STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Bakens in zee.
De oplossing van het vraagstuk inzake de verhouding van de Kerk tot den Staat, op zichzelf reeds een ingewikkelde en moeilijke materie, wondt, tengevolge van de houding, welke op politiek terrein bijzonder de protestantsch christelijke partijen tegenover het vraagstuk innemen, er niet gemakkelijker op.
Aan den eenen kant staan zij, die voor de vrijheid der Kerk, los van alle Overheidsbemoeiing, opkomen, die voor de Kerk eigen levensterrein opeischen en als eerste stap in die richting losmaking van de z.g.n. zilveren koorde vragen, terwijl aan den anderen kant zij zich bevinden, die een pleidooi leveren voor een nauwer contact van den Staat met de Kerk, speciaal met de Ned. Hervormde Kerk, en daarbij zelfs zoover gaan dat zij liefst zouden zien dat de Staat de voedsterheer van de Kerk werd, zich daarbij beroepende op wat Artikel 36 van de Geloofsbelijdenis ten deze leert.
Over dit beroep op Artikel 36 van de Geloofsbelijdenis behoeven wij, na al hetgeen daarover, vooral in den laatsten tijd in ons blad werd geschreven, niets meer te zeggen. Alleen zouden wij, die voorstanders zijn van het beginsel van de souvereiniteit van den Staat en van de Kerk, in dit verband de vraag willen stellen, hoe Protestanten, en dan nog wel zich noemende Gereformeerden, die van een bevoorrechte positie van Rome niets willen weten, zich zonder protest kunnen neerleggen b.v. bij bepaling van het Koninklijk Besluit van December 1861 betreffende de vervulling van predikantsvacatures, luidende:
Voor tot vervulling der vacature eener predikantsplaats bij een der Protstantsche Kerkgenootschappen, waar van 's Landswege tractement of andere voordeelen aan zijn verbonden, over te gaan, d o e t de bevoegde kerkeraad aanvrage bij het Departement voor de Zaken van den Hervormden Eeredienst enz. (tegenwoor het Departement van Financiën) tot erlangen eener autorisatie, ten einde aan den te beroepen leeraar, met het beroep tevens het bedrag dier laatstelijk aan zijn standplaats verbonden inkomsten te kunnen aanbieden.
Wij lieten met opzet hier een paar woorden spatiëeren, om daarmede duidelijk te doen uitkomen dat de Protestantsche Kerkgenootschappen, die op eenigerlei wijze in financiëele relatie tot het Rijk staan met de vervulling eener vacature, autorisatie, machtiging of vergunning hebben te erlangen, terwijl de Roomsch Katholieke Kerk, die voor hare geestelijken eveneens gelden uit de schatkist ontvangt, volkomen vrij in haar doen en laten zijn. Deze achterstelling hebben de protestanten zich te laten welgevallen. Zij aanvaarden daarmede de bevoorrechte positie van Rome. En dan willen de Protestanten, de ijveraars voor de volkskerk, niets liever dan dat de banden tusschen den Staat en de Kerk nauwer worden toegehaald.
Intusschen gaan wij hier niet verder op, omdat wij dit keer iets willen zeggen over het groote gevaar, dat de Kerk bedreigt wanneer de Staat zeggenschap krijgt in de Kerk of naar de Kerk zijn handen uitstrekt.
Hoe onze Gereformeerde Vaderen tegen de inmenging en de bemoeizucht van de Overheid met de Kerk hebben moeten worstelen, en hoe zij als 't ware bij de uitoefening van hun ambt met handen en voeten door de Overheid gebonden waren, is overbekend, daarvan is nog zoo lang niet geleden bij de uitnemende behandeling van artikel 36 der Geloofsbelijdenis in ons blad menig kras staaltje medegedeeld.
Doch wij behoeven niet tot het verleden terug te gaan om te doen uitkomen, welke funeste gevolgen het voor de Kerk heeft, wanneer de Staat zich op het terrein van de Kerk gaat bewegen.
Twee gebeurtenissen uit den laatsten tijd zijn te dien opzichte leerzaam en bakens in zee; de geschiedenis van de Waldenzen en de vervolgingen in Mexico.
Wat wij over de Waldenzen willen zeggen, daarvoor levert 't verslag van het Comité voor de behartiging van de geestelijke belangen dezer valleibewoners, uitgebracht in de 17de vergadering van de onlangs gehouden Algemeene Synode der Ned. Hervormde Kerk, ons de noodige stof. De Waldenzen, die, zooals men weet, de Italiaansche dalen van Piemont en Savoye bewonen en die in vroegere jaren als klein Protestantsch volksdeel te midden van een Roomsch Katholieke bevolking aan ernstige vervolging bloot stonden, maken tegenwoordig weer moeijke tijden door. De moeilijkheden betreffen de school en indirect ook de Kerk. Langen tijd ging het met de scholen der Waldenzen voorspoedig. Zij verkeerden in bloeienden staat. De scholen waren onafhankelijk van den Staat en werkten naar eigen leerplan. De bevolking benoemde haar onderwijzers en betaalde ze.
Een van de rechten, welke de Waldenzen op 17 Februari 1848, toen de vrijheid van godsdienst werd afgekondigd, verkregen had, was, dat op de scholen Bijbelsch onderwijs mocht worden gedoceerd, en alle onderwijs in de taal der vaderen, de Fransche taal, mocht worden gegeven. Die taal was het herkenningsteeken der Waldenzen. Daarom waren zij altijd te onderscheiden van de R. K. Italiaansche bevolking. Echter is in dien toestand verandering gekomen, toen kort geleden de scholen, ten gevolge van een nieuwe wet, door den Staat bij het algemeen onderwijs werden opgenomen. De onderwijzers werden nu van Rijkswege benoemd en gesalarieerd. Bovendien werd het leerplan door het Rijk opgemaakt. Het ergste was intusschen, dat bij de nieuwe regeling zoowel het Bijbelsch onderwijs als het gebruiken van de Fransche taal uit het leerplan werden verwijder. Wel mocht aanvankelijk het aanleren van de Fransche taal en het geven van Bijbelsch onderwijs nog in den vrijen tijd plaats hebben, dooh ook dit is thans verboden.
In het rapport van de Commissie aan de Synode wordt dan ook gewaagd van de geheele verdwijning van de Fransche taal in de dalen der Waldenzen en van een opheffing der scholen en van een verdwijning van de Kerk.
Uit dezen gang van zaken blijkt duidelijk welke funeste gevolgen het voor het leven van een volk kan hebben, wanneer de Staat zich medezeggenschap gaat toeëigenen op terreinen, waarvan hij zijn handen heeft af te houden. Nu is 't intusschen, na de ervaring, welke de Waldenzen ten aanzien van de school hebben opgedaan, moeilijk te begrijpen hoe op dit oogenblik bij dit volk nog een begeerte valt waar te nemen om ten behoeve van de Kerk door de Overheid financieel gesteund te worden.
In vroeger jaren kregen de Kerken van de Waldenzen een bijdrage uit de gemeentekassen ten behoeve van den Eeredienst. 't Is echter in den laatsten tijd uitgesloten geworden, tengevolge van het fascistisch bewind in Italië, waar de bevoegdheid van den Raad niet anders meer is dan adviseerend en de burgemeester in vele gevallen door een regeeringsambtenaar is vervangen geworden. Naar onze meening valt het van den kant der Waldenzen toe te juichen, dat hun Kerk tegenwoordig geheel vrij is en met de Overheid niets meer te maken heeft. En dit temeer, omdat van particuliere zijde op voldoenden geldelijken steun kan worden gerekend.
Hetgeen in de Italiaansche valleien op dit oogenblik plaats grijpt, moet voor alle volken en ook voor ons volk een baken in zee zijn om aan het gevaar te ontkomen, dat voor School en Kerk dreigt, wanneer de Overheid zich gaat bemoeien met dingen, die niet op haar terrein liggen. Nog duidelijker treedt dit gevaar naar voren in 't geen de vervolgingen in Mexico te aanschouwen geven.
Doch daarover den volgenden keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's