De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Mr. G. GROEN VAN PRINSTERER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mr. G. GROEN VAN PRINSTERER

8 minuten leestijd

3)
Nog iets over Mevrouw Groen.
Haar lust en haar leven was het om arme gezinnen te bezoeken en telkens door kleine weldaden den oogenblikkelijken nood te lenigen. Wie haar niet bespied heeft op haar wandelingen naar hare arme vrienden en vriendinnen, zoowel in de omgeving van Oud-Wassenaar — waar Groen gedurende 25 jaar, van 1845 tot 1871, veel vertoefde op zijn zomer-landhuis, dat sinds is verdwenen — als in Den Haag, kent haar nog slechts zeer ten deele.
De eenvoud in haar uiterlijke verschijning was even buitengewoon als haar ijver en begaafdheid waarmee zij alles en allen in haar omgeving verzorgde en met name haar echtgenoot het leven vergemakkelijkte.
Voor wie haar niet kende gaf haar eenvoud somtijds aanleiding tot komische scènes als bij 't incognito van vorstelijike personen. Eens belde mevrouw Groen aan bij een familie; de dienstbode deed open, liet haar zonder meer staan en ging naar binnen, haar aandienende met de woorden: »Mevrouw, daar is de naaister«. Toen Mevrouw in de gang ging kijken, stond daar Mevrouw Groen van Prinsterer te wachten op de mat.
Wie haar, met een pakje of een trommel, waarop de letters G. v. P. geschilderd waren, in de hand, de schamele woning in een zijstraatje van de hofstad of een arbeiderswoning in Wassenaar zag binnentreden, zou niet vermoed hebben daar de dochter van den burgemeester van Groningen, de vrouw van een der rijkste ingezetenen van 's-Gravenhage voor zich te zien, in wie de Koningin Sophie zooveel belang stelde, dat zij haar herhaaldelijk èn op Oud-Wassenaar èn later op Blankenburg — waar Groen van af 1871 tot aan zijn dood in 1876 des zomers verblijf hield — kwam bezoeken.
De eenvoud van Mevrouw Groen was schitterend; er was majesteit in, een majesteit der ongekunstelde, waarachtige christelijke liefde. Haar lust om in den dienst haars Heeren te arbeiden en door haar liefdebetoon te trekken tot Hem, Wien zij aanbad als haar Heiland, bewaarde haar voor den lust om uit te blinken door grootschheid des levens of te schitteren door brassende weelde, waarmee vaak de hoogere standen zichzelf verheffen. Haar oogmerk was niet »overtroeven« met tot gevolg »afstooten«, maar liefdebetoon om Christus' wil en zoo broeders en zusters te winnen voor den dienst haars Heeren.
De vrouw die men op Oud-Wassenaar en later op Blankenburg zag wandelen aan den arm van Koningin Sophie, betitelde de vrouw van een hoogst eenvoudig christelijk onderwijzer in Den Haag nooit anders dan als »lieve vriendin« en de liefde voor allen die God vreesden ging haar zóóver boven 't standsverschil, dat een eenvoudig vroom burgervrouwtje, die haar bezocht en waarmee zij lang had zitten praten, bij het scheiden aan de deur door haar als een oprecht vriendin werd gezoend.
Deze Godvreezende vrouw, eenvoudig in christelijken levenswandel en toch zoo zeldzaam begaafd en flink, is gedurende bijna een halve eeuw in trouw en liefde Groen van Prinsterer tot hulp en steun geweest.
We hebben al gezien in welke omgeving Groen is geboren en zijn jeugd heeft doorgebracht. Op den Vijverberg of op Vrede en Rust woonde hij met zijn vader en moeder, met zijn twee zusters Keetje en Mimi (Marie), waarvan de eerste, die de oudste was, 23 Mei 1821 getrouwd is met Marie Aart Frederik Hendrik Hoffman en te Rotterdam woonde, terwijl Mimi nog zeven jaar thuis bleef, om, ongeveer gelijk met Wim, in het jaar 1828, in het huwelijksbootje te stappen.
Onder hen die voor Groen »door onderricht en welwillendheid bovenal onvergetelijk« waren, moet met name genoemd worden J. Kappeyne van de Copello, die 11 jaren ouder was dan Groen. Eerst was hij Groen's leeraar in de oude letteren, daarna zijn »raadsman en vriend«. De zoon van deze is ons bekend als de latere minister, de man die zich onsterfelijk gemaakt heeft door de woorden, vol verachting aan het adres van ons christen-Nederland gericht:
» dan moeten de mirdenheden maar onderdrukt worden, want ze zijn als de doode vlieg, die de zalf des apothekers stinkende maakt«. Groen heeft, volgens eigen getuigenis, in dr. Kappeyne van de Copello, die op 42-jarigen leeftijd reeds gestorven is (1833) »een leermeester en vriend, een hoogst bekwaam en bezadigd raadsman« gehad.
Er zijn weinige mannen geweest, die door zoo langdurige en intieme vriendschap met Groen van Prinsterer verbonden zijn geweest als Pieter Jacob Elout van Soeterwoude; weinigen ook, die in zoo hooge positie geplaatst, met zooveel talent begaafd, van zoo groot en edel karakter, op zulk een fiere wijze en met zooveel heldhaftige vrijmoedigheid met Groen en met ons christenvolk hebben meegeleefd, meegestreden, meegebeden, en meegeleden.
Geboren te 's-Gravenhage 11 Aug. 1805 uit een aanzienlijk geslacht, genoot Pieter Jacob Elout van Godvreezende ouders het voorrecht eener christelijke opvoeding, kwam in 1822 aan de Leidsche Academie, waar terstond Groen van Prinsterer hem de vriendschapshand reikte en hem opnam in een letterkundige club, waar Groen voorzitter was. In den vriendenkring van Groen verkeerende, kwam hij met Bilderdijk in aanraking en na zes jaren promoveerde hij in 1828 tot doctor in de beide rechten. Elout heeft, hoewel niet zelden gesmaad om de wille van zijn beginselen en wel gepasseerd om de wille van zijn belijdenis, een schitterende loopbaan gehad. Reeds in 1829 werd hij benoemd tot Commies bij den Raad van State; in 1838 werd hij, na eenige jaren de functie van Commies van Staat en Stafofficier bij den Prins van Oranje te hebben vervuld, benoemd tot rechter in de Arr. rechtbank te 's-Gravenhage. In 1845 werd hij lid, daarna vice-president van het Provinciaal Gerechtshof van Zuid-Holland; van 1864 af was hij lid van den Raad van State tot 1874, toen hij op verzoek eervol ontslag kreeg.
Van 1853—1862 was hij lid van de Tweede Kamer, in 1879 kwam hij daar voor de tweede maal, van 1885—1887 behoorde hij onder de leden van de Eerste Kamer, overal en altijd een kloek belijder van de Antirevolutionaire beginselen.
Bij de aanbieding van het Volkspetitionnement op 3 Aug. 1878 stond Elout aan het hoofd van de Deputatie en zijn woord maakte diepen indruk op den Koning. Bij de opening der Vrije Universiteit 20 Oct. 1880 was het Elout, die namens een »veertigtal geloovigen, belijders der Gereformeerde Ieer«, een tonne gouds aan de Vereeniging voor Hooger Onderwijs aanbood.
Elout was in 1842 een van de »zeven Haagsche Heeren«, die van de Synode de handhaving der belijdenis vroegen (het waren D. van Hogendorp, M. B. H. W. Gevers, A. Capadose, Groen, Elout, J. A. Singendonck en C. M. van der Kemp); in 1843 verspreidde hij mee het door Groen opgestelde geschrift »Aan de Hervormde Gemeente in Nederland«; terwijl hij nog afzonderlijk in het strijdperk trad met een »Brief aan den heer A. Rutgers van der Loeff«, waarin op afdoende en waardige wijze nader wordt aangetoond, dat de Groninger richting de hoofdwaarheden des Evangelies had losgelaten en bestreed.
In den schoolstrijd stond Elout zijn vriend en broeder Groen steeds getrouw en krachtig terzijde, met name in den strijd tegen de schoolwet van 1857, toen zijn redevoeringen scherper haast nog dan die van Groen tegen Van der Brugghen, tintelden van verontwaardiging. In de residentie voerde hij krachtige actie tegen de rationalistische prediking in de Hervormde Kerk en steunde o.a. met Graaf van Bylandt de actie om te komen tot 't oprichten van een Duitsche gemeente, waarvan dr. Kogel de eerste leeraar was, die met veel zegen in ons Vaderland gearbeid heeft en ook door Groen van Prinsterer hoogelijk werd gewaardeerd. In den strijd tegen de Ethisch-Irenische richting van ds. J. H. Gunning — men herinnere zich Groen's brochures van 1864 — scheen het wel alsof Elout naar voren trad om Groen een wijle rust te gunnen, toen hij in 1867 zijn glasheldere en scherp belijnde brochure: »Iets over ds. Gunning's zestien stellingen« uitgaf. Het geloovig Protestantsche volk van Nederland heeft Elout lief gehad en houdt zijn nagedachtenis in eere.
Wat Groen en Elout als vrienden voor elkander geweest zijn, getuigen de honderden brieven die tusschen hen gewisseld zijn en zorgvuldig zijn bewaard.Trouwens, alles werkte, onder Gods bestel, er toe mee, dat deze twee vrienden, in hun moeilijken strijd, elkander tot voortdurenden steun en vertroosting zouden zijn. Beiden in of bij Den Haag geboren; beiden van christelijken huize; beiden van aanzienlijken stand; beiden juristen van aanleg; beiden op later leeftijd weer te Den Haag woonachtig en zelfs des zomers op hun buitenverblijf naast elkander wonende. Groen op Oud-Wassenaar, Elout op Blankenberg, konden zij altijd en over alles tezamen beraadslagen, gedachtig tevens aan het woord des Heeren: »Waar twee of drie tezamen zijn in Mijnen Naam, daar ben Ik in het midden«.
Elout overleed 4 October 1893. Zijn stoffelijk overschot rust in den schoot der aarde, doch de liefelijke naglans die dit schone leven achterliet, maakt dat onze kinderen en kindskinderen nog zullen vragen, wie Elout was en wat hij door Gods genade gedaan heeft.
(Wordt voortgezet)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Mr. G. GROEN VAN PRINSTERER

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's