De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

9 minuten leestijd

De organisatie der Kerk van goddelijken oorsprong. (4)

Apostelen met hun belijdenis aangaande den Christus — Petrus vooraan — vormen de fundamentsteenen voor het gansche gebouw der Kerk van plaats tot plaats van land tot land; welk fundament, in de leer der Apostelen gegeven, geen ander fundament is dan hetgeen van God gelegd van eeuwigheid. (1 Cor. 3 vers 11). Dat fundament leggen de Apostelen, ieder in zijn kring. En straks bouwen anderen op dat fundament voort en de Kerk wordt uitgeplant van stad tot stad. Petrus noemt zich te midden van de ambtsdragers, die er gekomen zijn, »een mede-ouderling« (summesbuteros) gelijk Johannes in 2 Joh. 1 heet »De Ouderling« (presbuteros). Er ging van de Apostelen, van uit de centra, een bevruchtende werking uit voor het latere leven der gemeente — wat uit de Pastoraalbrieven wel blijkt, in de brieven aan Timotheüs, Titus enz. — en als de moeilijkheden komen, staan de Apostelen in de bres en geven de leiding in de gemeenten aan de leraars en ouderlingen, zijnde de dragers in het blijvend ambt in Christus' Kerk.
Er is dus niets van aan, dat de Kerk des Heeren ontstaan is uit enthousiasme en in haar eerste beginselen aan alle vormen en aan alle orde vreemd zou zijn geweest. Alles is een openbaring en uitwerking van Gods Raad. En zoo wordt de Kerk gesticht, opgebouwd naar goddelijke lijnen, van welke de Heiland aanstonds openbaring vraagt. Eerst in de roeping en ordening en bekwaammaking van de 12 Apostelen. Die dan verder bouwen aan het geestelijk huis, en realiteit krijigt onder de volkeren.
Het spreekt vanzelf, dat niet aanstonds de Nieuw-Testamentische Kerk daar staat in haar vaste, blijvende vormen. En het is volkomen waar, dat Jezus Zelf niet heeft verkeerd in een Kerk met leeraars, ouderlingen, diakenen, synoden enz. Maar fout gaat ieder, die niet ziet en erkent, dat Jezus Zelf de fundamenten gelegd heeft, die berekend waren op een kerkelijk leven, zooals dat zich later in de eerste christen-gemeenten heeft ontwikkeld. We krijgen eerst 't buitengewone, dan het gewone; maar in het buitengewone is het model gegeven voor het gewone en zoo is in het eerste en oorspronkelijke reeds het beeld van de kerkelijke organisatie ingeweven.
We zien dat heel duidelijk in de gemeente van Jeruzalem.
Wat buitengewone krachten en gaven! Maar wanneer de Geestesstroom bezonken was vertoonen zich spoedig de vastere vormen waarin het leven van Gods gemeente zich gaat openbaren. Trouwens, de machtige toevloed maakte vanzelf reeds organisatie noodzakelijik, zoo niet heel de gemeente in reddelooze verwarring zou ondergaan.
Laat ons met een enkel woord iets van de eerste gemeente van Jeruzalem mogen zeggen.
In de opperzaal waren na de hemelvaart slechts 120 personen bijeen, maar uit hetgeen Paulus (1 Cor. 15 vers 6) mededeelt, dat de Verrezene door 500 broeders op één dag is gezien, blijkt dat het discipelental veel grooter was. Op den Pinksterdag werden 3000 toegedaan (Hand. 2 vers 41). Dagelijks nam dit getal toe (2 vers 47) en groeide na de vervolging van Petrus en Johannes aan tot 5000 (4 vers 4). En steeds werden meer toegevoegd (5 vers 14; 6 vs. 7) In Hand. 21 vers 20, dat was ongeveer in het jaar 58, wordt gesproken van duizenden. Een zeer gemengde schare uit allerlei kring en van allerlei sociale positie: vrouwen (5 vers 14), welgestelden (2 vers 54, 5 vers 1), armen (4 vers 34), dienstbaren (12 vers 13), priesters (6 vers -), farizeën (15 vers 5), toegevloeid uit Palestijnsche Joden, Joden uit de diaspora of verstrooiing en heidensche proselieten. Al die  elementen werden in één lichaam door den nieuwen band van geloof en broederschap zóó saamgesnoerd, dat ze één van zin hun geloofsleven openbaarden. Hand. 2 vers 42—47: »En zij waren volhardende in de leer der Apostelen en in de gemeenschap en in de breking des broods en in de gebeden enz.«
De doop is daarbij het zichtbare teeken voor allen die in Jezus gelooven en tot de gemeente toetreden, om daarin te worden opgenomen.
Zij die zeggen, dat Jezus nooit anders gewild heeft dan de vrijheid en niets anders, waarbij dan het Evangelie en de Doop en het Avondmaal en de ambten inkruipsels zijn geweest van het Secte-wezen, door welke vreemde dingen de oorspronkelijke Christelijke Kerk al heel spoedig is afgeweken van Jezus, die slechts religieuse Bergrede-ideeën had gepredikt, slaan de plank toch wel heelemaal mis!
In het Apostolaat, in den Doop, in het Avondmaal, in de leer en in de gebeden heeft Jezus Zelf het fundament gelegd voor het leven van Zijn Kerk en als een wèl-georganiseerd geheel, als een schoon-saamgevoegd bouwwerk, heeft Hij Zijn Gemeente gezien in de toekomst, waarvoor Hij Zelf ordeningen en wetten heeft gesteld.
In de bediening van den doop treedt dan ook onwedersprekelijk aan het licht, dat de Jeruzalemsche gemeente van meet af was georganiseerd rondom het Evangelie met Apostelen en opzieners. Met een betrouwbaar getuigenis trad men tot den heiligen krimg toe. Men begon maar niet willekeurig mede te leven in spiritualistische ongebondenheid, maar wel degelijik werd in 't zichtbare een formeelen band aangelegd, die van zelf beloften en verbintenissen meebracht. Men onderwierp zich daardoor aan den regel des Evangelies en aan het opzicht en de tucht, in het midden van de gemeente geoefend.
»Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt, en daar werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen; en zij waren volhardende in de leer der Apostelen en in de gemeenschap en in de breking des broods en in de gebeden«. Zóó sluiten de nieuw bekeerden zich aan het gemeenteleven aan en zoo houden de Apostelen alle dingen recht. »En allen die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeen en zij verkochten hunne goederen en have en verdeelden ze aan allen, naar dat elk van noode had«. In broederlijke liefde wonen de geloovigen saam en door de symbolen van den Joodschen godsdienst komt men tot het geordend samenleven van de Christelijke Kerk. »En dagelijks eendrachtelijk in den Tempel volhardende en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten; en prezen God en hadden genade bij het gansche volk. En de Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden«. (Hand. 2 vers 41—47).
De vorming van de eerste christen-gemeente te Jeruzalem is dus in vollen gang! En dan zien we vier dingen waar de gemeente zich rondom vergadert in geordend verband. Die vier dingen zijn: de leer der Apostelen, de gemeenschap, de breking des broods en de gebeden (vers 42).
In »de leer der Apostelen« ontving de gemeente een norm naast en in aansluiting aan het Oude Testament. Hier vinden we aanstonds het christelijk geloof (in objectieven zin) aangegeven, waarop later telkens zooveel nadruk wordt gelegd, vooral in de Pastoraalbrieven. Tit. 1 vs. 9: »die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij beide om te vermanen door de gezonde leer en om de tegensprekers te wederleggen«. 2 Joh. 9: »Een iegelijk die overtreedt en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beide den Vader en den Zoon«. Zóó staat de gemeente van Christus van het eerste begin af aan gefundeerd op Zijn leer. Daarop zal de Kerk gebouwd en uitgebouwd wonden; en als zij daarop blijft gefundeerd (Matth. 16 vers 17—19) dan zal de hel haar niet kunnen overwinnen. Het is Zijn gemeente welke steunt op Zijn Woord. Tegen dat Woord in al z'n rijkdom zal de hel woeden; niet één steen, maar alle fundamentsteenen zal de hel willen losrukken; maar het zal niet gelukken, als de Kerk blijft in Zijn Woord. Zóó wordt de gemeente gebouwd in en door het Woord. »En zij hielden niet op, allen dag in den Tempel en bij de huizen te leeren en Jezus Christus te verkondigen« (Hand. 5 vers 42). En Paulus prijst allen gelukkig, die tot het geloof van Christus' Kerk overkomen en dat van harte omhelzen. »Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer tot hetwelk gij overgeleverd zijt«. (Rom. 6 vers 17).
Naar Christus' bevel zijn de Apostelen met de prediking van den Christus uitgegaan (Hand. 1 vers 8 ; Hand. 28 vers 19, enz.). En in deze waren ze allen eenstemmig (Hand. 1 vers 22, 25; 1 Cor. 13 vers 11 enz.), zoodat er van een prediking en van een leer der Apostelen gesproken mag worden. Op deze leer laat de gemeente zich bouwen: »gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen«. Ef. 2 vers 20. (Zie 1 Cor. 3 vers 10, 11).
Vast staat dus voor ons, naar uitwijzen van de Schrift, dat het »geestelijk huis« (1 Petrus 2 vers 5) opgebouwd is op het eenig en eeuwig fundament Jezus Christus, waarvan Paulus zegt: »want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus«. (1 Cor. 3 vers 11).
Van de Kerk kan en mag dus niet gezegd worden, dat het een stichtelijk gezelschap is geweest, zonder meer. Dan spreekt men niet van een huis, dat bekwamelijk saamgevoegd is, noch van wijze bouwmeesters, die op één en hetzelfde fundament bouwen (1 Co.r. 3 vers 10). En daarom is en blijft het voor ons teekenend, dat de Heiland Zelf spreekt van »onderwijzen«, dat de Apostelen »Christus verkondigen«, dat »de leer der Apostelen«; het centrale punt der gemeente is en dat, na belijdenis van en instemming met dat geloof, door den doop de toegang tot de gemeente wordt ontsloten, die één is in de leer der Apostelen.
Rondom de leer der Apostelen volhardt men; in die leer der Apostelen oefent men gemeenschap (Hand. 2 vers 42) en zóó wordt het geestelijk huis, Gods Kerk, Christus' gemeente opgebouwd. (1 Cor. 3 vers 10; 1 Cor. 15 vers 11; Rom. 6 vers 17; Tit. 1 vers 9; 2 Joh. 9 enz.).
Daar omheen — rondom de leer der Apostelen — komt de broederlijke gemeenschap met broederlijke liefide uit. 't Is de openbaring van één geloof, één doop. En omdat men weet, dat men saam om dezelfde zaak dezelfde vijandschap zal moeten ervaren, wordt de liefdeband gesterkt. (1 Petrus 2 vers 17; 5 vers 9).
Schouder aan schouder staan de Apostelen. Gal. 2 vers 9: »En als Jacobus en Cefas en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand der g e m e e n s c h a p enz.« Eén in de leer zijn de voorgangeren en één in de leer zijn de geloovigen. En zóó werd het geestelijk huis opgebouwd tot Gods eer en des menschen zaligheid.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's