De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

8 minuten leestijd

De organisatie der Kerk van goddelijken oorsprong. (3)
(Het Apostolaat).

De Heiland, de Gezondene des Vaders, heeft hier op aarde een gemeente gesticht, waarvoor Hij Zelf allerlei ordeningen heeft gegeven, opdat er een beboorlijk christelijk samenleven zou kunnen plaats hebben; en begonnen met de Zending onder Israël ging dat over in een wereldmissie, waarbij de apostelen een bizondere plaats hebben ingenomen.
Spreken we dan ook over de organisatie der Nieuw-Testamentische Kerk, dan moet over de Apostelen allereerst gesproken worden, waarbij het onze aandacht verdient, dat zij een grondleggende beteekenis voor de organisatie der Kerk hebben gehad en daarom vóór-op moeten gaan bij onze verhandeling; maar daarbij moet dan tegelijk weer ernstig in 't oog worden gehouden, dat hun positie een exceptioneele plaats is geweest. Het Apostolaat is ééns geweest en nooit weer. Maar dat het geweest is, is allerbelangrijkst.
In Hebr. 3 vers 1 wordt Jezus Zelf Apostel genoemd. (»Hierom, heilige broeders, die der hemelsche roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis, Jezus Christus«). En die Groote  Apostel Jezus Christus, van den Vader gezonden zijnde, heeft Zelf aanstonds aan Kerk den kring van de twaalf Apostelen gegeven. Die besloten kring heeft, naar luid van de Evangeliën, van den beginne af bestaan, onderscheiden van anderen, die ook met Christus waren. Zij heeten wel discipelen, maar worden dan ook weer, met onderscheiding juist van anderen die met Christus waren, tegelijk »apostelen« genoemd. Zie Matth. 10 vers 1 en wat er in vers 2 onmiddellijk op volgt. Leerlingen, volgelingen, discipelen waren er meer, doch er waren maar twaalf van de leerlingen en volgelingen, die apostel werden genaamd, geroepen tot een afzonderlijke taak Mark. 3 vs. 13—16: »En Hij klom op den berg en riep tot zich die Hij wilde; en zij kwamen tot hem. En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn en opdat Hij hen zoude uitzenden om te prediken en macht te hebben de ziekten te genezen en de duivelen uit te werpen, enz.« Mark. 6 vs 7: »En Hij riep tot zich de twaalve en begon hen uit te zenden twee en twee; en gaf hun macht over de onreine geesten, enz; vers 30: »En de Apostelen kwamen weder tezamen tot Jezus en boodschapten Hem alles, beide wat zij gedaan hadden en wat zij geleerd hadden«. Luc. 6 vers 13: als het dag was geworden riep Hij zijne discipelen tot zich en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook Apostelen noemde«. Luc. 9 vs 1; »En Zijne twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over alle de duivelen en om ziekten te genezen; en Hij zond ze henen om te prediken 't Koninkrijk Gods en de kranken gezond te maken«; vers 10: »En de Apostelen wedergekeerd zijnde, verhaalden Hem al wat zij gedaan hadden, enz.« (Zie Luc. vers 49; 17 vers 5; 22 vers 14; 24 vers 10).
Uit Gods Woord blijkt overduidelijk, dat de Heiland voor de komst van Zijn Koninkrijk (Luc. 9 vers 1) en voor de stichting van Zijn Kerk aan de Apostelen, twaalf in getal, een bijzondere plaats heeft aangewezen. Zij waren met Jezus als Zijn discipelen, wat natuurlijk maar tijdelijk was tot aan Zijn dood en hemelvaart en ze werden door Hem uitgezonden als Zijn apostelen wat voortduurde ook na Zijn hemelvaart en wat een einde nam toen de Apostelen zelf gestorven waren.
In die Apostelen zien we in beginsel de Kerk van Christus en wel zooals die van plaats tot plaats en van land tot land tot openbaring zou komen, waarbij de Apostelen leerden en regeerden. Matth. 28 vers 16 - 20»Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren, dezelve doopende, enz.«; Joh. 20 vers 19—23: »Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden«.
In het boek de Handelingen wordt de naam »Apostelen« overal gebezigd, waarbij de schrijver vroeger (Luc. 6 vers 13) reeds verklaard had, dat de Heiland Zelf dien naam hun gegeven had. Hun bizondere taak is dan getuigen te zijn van Jezus Christus, die uit de dooden is opgestaan. Hand. 1 vers 8: »Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, die over u komen zal en gij zult mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem als in geheel Judéa en Samaria en tot aan het uiterste der aarde«. Christus Zelf was het heerlijke onderwerp hunner prediking, innerlijk geleerd door den Heiligen Geest!
Het valt dus niet te ontkennen, dat de Apostelen door Christus geroepen, op bizondere wijze met gaven des Geestes zijn begenadigd en daardoor tot het bizondere ambt van Apostel zijn gekomen; waarbij op buitengewone wijze, maar geheel door de leiding des Heiligen Geestes, Paulus straks aan de Apostelen wordt toegevoegd, hebbende dezelfde roeping en dezelfde macht.
In de gemeenten worden de Apostelen als zoodanig erkend. 't Mag later hier en daar door onruststokers in twijfel getrokken worden, of Paulus wel tot de Apostelen behoort, maar dat de Apostelen zeggenschap hebben i n  en  o v e r  de gemeenten, betwijfelt niemand. Hun werk wordt dan ook openbaar van plaats tot plaats. Hun leer is betrouwbaar en zeker. En als 't er op aankomt hebben zij de macht om te berispen en te straffen, ook om leiding te geven aan het werk. 1 Cor. 11 vers 34b: »'De overige dingen nu zal ik verordenen als ik zal gekomen zijn«. 1 Co-r. 4 vers 21: »Wat wilt gij? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in den geest der zachtmoedigheid«. 2 Thess. 3 vs. 6—10: »En wij bevelen u, broeders, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, dat gij u onttrekt van een iegelijk broeder die enz. enz.«
De Apostelen treden dus op met gezag bij hun grondleggend werk in het midden van Christus' Kerk, maar zij doen het nooit met autocratische tirannie; veeleer zooals een vader handelt met z'n kinderen. 1 Cor. 4 vers 14. Als 't moet, weet de Apostel »stout« op te treden Rom. 15 vers 15, ook houdt hij zijn scherpe bestraffingen niet in (gemeente van Corinthe), maar hij schrijft aan de Gemeente des Heeren, die ook zelve in de consciëntie van de waarheid van het Apostolisch woord moet overtuigd zijn, 1 Cor. 14 vers 37: »Indien iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, die erkenne dat hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn«.
Wat zij leeren, schrijven, verordenen is dus gezaghebbend. En zoo wordt de N.-Testamentische Kerk door de Apostelen gesticht; de gemeenten worden door hen geleerd en geregeerd (1 Cor. 11 vers 34b). Hun ambt was dan ook een generaal of algemeen ambt, geldend voor alle Kerken (Matth. 28 vers 19 ; Matth. 16 vers 15). Daarom bidt de Heiland ook voor hen »maar ook voor degenen, die door hun woord in mij gelooven zullen« Joh. 17 vers 20. Jezus zag in hen het beginsel van Zijn heele Kerk en vertrouwde Zijn Kerk aan hen toe.
Dat brengt mee, dat het Apostelambt een geheel e e n i g ambt is. Met de stichting der Kerk heeft het Apostolaat zijn taak volbracht; dan gaat een nieuwe periode van het kerkelijk leven in; voorbereid door de instelling van de ambten onder leiding van de Apostelen.
Eerst vindt men dus in beginsel alles in het Apostelambt, zoowel in de plaatselijke Kerken (Corinthe, Rome, Thessalonica enz. enz.) als voor héél de Kerk. De dienst des Woords, de bediening der Sacramenten, de oefening der tucht, de verzorging der armen — 't ligt alles in het Apostelambt, wat later breeder uitgroeit, bij verdwijning van het Apostolaat, in de ambten.
Paulus kent en erkent dat Apostelen-tal, zooals wel blijkt uit Gal. 1 vers 17, waar hij den kring der Apostelen op 't oog heeft als een bepaald, afgesloten gezelschap, waar de Heere hem op zeer bizondere wijze aan komt toevoegen en mee komt vereenigen. Zoo komt het ook dat gesproken wordt van »de leer der Apostelen«, waarbij de eerste gemeewte aanstonds volhardende was; echter zóó, dat men niet een gemeente werd van een Apostel, maar een gemeente van Christus.
Door de Apostelen, Petrus vóóraan, wordt het fundament gelegd; en dat fundament is Christus. Zóó realiseert zich het Koninkrijk Gods in de gemeenten. En de ordeningen der gemeenten komen zoo ook tot stand (1 Cor. 11 vers 34b). Uit Christus door de Apostelen en voor de Kerk. Waar de Apostelen komen komt Christus en komt de Kerk. En waar zij als leiders optreden, worden de grondslagen gelegd en de ordeningen gesteld voor een zich straks uitbreidend kerkelijk leven.
Waar de Apostelen komen en leeren en werken, vormt zich een centrum der Kerk. En vanuit die centra breidt zich de Kerk uit naar alle kanten, waarbij dan voor de Kerken van plaats tot plaats zich de ambten, uit en door het Apostolaat, ontwikkelen; zoodat als de Apostelen straks weggevallen zullen zijn, van gemeente tot gemeente herders en leeraars, ouderlingen en diakenen aanwezig zijn. En dat zijn dan de blijvende ambten. Het Apostolaat is het wortelambt (buitengewoon en voor éénmaal) waaruit de andere ambten bij wijze van vertakking en dus weer in organischen samenhang, zich ontwikkelen.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's