ongehoorzaamheid zal de Kerk van plaats tot plaats moeten leeren opstaan, om het verbond Gods te vernieuwen en voor Zijn aangezicht in oprechtheid te wandelen naar Zijn Woord. »Wie zijnen weg wél aanstelt, dien zal ik Gods heil doen zien«, zegt de dichter van Psalm 50 in het 23ste vers. Mocht het daartoe nog eens komen in 't midden van onze Ned. Hervormde Kerk! »Zoo gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden, maar zoo gij Hem verlaat, Hij zal u verlaten«. (2 Kron. 15 vers 2b).
Het werk van den Gereformeerden Bond is dan ook niet anders dan de Kerk des Heeren in dezen lande, van ouds van God geroepen tot de heerlijkheid van Zijn dienst, doch sinds lange niet weinig afgeweken, toe te roepen: »Gewen u toch aan den Heere, opdat gij vrede hebt; en het goede zal u overkomen«. (Job 22 vers 21). Waarbij degenen die van ons heengingen ons niet zelden toeroepen: Wat is er in de Hervormde Kerk toch veel dat verkeerd is; wij begrijpen niet dat gij in die Kerk blijft; ga er uit en doe als wij! Deze broeders en zusters schijnen niet te verstaan, dat wij niet in de Hervormde Kerk blijven, omdat dat zoo'n beste en volmaakte Kerk is. Maar het is de Kerk des Heeren, van ouds hier geplant, der Vaderen erfgoed, welke zoo zwaar heeft gezondigd, terwijl de Heere bezig is, — om een woord te gebruiken, dat bij den profeet Hosea te vinden is (2 vers 13) — om »haar te lokken en haar te voeren in de woestijn, alwaar Hij naar haar hart zal spreken«.
Om die oorzaak blijven wij.
Het is het terrein des Heeren, de erve der Vaderen, waar schandelijk is overtreden door onze Vaderen en door ons; Zoo staan we niet los van die planting Gods. En dat er zooveel, zoo héél veel is, dat niet recht is — helaas! is dat naar waarheid getuigd. Maar wij blijven niet, omdat we dat beminnen in de Ned. Hervormde Kerk. We blijven niet, omdat we dat goed vinden. We blijven niet, omdat we dat willen bestendigen en bewaren. Ons zijn en blijven in de Ned. Hervormde Kerk houdt verband met de wondere leidingen Gods, met onze geboorte, doop, belijdenis en leven; en ons zijn en blijven is om mee ons te werpen in de geestelijke worsteling om de erve der Vaderen, opdat er kome een klacht over de ongehoorzaamheid en de ongerechtigheid; en opdat er kome een wederkeeren tot den Heere.
En nu beslist in deze niet dit of dat succes. Ook is het niet in onze hand gelegd om verlossing te brengen. Wat beslist is dit: of er een waarachtig berouw mag komen over de zonde en een roepen tot den Heere en een wederkeeren tot Hem, tot Zijnen Christus, tot Zijn Woord — dan zal de Heere het verdere doen en Hij zal ons den weg leeren. Laat ons daarvoor werken. Laat daarvoor ons gebed opgaan tot den Heere. Opdat het verbond Gods mag worden vernieuwd en ook in het midden van onze Ned. Hervormde Kerk weer meer en meer, van plaats tot plaats, van kerk tot kerk gehoord mag worden: »Wij zullen den Heere dienen«. (Joz. 24 vers 15b).

Zitplaatsen in de Kerk.
Dat blijft een moeilijk vraagstuk; met meer dan één kant. En benadert men dit probleem van de ééne zijde, dan bemerkt men dat men aan den anderen kant óók aan het werk moet. 't Is dikwijls een puzzle. Men kan ook soms zeggen: een wespennest.
Dat mag ons niet terug houden om ook deze zaak telkens onder de oogen te zien en te probeeren er van terecht te brengen wat mogelijk is. Ieder zal dan niet tevreê zijn; maar daar gaat het in de allereerste plaats niet om. 't Gaat er om, dat deze zaak voor de Kerk zoo goed en zoo eerlijk mogelijk geregeld wordt, terwijl de kerkgangers er gemak en genot van hebben. Welke twee dingen soms wat moeilijk zijn te combineeren, naar 't schijnt. Soms toch wil de Kerk er van »plukken« wat er te halen is, waarbij een grooter of kleiner aantal kerkgangers de dupe wordt. Soms ook willen de leden der gemeente (soms zelfs niet-leden) er van »plukken« wat er van te halen is, waarbij de Kerk de dupe wordt. Noch het een, noch het ander mag het geval zijn.
De eerste vraag is hier: Van wie zijn de zitplaatsen in de Kerk? En dan moet het antwoord zijn en blijven: Van de Kerk. Maar dan »het eigendomsrecht op zitplaatsen«, waarvan men in tal van gemeenten deze en gene familie hoort spreken ? Het »Orgaan« van de Vereeniging van Kerkvoogdijen in de Ned. Hervormde Kerk geeft daar een artikel over. Laten we er hier wat van meedeelen.
»Het eigendomsrecht op zitplaatsen«, zoo lezen we daar, »komt zeer veel voor en onder verschillende vormen, die hier niet alle kunnen opgesomd worden. De voor de kerk meest drukkende vorm is deze, dat men voor zich en voor zijn erfgenamen, of andere rechtkrijgenden, beweert, eigenaar van één of meer zitplaatsen te zijn, zonder dat de kerk daar iets aan doen kan. Men kan dus zulke zitplaatsen verkoopen; men kan ze op zijn beurt verhuren en men laat ze bij sterfgeval na aan de erfgenamen. Op die wijze kan het voorkomen en komt het voor, dat niet alleen enkele zitplaatsen, maar heele banken in handen zijn van menschen, die er een melkkoetje van maken. Ook komt het voor, dat adellijke families, die van ouds één of meer banken in de kerk bezitten, althans beweren te bezitten, er dergelijke melkkoetjes op na houden. Men vraagt zich af: hoe zijn ze rechtens ontstaan? Op verschillende manieren; wederom te veel om hier op te sommen. Eenvoudige machtsaanmatiging heeft hier ook wederom een groote rol gespeeld. In ieder geval zijn de tijden thans veranderd en wat eenmaal van zelf sprak. Is thans een bron van ergernis en schade geworden. Men moet deze zaak op de volgende wijze beschouwen:
De Kerkvoogdij of althans de Gemeente is eigenares van het gebouw, en nu komt er een ander, die beweert recht te hebben in dat gebouw te mogen zitten.
Het is wel mogelijk, dat hij dit recht heeft, doch dan zal hij zijn recht moeten bewijzen. Dat bewijs kan alleen daarin bestaan, dat hij of zijn rechtsvoorgangers dat recht van de kerkvoogden, of althans van de zijde der Gemeente uitdrukkelijk hebben verkregen. Hij kan niet volstaan met aan te voeren dat hij dit recht heeft »georven« of van iemand heeft gekocht, want het kan wel zijn, dat zijn rechtsvoorganger in het geheel geen rechthebbende was. Nu kan men 't recht om in eens anders huis te mogen zitten, bezwaarlijk anders verkrijgen dan door koop of schenking, of doordat op eenigerlei wijze die andere, dat is de Kerkvoogdij, het bestaan van dit recht heeft erkend. Die erkenning kan niet liggen in het feit, dat de Kerkvoogdij dien man of vrouw vele jaren ongestoord heeft laten zitten. Dat was vriendelijkheid van de Kerkvoogdij, waaruit nog geenszins een recht van verjaring voortvloeit, of m.a.w. zij die beweren rechthebbende op een zitplaats te zijn, kunnen door de Kerkvoogdij uitgenoodigd worden dat recht te bewijzen. Waarschijnlijk zullen verreweg de meeste rechthebbenden dat niet kunnen en dan zal de Kerkvoogdij op goede gronden aan die menschen duidelijk kunnen maken, dat, waar zij niets bewijzen kunnen, zij ook niets te eischen hebben, en dat dus vanaf een zekeren datum hun beweerd recht niet meer zal worden erkend.
Of dit een storm in de gemeente zal doen opgaan, is een kwestie van hoe men de zaak aanpakt. Een dergelijk aanpakken van het eigendomsrecht op zitplaatsen moet methodisch en goed voorbereid worden, zoodat het aan de openbare meening is duidelijk gemaakt dat dergelijke heerlijke rechten in de Kerk niet langer bestaanbaar zijn«.
Wij zijn het met het »Orgaan« van de Vereeniging van Kerkvoogdijen eens, dat allerlei oude misbruiken en misstanden maar niet bestendigd mogen worden. Verbeeldt u, dat er tal van menschen zijn, die van eigendomsrecht spreken, die met stoelen en banken in de kerk doen wat ze willen, die er aardig wat mee verdienen en dat al — terwijl de Kerk er niets over te zeggen heeft en er niets voor ontvangt. Wat dat laatste betreft: de Kerk die de zitplaatsen heeft en houdt, moet die zitplaatsen zoo goed mogelijk ter beschikking stellen van degenen die Gods huis bezoeken. Maar dat behoeft volstrekt niet gratis te geschieden. Het bezoek aan Gods huis is geen »visite«, welke men ergens maakt. Het is Gods huis en het huis der gemeente, welke gemeente iets reëels is, een eigen »huisgezin« vormt, met eigen inkomsten en uitgaven en dan moeten de huisgenooten er mee zorg voor dragen dat de inkomsten de uitgaven dekken, welke inkomsten voor een deel zeer goed gevonden kunnen worden uit de opbrengst van de zitplaatsen. Dan moet men niet in een kroeg plaatsen gaan verkoopen of verhuren, om bespottelijk hooge prijzen te maken. Ook moet men niet in de Kerk »verkooping« of »verhuring« houden, waarbij er soms een »opjagen« is tegenover elkaar, waar ieder weldenkend mensch van walgt. Moet Gods huis gemaakt worden tot een koophuis of tot een moondenaarskuil? Immers neen!
Maar nu behoeft men de plaatsen ook niet voor »niets en niemendal« te geven. Men kan er best voor betalen per jaar. En dat er onderscheid van plaatsen is, vinden we niet meer dan natuurlijk. Dat behoeven we in Gods huis niet te verdoezelen; als 't maar niet onbehoorlijk op de spits gedreven wordt, met speculatie op de rijken of meergegoeden, met wreede, krenkende achterstelling der armen of mindergegoeden. Het kerkgebouw zou b.v. in vakken verdeeld kunnen worden en de zitplaatsen gegroepeerd en dan zou men voor vastgestelde prijzen de plaatsen kunnen beschikbaar stellen. Maar dat de menschen (soms menschen, die niet eens tot de Kerk behoren of zelf nooit in de Kerk komen) een meer plaatsen in »eigendom« hebben er een melkkoetje van kunnen maken dat moet niet voorkomen; en als het nog ergens zoo is, dan moet men daar zoo spoedig mogelijk een eind aan maken. De zitplaatsen behooren aan de Kerk en die moet er de beschikking over hebben en houden naar regelen van recht en billijkheid in het belang van de gemeente. De openbare meening in de gemeente zal die verkeerde en verouderde toestanden niet meer dulden als men haar het bestaan er van bekend maakt. En overigens moet de gemeente bewerkt worden, dat men saam voor de uitgaven van het kerkelijk leven staat. 
Er moet geld zijn. Het kerkelijk leven kan en mag niet zonder geld zijn. 
Laat men daarom aan de gemeente een begrooting voorleggen; laat men ieder, zoo goed mogelijk, naar z'n inkomen schatten, laat men zeggen: als ieder zooveel betaalt dan kan de Kerk zich helpen. Als men dan van ieder naar dien billijken aanslag krijgt en men mag rekenen op de collecte en op de vergoeding voor de zitplaatsen, dan heeft men alles zoo billijk en zoo eerlijk mogelijk geregeld en de Kerk behoeft geen armoe te lijden. 
De gebouwen moeten onderhouden. De Kerk moet zich dan zus en dan zoo in het openbaar vertoonen. Allerlei werk moet van de Kerk uitgaan. En de predikanten moeten onderhouden worden, de predikanten en hun gezinnen; de dienstdoende predikanten en de rustenden; ook de weduwen en de weezen waar het noodig is.
Zijn we al zoover? Moeten gereformeerde gemeenten, gereformeerde kerkvoogden en gereformeerde kerkeraden niet aan de spits staan hier! Daartoe moeten al de gereformeerde meenteleden helpen, blijmoedig en flink waarbij we eerlijk zullen bekennen dat we hier lang onzen plicht en onze roeping hebben verzaakt. Laat men dan aan de gemeente zeggen wat er noodig is, en het komt er.
Is 't niet zoo, lezer, lezeres?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's