De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Mr. G. GROEN VAN PRINSTERER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mr. G. GROEN VAN PRINSTERER

7 minuten leestijd

2)
Dr. Petrus Jacobus Groen van Prinsterer (de vader dus) werd op 5 Mei 1765 geboren in de Hervormde pastorie van Heeze in N-Brabant. Hij studeerde in de medicijnen en vestigde zich te Voorburg, alwaar hij 13 maart 1797 huwde met Adriana Hendrica Caan, geboren te Rotterdam 12 Juni 1772. Van den ouden heer Groen zegt Willem de Clercq (Dagboek 1824), dat hij lange neus had en er zonderling uitzag. Hij was een bekend dokter, nam gedurende jaren aaneen een actief aandeel in het Bestuur der Hofstad en was jarenlang lid van de Provinciale Staten. Bekend is van hem dat hij de aanlegger is geweest van 't Kerkhof T e r N a v o l g i n g aan den Ouden Scheveningschen weg nabij Scheveningen. De naam door Groen aan dit klein, door een hoogen muur omringd kerkhof omgeven, stond in verband met het doel, dat dokter Groen er mee beoogde, n.l. het tegengaan van het begraven in de kerken! Hij hoopte dat het voorbeeld, door hem nu gegeven overal zou worden nagevolgd, om op kerkhoven te begraven.
Voor zijn zoon Willem, vermoedelijk uit liefde voor Oranje aldus genoemd, was dokter Groen een uitnemend en zorgvuldig vader en de voortreffelijke opleiding die Groen van zijn prilste jeugd af ontving, mogen we gerust voor een zeer groot deel aan het wijs beleid van zijn vader toeschrijven, terwijl Groens vrouw Adriana Hendrica Caan, hem hierbij ter hulpe was. De jonge Groen hing zeer aan zijn ouders, vooral aan zijn moeder en hoewel zelf toen reeds vier jaar gehuwd, was haar dood in 1832 voor hem "een hartverscheurend verlies" waardoor zelfs zijn gezondheid dermate geschokt werd, dat hij het nauwelijks te boven kwam.
Ongetwijfeld staat dan ook het geheel eigenaardig teere en fijne in Groen's karakter in verband met de opvoeding die hij van zijne moeder kreeg, een vrouw "vriendelijk, trouw, geduldig en godsdienstig", op wier edel gelaat een fijne beschaving, lieftalligheid en intelligentie te lezen staat. Groot is het voorrecht, dat Groen in dit opzicht boven Bilderdijk ten deel viel, wien eenmaal de bittere klacht uit de pen vloeide, dat de stemming zijner ouders, vooral die zijner moeder, zijn gehele leven, inzonderheid van zijn 5de jaar af, tot een vloek maakte.
De verhouding van Groen tot zijne moeder roept ons onwillekeurig Monica, de moeder van Augustinus, voor den geest; een moeder, die door haar liefde en door haar gebed haar kind omringde en die onder inwerking van Gods genade, dien onweerstaanbaren drang naar hooger en beter leven deed ontwaken, waardoor hij het eerste en voornaamste deelachtig werd, wat hij ter vervulling van zijn hooge roeping In Christus' Kerk noodig had.
Groen zelf heeft eerst met zijn ouders, later met zijn vrouw, gewoond in het bekende huis aan den Korten Vijverberg in Den Haag. Dat prachtige heerenhuis, met zijn hooge breedé stoep, met zijn twee ramen aan elke zijde van de deur, met zijn hoog opschietenden gevel, hooger dan de overige huizen in de rij, is door Groen's vader in 1805 aangekocht, en in dat huis met zijn deftige groote kamers heeft Groen een groot deel van zijn leven doorgebracht, van 1838 tot 1876 — terwijl mevrouw Groen er toen nog 3 jaar bleef wonen en wel tot haar stervensjaar 1879. Sinds is het van de erfgenamen door het Gouvernement aangekocht.
In dat huis heeft Groen bijna al zijn werken, voor zoover ze na 1838 zijn verschenen, geschreven; daar heeft hij bijna allen, die met hem in relatie stonden, ontvangen; van daar uit zag hij met zijn scherpen blik neer op het bekende torentje, schuin over den hoek van den Vijver, naast het Mauritshuis, het regeeringstorentje, waarin zoo menig minister zetelde, tegen wien Groen de pen opnam om de rechten van het zoo veelszins verongelijkte Christenvolk te verdedigen.
Daar was het, dat hij vooraf zijn knieën boog voor zijn God, zoo dikwijls hij naar het Binnenhof ging om te midden van een in meerderheid tegen hem gekante volksvertegenwoordiging, met zwakke door overtuiging indringende stem, getuigenis af te leggen van de beginselen, van wier toepassing alleen zegen voor zijn land en volk was te wachten. Daar, in de kamer beneden, links van de gang, als men in het huis ngaat, is de plaats waar zijn vrienden, nu een halve eeuw geleden, op 19 Mei 1876 om zijn lijkbaar stonden. En uit datzelfde huis werd ook drie jaren later het stoffelijk overschot uitgedragen van de merkwaardige vrouw, die gedurende bijna een halve eeuw den grooten Christen-Staatsman in al zijn arbeid en strijd, in zijn lijden en zieleworstelingen op zeldzame wijze had terzijde gestaan.
Over deze vrouw hier een paar woorden. Twee uitnemende vrouwen, de eene als moeder, de andere als echtgenoote, hebben Groen door het leven geleid en omberekenbaren invloed, de eerste op zijn vorming, de tweede, en dat gedurende bijna een halve eeuw, op heel zijn handel en wandel geoefend. Zes en twintig jaren had Groen, met uitzondering van korte tusschenpoozen, dat hij als student in Leiden woonde, in den kleinen familiekring met zijn ouders en zijn beide zusters doorgebracht, toen hij in den zomer van 1827 aan zijn vrienden de blijde tijding schreef van zijn verloving met zijn lieve Betsy. 
Elisabeth Maria Magdalena v.d. Hoop was van geboorte een Groningsche. Haar vader, mr. Abraham Johan van der Hoop, geboren te Arnhem, was burgemeester van Groningen, doch overleed in 't jaar vóór hare verloving met Groen op den huize D e B u l t bij Steenwijk.
Hare moeder was Arnoldina Aleida Maria Thomassen a Thuessink, geboren te Zwolle en woonde, tijdens de verloving van Groen met Betsy, als weduwe in de stad Groningen, en des zomers op 't buiten D e B u l t bij Steenwijk. Een jaar na de verloving werd het huwelijk tusschen »Willem« en »Betsy«, zooals zij elkaar altijd noemden, voltrokken op 23 Mei 1828. Bijna een halve eeuw later, op 19 Mei 1876 overleed Groen en zijn echtgenoote volgde hem in den dood op 14 Maart 1879. Gedurende die 50 jaren is mevr. Groen voor haar man geweest wat de Schrift in zoo eenvoudige klaarheid inoemt »een hulpe tegenover hem«.
De taak, haar in dit veelzeggend Schriftwoord opgelegd, was inderdaad niet gering, tegenover een man, zóó fijn van gevoel, zoo teer van karakter, bijna altijd zwak van gezondheid en toch toegerust met zoo groote geestesgaven, met zooveel ijver om te studeeren, bijna voortdurend in onvermijdelijken strijd gewikkeld, blijkens zijn bewaard gebleven brieven achtereenvolgens in correspondentie met meer dan duizend personen, krachtens zijn positie geroepen tot administratie van een groot vermogen en steeds vooraan in de bevordering van alles wat tot eere Gods en tot heil van land en volk kon strekken, in Kerk en Staat, in school en maatschappij.
En toch, mevrouw Groen—Van der Hoop was voor die taak berekend. Ieder die haar gekend heeft, heeft haar bewonderd. Begaafd met een scherp verstand en geleid door de vreeze Gods, had zij, wat men noemt, tact, niet zoozeer om Groen, den leider, te leiden, als wel om hem in alle opzichten het vervullen van zijn groote en moeilijke taak mogelijk en zoo gemakkelijk mogelijk te maken.
Elout van Soeterwoude, van de Academiejaren af Groen's vriend, die het huwelijksleven van Groen van het begin tot het einde van zoo nabij heeft gadegeslagen, schrijft over Groen's »voortreffelijke Echtgenoote, die inderdaad zijn evenknie was«. En dr. A. Pierson schrijft: »Groen is gekomen waar hij is gekomen, aan een vrouwelijke hand«.
Zij beheerschte geheel de huishouding; de kamenier, de keukenmeid, de werkmeid, de huisknecht en, op Oud-Wassenaar, de tuinbaas, de vier arbeiders en de koetsier vervoegden zich bij Mevrouw om van haar de orders af te wachten. Evenwel regeerde Groen zijn huis; hij ging voor in het lezen der Schrift, in gebed en in dankzegging elken dag met allen, die in zijn huis waren; en voorts wijdde hij zich aan zijn veelbeteekenenden arbeid, hetzij hij de waarheid omtrent de Vaderlandsche geschiedenis uit tallooze brieven en uit de werken van meer dan honderd schrijvers opdiepte, of wel de meesterwerken over Christelijke Staatkunde in verschuilende eeuwen doorworstelde om de krachtigste vertoogen van Ongeloof en Revolutie te bestrijden. Hierbij was Mevrouw Groen haar man tot een hulpe; en dat met een scherpzinnige zachtheid, met ijver, met liefde, alles geheiligd door het gemeenschappelijk geloof, zooals aan weinigen ten deel valt. Een onvergetelijk en kostelijk voorbeeld ook voor onze dagen!
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Mr. G. GROEN VAN PRINSTERER

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's