STAAT EN MAATSCHAPPIJ
De wijziging der Lageronderwijswet.
Onlangs maakten wij in ons blad melding van de instelling van een Staatscommissie voor wijziging der Lageronderwijswet. Zooals onze lezers zich zullen herinneren, wordt aan deze Commissie opgedragen:
a. te overwegen, of in de Lageronderwijswet 1920 wijzigingen behooren te worden aangebracht, waardoor — met volkomen eerbiediging van het beginsel der financiëele gelijkstelling tegenover de openbare kassen van het openbaar en bijzonder lager onderwijs, gelijk dit is neergelegd in art. 195 der Grondwet, en zonder schade te doen aan de vitale belangen van het onderwijs — aan dat beginsel een minder kostbare toepassing wordt gegeven, niet noodzakelijke beperkingen van de vrijheid van het onderwijs worden weggenomen, en in het algemeen bezwaren, welke bij de toepassing van de L.O.-wet 1920 zijn aan het licht getreden, worden opgeheven;
b. indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord hare voorstellen te belichamen in ontwerpen van wet en, zoo noodig, van algemeene maatregelen van bestuur.
Tengevolge van de zomervacantie bleef de installatie van de Commissie tot nog toe achterwege. De installeering heeft thans Zaterdag op plechtige wijze plaats gehad, waarbij namens de regeering de Minister van Onderwijs het woord voerde, terwijl de Oud-minister, mr. Rutgers, als voorzitter der Staatscommissie, Minister Waszink beantwoordde. In de rede van den Minister van Onderwijs lijkt ons dat gedeelte het belangrijkst, waarin nader de taak van de commissie wordt omschreven. Deze taak is naar 's Ministers oordeel tweeledig. De Minister zeide daarvan:
Op de eerste plaats is u in het bijzonder opgedragen te overwegen, of in de Lageronderwijswet 1920 wijzigingen behooren te worden aangebracht, waardoor met volkomen eerbiediging van het beginsel der financiëele gelijkstelling tegenover de openbare kassen van het openbaar en bijzonder lager onderwijs, gelijk dit is neergelegd in artikel 195 der Grondwet en zonder schade te doen aan de vitale belangen van het onderwijs, aan dat beginsel een minder kostbare toepassing wordt gegeven.
Dit deel uwer taak is met het oog op den toestand der openbare geldmiddelen zeker niet het minst gewichtige. Teneinde misverstand te voorkomen, meen ik met nadruk er op te moeten wijzen, dat de regeering geen heil ziet in een verschuiving van een deel der thans op het Rijk drukkende lasten naar de gemeenten. Zij zal zich bovenmate gelukkig prijzen, indien gij er in mocht slagen — hetzij door wijziging van het bestaande stelsel, hetzij door formuleering van een nieuw systeem — zoodanige voorstellen te doen, dat èn het aandeel in de kosten van het lager onderwijs, hetwelk op het Rijk drukt, èn dat hetwelk voor rekening der gemeenten blijft, kon worden verlaagd. Mocht intusschen de noodzakelijkheid blijken van overleg tusschen deze commissie en de staatscommissie inzake de financiëele verhouding tusschen het Rijk en de gemeenten, zoo staat het u volkomen vrij, zoodanig overleg te plegen.
Op de tweede plaats zult gij hebben na te gaan, of, en zoo ja, in hoeverre, kan worden tegemoetgekomen aan de klachten, die zoowel door gemeente als door schoolbesturen — zij het door de eerste minder dan door de laatste — worden geuit ten aanzien van huns inziens niet noodzakelijke beperkingen van de vrijheid van het onderwijs.
Mocht u inderdaad blijken, dat zoodanige klachten gerechtvaardigd zijn, zoo zullen voorstellen uwerzijds tot wegneming van de oorzaak dezer klachten, door de regeering ernstig worden overwogen. Mijnerzijds zal ik mij — en dit geldt niet slechts voor dit deel uwer taak — veroorloven met u in overleg te treden over m.i. noodzakelijke wijzigingen der wet. Dat de opdracht, welke aan de Commissie wordt verstrekt, verre van gemakkelijk is, komt in de rede van mr. Rutgers duidelijk naar voren. Dit blijkt vooral uit het slot van het antwoord van den oud-Minister. Daarin zegt de voorzitter van de Staatscommissie:
De taak, die ons wacht, is moeilijk. In hoever wij zullen kunnen bereiken wat de regeering wenscht, is nog in de toekomst verborgen; wanneer het resultaat waartoe wij zullen komen, gemakkelijk te voorzien was, ware een staatscommissie wellicht niet eenmaal noodig geweest. Het is dan ook nog niet te zeggen of uit onze beraadslagingen een geheel ander stelsel zal te voorschijn komen voor het beheer of voor de bekostiging van het openbaar of bijzonder onderwijs; dan wel van het bestaande gebouw slechts een vleugel zal worden vernieuwd: een raam of deur erbij zal worden gemaakt.
Zonder twijfel zal, vóórdat wij onze taak nederleggen, bij gelijke toewijding aan die taak toch verschil van gevoelen omtrent aan te bevelen wetswijzigingen, verschil van waardeering van de velerlei belangen, waaraan wij onze aandacht hebben te schenken, niet uitblijven.
De geschiedenis van de totstandkoming van de wet van 1920 heeft geleerd, dat door zulk verschil samenwerking nog niet onmogelijk wordt en dat er soms een mogelijkheid bestaat om tot overeenstemming te geraken, waar die mogelijkheid geheel scheen te ontbreken.
Die ervaring kan ons bemoedigen bij den arbeid dien wij heden aanvangen. Wij spreken de hoop uit, dat het de commissie onder de voortreffelijke leiding van mr. Rutgers zal gelukken een weg te vinden, die aan de vele klachten tegemoetkomt en den bloei van het lager onderwijs — in het bijzonder van het christelijk onderwijs — zal bevorderen.
Hoe men voorlicht.
Men staat dikmaals verbaasd over de vrijmoedigheid en de gemakkelijkheid waar mede de voormannen der Sociaal Democratische Arbeiderspartij hun partijgenooten iets op de mouw weten te spelden, terwijl deze weer op hun beurt, hetgeen voorgekauwd wordt, als zoete kloek slikken.
Zoo het recente geval van het bijwonen der Socialistische Kamerleden van de plechtige opening van de nieuwe zitting der Staten-Generaal. Volgens de tot dusver gevolgde practijk wonen de Sociaal Democraten de zitting, waarin de Koningin de Troonrede uitspreekt, niet bij. Daarin is ditmaal verandering gekomen.
De Sociaal Democratische fracties van Eerste en Tweede Kamer hadden besloten dit jaar de Vereenigde Vergadering der Staten-Generaal, waar de Koningin te midden van Haar volk verschijnt, wél bij te wonen. En zoo is het ook gebeurd. De moeilijkheid voor de leiders van de Socialisten was intusschen om deze verandering in de houding der Kamerleden aan de partij duidelijk en aannemelijk te maken.
Wanneer men dertig jaar lang bij iedere gelegenheid, welke zich voordoet, de openingsplechtigheid der Staten-Generaal belachelijk maakt, ze als een dwaze en onnutte zaak voorstelt en zelfs spreekt van »poppenkasterij«, dan wordt het daarna niet gemakkelijk om de groote beteekenis van de Vereenigde Vergadering in 't licht te stellen, waardoor de Sociaal Democratische Kamerleden zich verplicht achten deze plechtigheid bij te wonen.
Dit kunststuk heeft nu de redactie van het dagblad »H e t V o I k« in het nummer van 14 September volvoerd. Met veel in-en uitgepraat, met veel omhaal van woorden en met groot wijsgeerig talent heeft zij de gewijzigde houding van de Kamerfracties verdedigd, of eigenlijk gezegd, goedgepraat.
Op het voorname punt, waarin het juist moet uitkomen, dat het voor de Sociaal Democraten toelaatbaar is om bij het uitspreken der Troonrede door de Koningin tegenwoordig te zijn, is de redactie van »Het Volk« echter niet geheel juist; doch daarvan weten de partijgenooten niets af. Wat daarover geschreven wordt, gelooven zij wel.
Over de toelaatbaarheid heet het daar dat wel in het oog dient gevat te worden:
dat het hier niet geldt een bezoek de Kamer aan de Koningin, maar omgekeerd, een bezoek van de Koningin aan de Volksvertegenwoordiging.
Daarmede is de zaak dan in het reine. Voor de Sociaal Democraten moet deze mededeeling toch alle bezwaar hebben we genomen, want niets is immers natuurlijker dan dat men baas in eigen huis zijnde, als zoodanig de burgerlijke beleefdheid tegenover zijn gasten in acht neemt. Maar zoo staan de zaken niet bij de opening van de zitting der Staten-Generaal. Bij deze gelegenheid hebben de Staten-Generaal niets te zeggen, zelfs het bureau van de Kamers heeft hier geen enkele bemoeienis.
Alle regeling gaat uit van de Kroon. De hooge heeren van het hof besturen de geheele plechtigheid. Zelfs 't uur en de plaats van samenkomst worden geheel buiten de Kamer om, aan de Staten-Generaal mede gedeeld. De Staten-Generaal heeft eenvoudig de wenken en voorschriften op te volgen.
Dit geeft een geheel anderen kijk op zaken als die, welke de redactie van »Het Volk« aan zijne lezers voorhoudt. Doch van dit alles behoeven de partijgenooten niet het fijne te weten. 't Is voldoende als de zaak met een groot gebaar wordt toegelicht. De Sociaal Democraten zijn dan tevreden en de rest komt vanzelf. Zoo is de kinderhand gauw gevuld,
De Troonrede.
Dinsdag is de gewone zitting der Staten Generaal door H.M. de Koningin met volgende rede geopend:
In Uw midden verkeerend, Leden van Staten-Generaal, verheug Ik Mij, dat de toestand van ons Volk in menig opzicht tot dankbaarheid stemt, al ontbreken de schaduwen niet.
Niet dan zeer geleidelijk voltrekt zich het economisch herstel. Inzinkingen blijven daarbij niet achterwege
Handel en Nijverheid, evenals een deel der scheepvaart, ondervinden nog de ongunst der tijden. De onstandvastige waarde der munteenheid in verschillende landen vertraagt de gezondmaking van het internationaal ruilverkeer,
De land-en tuinbouw wordt in verschillende van zijn takken bedreigd door ongewone, naar gehoopt mag worden tijdelijke belemmeringen in den afzet van zijn producten elders. Er wordt met kracht naar gestreefd, dit euvel een einde te doen nemen.
Sedert Ik de laatste maal in Uw raad verkeerde, is een ernstige beproeving over een deel van ons land gekomen. Een vriendelijke zonnestraal is in dit leed gevallen door de groote deelneming in het lot der slachtoffers, die zich in wijden kring in woord en daad heeft geopenbaard. Deze uiting van nationale saamhoorigheid heeft Mij met dankbaarheid vervuld, evenzeer al de toewijding, zoowel van burgerzijde als door het personeel van land-en zeemacht in de ure van het gevaar betoond
De financiëele toestand van het land blijft voortdurend zorg eischen. Verlichting van de lasten, op de bevolking gelegd, is een onmisbare voorwaarde voor een duurzame verbetering van den economischen toestand en is slechts mogelijk bij een zuinig beleid.
Op politiek gebied zal, in afwachting van het herstel van normale verhoudingen, de lijn, in den loop van het achterliggende zittingsjaar uitgestippeld, blijven gevolgd. De betrekkingen, welke Wij met de andere Mogendheden onderhouden, zijn van den meest vriendschappelijken aard. Het verheugt Mij, dat de Volkenbond door toetreding van Duitschland aan beteekenis heeft gewonnen. Met verschillende mogendheden worden besprekingen gevoerd over het sluiten van arbitrage-en verzoeningsverdragen.
Naast de in den loop van jaar aangekondigde maatregelen en wetsvoorstellen worden nog eenige andere voorbereid.
Daartoe behooren voorzieningen op het gebied der justitiëele wetgeving, wijziging van de Provinciale wet; een partiëele herziening van de wettelijke bepalingen op de forensen; en eene wettelijke regeling van het handelsonderwijs.
Voorstellen tot het wegnemen van enkele onnoodige beperkingen van de vrijheid op het gebied van het lager onderwijs zullen U binnenkort bereiken.
Een wetsontwerp zal worden ingediend ten einde de niet binnen het Rijk wonend Nederlanders, die daarvoor in aanmerking komen, naar billijke regelen te doen bijdragen in de inkomsten-, vermogens-en verdedigingsbelastingen, en de nalatenschappen van dezelfde personen te betrekken in de successiebelasting.
Tot bevordering van het behoud van natuurschoon zal U een voorstel worden aangeboden om zekere fiscale verzachtingen te verbinden aan eene vrijwillige beperking van het beschikkingsrecht over bepaalde landelijke eigendommen.
Voorstellen zullen worden gedaan tot wijziging en aanvulling onzer sociale wetgeving, ten einde te geraken tot ratificatie van sommige ontwerp-verdragen der Internationale Organisatie van den Arbeid. Invoering der Ziektewet ligt in het voornemen, nadat deze gewijzigd zal zijn in het bijzonder in dien zin, dat meer plaats wordt ingeruimd aan voorzieningen, welke uit het maatschappelijk leven opkomen.
De droevige ramp, die Nederlandsch-Indië heeft getroffen, heeft Mij met deernis vervuld. De gevoelens, die ook daarbij velen tot leniging van de nood hebben bewogen, waren Mij een oorzaak van blijdschap. De steun, in donkere dagen wederzijds verleend, heeft den band tusschen het Nederland en Nederl.-Indië versterkt.
In het aanstaande voorjaar zal de nieuwe Indische Staatsregeling ten volle in werking treden. Het streven zal zijn de grootere zelfstandigheid in inwendige aangelegenheden, welke zij aan Nederlandsch-Indië geeft, zoo spoedig en zoo volledig mogelijk tot haar recht te doen komen. De ook in dit gebiedsdeel ter hand genomen welvaartspolitiek zal krachtig worden voort gezet, inzonderheid ten bate van de inheemsche bevolking. De te verwachten opening van een derde inrichting van hooger onderwijs, de medische hoogeschool te Batavia, zal van groot belang blijken voor de geestelijke ontwikkeling van Indië.
Suriname eischt nog steeds de bijzondere aandacht der Regeering, al is eenige verbetering in den economischen toestand van dat gewest te bespeuren. In Curacao blijft die toestand gunstig.
Moge Gods milde zegen op Uwen arbeid rusten!
Ik verklaar de gewone zitting der Staten-Oeneraal geopend.
De algemeene indruk, welke de Troonrede maakt, is dat de politieke toestand van ons land nog steeds in het teeken staat van het extra-parlementaire.
Niet alleen wijst daarop de merkwaardige zinsnede uit het staatsstuk, dat in afwachting van het herstel van normale verhoudingen, de lijn, in den loop van het achterliggende zittingsjaar uitgestippeld, zal blijven gevolgd, maar ook blijkt dit uit het totaal gemis van iedere toezegging van wetgevenden arbeid-met principieel karakter.
Met geen woord wordt b.v. gewaagd van de Zondagswetgeving, van maatregelen tegen lijkverbranding, van opheffing van vaccinedwang; in één woord van het treffen van voorzieningen van geestelijken aard. Uit alles blijkt, dat de gevolgen van de crisis van 11 November nog nawerken.
Intusschen doet 't goed, dat in de Troonrede niet wordt verbloemd, dat de toestand op financieel en economisch gebied nog niet zonder zorg zijn. Het wordt zelfs duidelijk en onomwonden uitgesproken, dat handel en nijverheid, benevens land-en tuinbouw, moeilijke tijden doormaken.
Stemt de toestand van ons volk in menig opzicht tot dankbaarheid, de Troonrede gaat voort met er op te wijzen, dat ook de schaduwen niet ontbreken.
Met belangstelling zal ongetwijfeld zijn kennis genomen, dat voorstellen zijn te verwachten, waarbij enkele onnoodige beperkingen van de vrijheid op het gebied van het lager onderwijs zullen worden weggenomen en dat ook de Ziektewet eindelijk zal worden ingevoerd. Voor al deze mededeelingen zijn wij de regeering dankbaar. Later hopen wij, wat vanzelf spreekt, op verschillende onderdeden van de Troonrede terug te komen. Voorshands sluiten wij ons van harte bij de bede van de Koningin aan, dat Gods milde zegen op den arbeid van de Staten-Generaal moge rusten.
Optochten met muziek op Zondag.
Het roode Ontwapenings-congres heeft gepasseerden Zondag in 's-Gravenhage tot ergerlijke tooneelen aanleiding gegeven. Vooral de aan het congres verbonden optochten met muziek, waren in de residentie niet te dulden. Tal van klachten worden vernomen van kerkgangers, welke belemmerd werden de gebouwen, waarin de godsdienstoefeningen gehouden werden, te bereiken; van godsdienstoefeningen, welke tengevolge van de muziek werden gestoord; en van politie, welke in verzuim bleef om het kerkgaand pubiek te beschermen.
Het lijkt ons alleszins juist gezien, dat ons Kamerlid, de heer Duymaer van Twist zich officieel tot de regeering wendde en de Minister van Justitie de volgende vragen deed:
1°. Is het den Minister bekend, dat op Zondag 19 September te 's-Gravenhage een betooging is gehouden voor ontwapening en medezeggenschap, welke betooging gepaard is gegaan met optochten met muziek door de gemeente?
2°. Heeft de Minister kennis gekregen, dat de optochten met muziek voor vele ingezetenen een rustige viering van den Zondag, zooals de Zondagswet van 1 Maart 1815 voorschrijft, hebben onmogelijk gemaakt?
3°. Kan de Minister mededeelen, of de optochten met muziek stoornis hebben gegeven in de godsdienstoefeningen, gehouden in kerken waarlangs de optochten werden gelei?
4°. Zoo vraag 3 in dien geest wordt beantwoord, dat inderdaad deze stoornis heeft plaats gehad, is het dan juist, dat, in strijd met artikel 5 van genoemde Zondagswet, de plaatselijke politie van 's-Gravenhage geen zorg heeft gedragen om te voorkomen of te doen ophouden hinderlijke bewegingen en gerucht in de nabijheid der gebouwen, tot den openbaren eeredienst bestemd?
5°. Is de Minister bereid, een onderzoek in te stellen en mede te deelen, of ingevolge de toezegging, gedaan in de Memorie van Antwoord op het IVde hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het loopend dienstjaar, blz. 5, er bij hem aanleiding bestaat tot het treffen van de noodig gebleken voorzieningen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's