De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

9 minuten leestijd

De organisatie der Kerk van goddelijken oorsprong. (5)
Verre er van daan is 't, dat de Kerk zou zijn ontstaan in een sfeer van enthousiasme en in haar eerste beginselen aan alle orde vreemd zou zijn geweest. Veeleer is het uit alles duidelijk, dat de Middelaar Gods en der menschen in deze de werken Zjjns Vaders doet, Zijn raad en wil der verlossing openbarend onder de menschen, terwijl de Heilige Geest in het rijk der genade orde schept van den beginne af aan.
Natuurlijk staat de Nieuw-Testamentische Kerk daar niet aanstonds met haar vaste, blijvende vormen. Maar in beginsel wordt alles aanstonds door Christus Zelf gegeven in de woorden Zijns Vaders, welke alle apostelen hebben uit te dragen en hebben te bewaren, ook hebben te handhaven overal waar het noodig is. En zoo verrijzen de eerste gemeenten, waarvan de gemeente te Jeruzalem het model, de moeder is.
Hand. 2 vers 42—47 is daarbij van groote beteekenis, met die vier dingen: de leer der Apostelen, de gemeenschap, de breking des broods en de gebeden (vers 42).
Heerlijke, vrijwillige gemeenschap in de leer; heerlijke, liefdevolle overeenstemming in de dienst der gebeden; saam aanzittend aan de liefdemaaltijden en saam gedenkend, bij brood en beker, den dood des Heeren. t Lag nog in de windselen, 't Was nog net gekomen tot een geheel zelfstandige formatie. 't Hing nog aan en het zat nog vast met het oude. Vandaar Hand. 5 vers 20 »Gaat henen en staat en spreekt in den Tempel tot 't volk alle de woorden dezes levens«.Het oude was nog niet in alles los, 't was nog niet in alles voorbij gegaan, maar de vorming van het nieuwe ging een eigen baan, rondom de Kruisbanier. De Apostelen hadden te Jeruzalem de leiding in alle takken van dienst. Zij leerden (2 vers 42); zij traden als Zendelingen op (5 vers 12, 5 vers 20 enz.), zij hadden het bestuur en de tucht (5 vers 1—11), de verzorging der armen (4 vers 34, 35) — al deze lasten dragen dezelfde schouders.
Daarbij deden zij teekenen en wonderen (2 vers 43; 3 vers 6; 5 vers 12 enz.).
Hierin nu moest spoedig verandering komen. En deze kwam naar aanleiding van de eerste  misstanden, die in de gemeente openbaar werden. De Apostelen moesten zich natuurlijk van helpers bedienen (zie b.v. Hand. 5 vers 6, 10). En het is niet onmogelijk dat die helpers mee de oorzaak zijn geweest, dat er ongeregeldheden plaats hadden. Hoe het zij, de ambtelijke roeping en aanstelling der zeven diakenen (Hand. 6 vs. 1-6) is uit de behoefte zelve der gemeente geboren en onder de kennelijke leiding des Heiligen Geestes als een loot aan den stam van het Apostolaat uitgeschoten. Dit was een voortschrijden op den weg eener vaste organisatie onder normale ontwikkeling in het kerkelijk gemeenteleven.
We hebben dus nu »de twaalve« (de Apostelen) en »de zeven« (armverzorgers). Wat de verkiezing tot het ambt betreft, kan hier al dadelijk worden vastgelegd:
1. »de zeven« worden verkozen op initiatief en onder leiding der twaalven, terwijl de bepaling van bevoegdheid, aantal en vereischten tot het nieuwe ambt, naar hun aanwijzing geschiedt;
2°. de gemeente wordt, waar zij zelve kiest, in haar volle autonomie erkend en handelt met bewustheid, één in de leer en één in de gemeenschap en in de breking des broods en de gebeden (Hand. 2 vers 42);
3°. »de zeven« worden na de verkiezing gesteld voor de Apostelen, in wier handen dus feitelijk de beroeping wordt gelegd, terwijl deze hun ambt dus nauwkeurig omschrijven (vs. 2 en 3), dewijl deze hen dan inzetten in het ambt met gebeden en handoplegging (vers 6).
Aanvankelijk zijn, in dezen eersten extraordinaire tijd de diensten niet zóó absoluut gescheiden, dat zij niet wederkeerig el­kander de hand mochten reiken. Stefanus doet wonderen en teekenen (6 vers 8) en treedt straks als prediker op; Filippus wordt evangelist (21 vers 8); de presbyters, alsof de zorg der armen de hunne ware, nemen eerlang de gaven aan (11 vs. 30). De éénheid der ambten komt in den éérsten tijd in zulk een natuurlijke wisselwerking 't sterkst uit.
Dat de presbyters als vanzelf voor den dag komen en zij ons in de Schrift genoemd worden, zonder dat in bizonderheden — wat bij de diakenen wel geschiedt — ons wordt verhaald hoe zij er gekomen zijn, ligt eigenlijk helemaal in de lijn van het gemeenteleven. Naast de Apostelen komen ze in en door de prediking voor de geestelijke zorg der gemeente. Ze zijn een natuurlijke uitgroei van het Apostolaat in verband met de ontwikkeling der Kerk. Ze worden ons dan ook ineens voorgesteld als er te zijn. Hand. 11 vers 30: »hetwelk zij ook deden en zonden het tot de ouderlingen (de presbyters, de opzieners, de oudsten) door de hand van Barnabas en Saulus«. We treffen ze dus aan in de gemeente. Ook straks op het convent met de Apostelen saamvergaderd, om te oordeelen over het geschil in Antiochië (hoofdst. 15) en bij het bezoek van Paulus aan Jacobus, toen ook zij medevergaderden (21 vers 18).
Wanneer ze het eerst verkozen zijn, is niet met zekerheid te zeggen. Ze zijn als vanzelf, uit den aard van het gemeentelijk leven voortkomend, te voorschijn gekomen, terwijl de diakenen uit een conflict en bepaalde gebeurtenis zijn geboren.
Hier moet acht gegeven worden op de ontwikkeling van de synagogen onder de Joden na de ballingschap. Er waren toen overal synagogen. Ten tijde van Christus op aarde werden ze menigvuldig gevonden. (Handel. 15 vers 21). Het waren vergaderplaatsen om de wet van Mozes te lezen; ook met het oog op de bewaring en verbreiding van kennis onder 't Joodsche volk; vooral in de verstrooiing. Elken sabbath kwam men saam tot gebed en tot lezing van een deel der wet en der profeten. Ook waren er plaatsen des gebeds in de open lucht (Hand. 16 vers 13. Lydia). De synagogen dienden niet alleen tot religieuse doeleinden, maar ook voor handelingen, die behoorden tot het burgerlijk leven; zoo werden b.v. in de synagogen de geeselingen voltrokken. (Matth. 10 vers 17, 23—24; Marc. 13 vers 9; Lucas 21 vers 12). In elke plaats waren ze zelfstandig georganiseerd.
Hierin ligt een voorbereiding voor de organisatie van Christus' Kerk onder de Nieuwe Bedeeling. Wat vooral duidelijk wordt en merkwaardig is, als we weten, dat er ten opzichte van de organisatie der Synagoge tweeërlei methode was, wat voortkomt uit de plaatselijke en landelijke omstandigiheden. Want in steden met overwegend niet-Joodsche bevolking organiseerden de Joden zich naast de burgerlijke gemeente; ze regelden hier zelf het religieuse leven en oefenden rechtspraak uil. Maar in de bijna uitsluitend Joodsche gemeenten van Palestina, waar de heidenen geen burgerlijke rechten hadden, waren de oudsten van stad en dorp gesteld voor beide terreinen en was geen afzonderlijke regeering voor het burgerlijke en religieuse leven.
Dit is dus belangrijk voor de verhouding van Staat en Kerk, waarbij we gemakkelijk kunnen begrijpen, dat bij de uitplanting van Christus' Kerk in stad en dorp tot aan de uiterste einden der aarde de eerste verhouding, n.l. een organiseering naast de burgerlijke gemeente in principe de eenig juiste is.
Nu hadden de synagogen opzieners of oudsten, die feitelijk in alle aangelegenheden beslisten en b.v. het recht van den ban hadden. De godsdienstige handelingen zelve (gebed, lezing, prediking) geschiedden door leden van de gemeente, die daartoe de bekwaamheid hadden. Ook Jezus sprak wel in de synagogen. Matth. 4 vers 23 ; 9 vers 35 ; 12 vers 19 ; 13 vers 54 ; Mare. 1 vers 21 ; 1 vers 39 ; 3 vers 1 ; 6 vers 2 ; Luc. 4 vers 15 enz. ; 4 vers 44 ; 6 vs. 6 ; 16 vs. 10. Er was een »Overste der synagoge« (Mare. 5 vers 22 ; Luc. 8 vers 49 ; 13 vers 14 ; Hand. 13 vers 15 ; 18 vers 8, 17), die de leiding had, tot het gebed noodigde, tot de lezing, tot spreken (Hand. 13 vers 15) en er zorg voor droeg, dat gebouw en inboedel in goeden staat bleven. Dan waren er armverzorgers, dienaren voor allerlei werkzaamheden als het aangeven en bergen der wetsrollen (Luc. 4 vers 20), het voltrekken der straffen, enz.
Jezus, die Zelf de synagoge gebruikte, spreekt telkens van ecclesia. Kerk, gemeente. Bij de eerste christenen in Jeruzalem vinden we geen poging, om een synagoge op te richten tegenover of naast de bestaande synagogen (in Jeruzalem waren er volgens C. Vitringa in zijn standaardwerk »De Synagoga Vetere« niet minder dan 480). Ook noemen ze zich nooit synagogen, maar Kerken. Paulus spreekt in Gal. 1 vers 22 van »de gemeenten in Judea, die in Christus zijn« (de ecclesiai, de Kerken). Jacobus gebruikt alleen (2 vers 2) 't woord synagoge, maar spreekt aanstonds daarna (5 vers 14) van »de ouderlingen der gemeente» (ecclesia).
Alles is in de Kerk dan ook anders dan in de synagoge. In de synagoge lag de organisatie niet alleen in 't religieuse, maar ook in het burgerlijke leven; de presbyters hadden daar geen geestelijk ambt, maar burgerlijke bevoegdheid — in de Kerk; draagt alles een geestelijk karakter; de Kerk kent geen Overste. Hoewel er dus historische samenhang is, zoo is alles toch geheel anders. In Damascus schijnen de christenen met de synagoge in betrekking te hebben gestaan (Hand. 9 vers 2). Er lag ook in de synagoge een voorbereiding, een praeformatie van het N.-Testamentisch kerkelijk instituut. Er waren vormen van eeredienst, die zich aanbevalen, maar alles onderging een wedergeboorte in dienst van den Koning der Kerk.
De Kerk openbaart zich locaal, zooals de synagoge dat deed. De tempel was immers zoo ver voor de Joden en daarom vergaderde men plaatselijk; zoo ook de christenen, die den hemel zoo vér nog weten en zich van plaats tot plaats hier op aarde vereenigen rondom het Woord en de Sacramenten. Daarbij lag in de synagoge een schema voor de organisatie der Christelijke Kerk (gebedsdienst, voorlezing van het Woord, prediking), maar overigens is het alles nieuw, zoo geheel anders dan onder den dienst der schaduwen!
Waar wij nu het grondtype van de Kerk van Christus in de Jeruzalemsche gemeente vinden, zien we dat deze gemeente in 't jaar 70 verdwijnt, met de verwoesting der stad; en dat de aandacht gevraagd wordt in de Heilige Schrift voor de christelijke gemeenten, uit de Joden vergaderd, als ook voor de Kerken die opgekomen zijn uit de heidenen.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's