MEDITATIE
Het kenmerk van Gods kinderen
Zoovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Romeinen 8: 14.
Kind van God zijn, ziet daar de groote zaak, waarop het aankomt. Het grootste aller voorrechten.
Van nature evenwel zijn we dit niet. Dan geldt ons het schrikkelijke woord, dat eenmaal de Heere Jezus tot de joden sprak: Gij zijt uit den vader den duivel. Dan is niet God, maar de duivel onze geestelijke vader. Er is toch geen enkele reden, waarom dit den onbekeerden joden wel zou gelden, en anderen onbekeerden niet. Wij zijn van nature toch allen dezelfden. Wij stammen van eenzelfden Adam af. En, dat het ons geldt, blijkt wel hieruit, dat we van nature allen de begeerten van dien vader den duivel doen. Die was een menschenmoorder van den beginne, en de vader der leugen. Daaruit juist is het zoo te verklaren, dat er op aarde zooveel haat, nijd, doodslag, is; en hier zoo veel leugen en bedrog wordt gevonden. Thomas Watzon zegt dan ook terecht: ,,De goddelooze, en dat is van nature elk mensch, moest eigenlijk niet zeggen: Onze Vader, die in de hemelen zijt; maar: Onze vader, die in de hel zijt."
Maar wat wonder dan ook, dat, als wij sterven, zooals wij geboren zijn, ons deel zal wezen met dien menschenmoorder; en wij straks moeten hooren: „Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is".
Oorspronkelijk was dat anders. Toen deelde de mensch in de gunst van zijnen Schepper. Toen wandelde hij in Diens wegen; was hij in alles met Hem éenswillend; kende hij Zijne Stem aan den wind des daags; en verblijdde hij zich in diens nabijheid. Doch, helaas! wij hebben reeds in het Paradijs in Adam God verlaten; hebben Hem den rug toegekeerd; en Zijn heilig gebod moedwillig overtreden. Wij hebben aan slang en Satan het oor geleend, en onzen Formeerder de gehoorzaamheid opgezegd.
Zooals wij van nature zijn, worden wij dan ook niet door Gods Geest geleid. Dat begeeren wij juist niet. Daar gaat geheel onze natuur tegen in. Evenals de joden wederstaan ook wij altijd den Heiligen Geest. Dat deden zij in de dagen van Stefanus. Dat hadden ze gedaan in de eeuwen vóór hem. Dat zal het onvernieuwde hart blijven doen, zoolang er de wereld zal zijn.
Maar aangaande de bewoners der eerste wereld sprak de Heere: Mijn geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch. Gods Geest twist dus met ons. Niet in toorn, maar uit liefde. Hij klopt aan de deur van ons hart, en zegt: Laat u toch redden, laat u toch behouden. Bekeert u, bekeert u; waarom zoudt gij sterven? Waarom zoudt gij verloren gaan? Waarom zoudt gij toch moedwillig voor eeuwig ongelukkig worden?
Maar dit duurt niet tot in eeuwigheid. Straks houdt die Geest met twisten op. Dan verlaat Hij ons, en geeft Hij ons aan de verharding over. En dan? Dan is de tijd der genade voorbij; de tijd des vindens onherroepelijk verstreken. Dan zal ons roepen ons niet meer baten. Dan spot de Heere met onze vreeze, en lacht Hij in ons verderf.
Daarom is het nu de welaangename tijd. Nu is het zaak den Heiligen Geest te ontvangen.
Den Geest Zelf. Niet slechts Zijne gaven. Het zal ons niet baten, of we al gelijk een Saul onder de profeten geteld worden, wanheer het hart niet wezenlijk is veranderd. Het zal ons geen heil aanbrengen, als we met een Bileam kunnen roemen, dat onze oogen geopend zijn, en wij de redenen Gods hooren, wanneer wij toch nog het loon der ongerechtigheid liefhebben, en in den grond behooren tot de vijanden van Gods volk. Het geeft niet, dat we verlicht zijn, en de gaven des Heiligen Geestes ontvangen hebben, ja zelfs gesmaakt hebben het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, wanneer die Geest niet in ons binnenste woont, en ons hart wezenlijk is veranderd.
De Heere Jezus Zelf waarschuwt ons zoo hoogernstig, dat velen ten Jongsten Dage zullen zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uwen Naam geprofeteerd, en in Uwen Naam duivelen uitgeworpen, tot welke Hij toch zal zeggen: Gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend.
Waar het op aan komt is juist, wat de apostel ons leert met de woorden: zoovelen als er door den Geest Gods geleid worden. En zal dit geschieden, dan moet eerst die Geest in ons hart komen wonen. En dit geschiedt in het uur der wedergeboorte. Als we van dood levend, van vijand vriend, worden. Dat is maar niet e e n e gebeurtenis, die moet plaats hebben, maar het groote feit, dat moet geschieden. Als we dien Geest niet ontvangen, en door dien Geest niet worden wedergeboren tot eene levende hoop, wij zullen het Koninkrijk Gods geenszins ingaan; ja, zelfs niet zien.
Maar ook als dat door genade mag gebeuren, dan gaan we vast den hemel in. Want waar die Geest in het hart is, daar gaat Hij er nooit weer uit.
Dit toont ons Bunjan zoo schoon en treffend in zijn kostelijk boekje ,,Des christens reis naar de eeuwigheid." Daarin komt Christen in het huis van Uitlegger. Deze brengt Christen in een vertrek, waarin een vuur tegen den muur brandt. Er staat een man bij, die er water in giet; maar in weerwil daarvan wordt dit vuur toch niet uitgebluscht, maar brandt het steeds feller. Christen begrijpt dit niet. Het is hem een raadsel. Maar nu brengt Uitlegger hem aan de andere zijde van dien muur; en daar staat een Man, die in datzelfde vuur olie giet. Nu gaat Christen het licht op. Het water kan het vuur niet uitblusschen omdat er tegelijk olie in gegoten wordt. De bedoeling van Bunjan is duidelijk. In het hart van elken wedergeborene is een vuur der liefde door Gods Geest ontstoken. Nu tracht Satan dat liefdevuur uit te dooven, maar de Geest des Heeren houdt het brandende. Het mag soms minder fel branden; ja, helaas! dikwijls maar al te weinig en te flauw, zoodat de wedergeborene maar al te koel en te lauw is; maar toch geheel uitgaan kan dat vuur des geloofs en der liefde nooit. Daar zorgt die goede Geest voor, Die eeuwig in de Zijnen blijft. En als dat bij ons mag wezen, dan hebben wij het bewijs in ons, dat wij kind van God zijn.
Kind van God! Hoe we dat worden? Ja, hoe worden we iemands kind? Immers door geboorte. Hier hebben we dan ook een volk, dat „niet uit den wil des mans, noch uit den wil des vleesches, maar uit God geboren" is. „Wederomgeboren uit water en Geest." En wat uit God geboren is, dat zal toch wel kind Gods zijn.
Wij kunnen ook iemands kind wezen door aanneming. Menschen, wier huwelijk niet door kinderen is gezegend, nemen wel eens van anderen kinderen aan. Welnu, zoo zijn ook alle ware geloovigen om Christus' wil als kinderen Gods aangenomen. Het is juist krachtens die aanneming, dat zij wedergeboren en ware geloovigen werden.
We kunnen ook iemands kind zijn door huwelijk. Onze aangehuwde kinderen beschouwen we als onze eigene.
Welnu zoo bestaat geheel de gemeente als bruid van Christus door een geestelijk huwelijk uit kinderen Gods, In het Boek der Openbaring van Johannes heet zij zelfs de vrouw des Lams.
En kind van God, dat houdt toch nog al wat in! Een kind van een bedelaar en landlooper is weinig in tel. Een kind van een eerlijken daglooner meer. Dat van een gezeten burger weer meer. Van een aanzienlijk of adellijk heer nog al weer meer. Maar 't hoogste aanzien heeft hier op aarde het kind van een vorst, vooral van een machtig koning of keizer. Dat wordt van de prille jeugd af aan te midden van weelde opgebracht; en is bij een ieder in eere alleen door zijne hooge geboorte.
Doch wat moet het dan niet wezen een zoon of een dochter te zijn van den Vorst aller vorsten, dus Heere aller heeren; van Hem, die naar, waarheid getuigen kon: „Door Mij regeeren de koningen."
Welk een voorrecht het is een kind van God te wezen, dat laat zich onder woorden niet brengen. Dat kunnen wij elkander nooit recht duidelijk maken. Er is slechts één middel, Geliefden! waardoor wij dat kunnen weten. En dat ééne middel is: zelf een kind van God te zijn.
En als we dat mogen wezen, dan zijn wij gelukkig en rijk. Onuitsprekelijk. Als we kinderen zijn, dan zijn we ook erfgenamen. Erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus. Dan wacht ons straks die onverderfelijke en onverwelkelijke en onbesmettelijke erfenis, die in de hemelen voor al Gods volk wordt bewaard. Dan mogen ook wij met David wel zeggen: De snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen. Eene schoone erfenis is mij geworden. De Heere Zelf is het deel mijns bekers, en mijner erve. Hij onderhoudt mijn lot. Dan is God ons deel; en als we Dien mogen bezitten, kunnen wij moeilijk arm zijn.
Dan mogen wij met Groenewegen wel zeggen:
Kom, Jehova's lievelingen!
Wilt nu zingen;
Wekt u op tot Godes lof.
Waarom langer neergebogen
Met uw oogen?
Heft uw zielen uit het stof.
Zouden d' arme wereldlingen
Juichen, zingen,
In de boeien van de hel?
En zult gij, Zijn uitverkoren?
En herboren
Zitten als in druk en kwel?
Zou 't geen stof tot blijdschap wezen.
Die voor dezen
Laagt in Satans booze net?
Die uit 's duivels sterke banden
Door Gods Handen
Zijt getrokken en gered?
Laat uw harte zich verblijden,
't Allen tijde,
In den Heere, uw zalig lot.
Laat uw mond, uw hart, uw keele,
Altijd kweelen; Zingt den lof van uwen God!
Neder-Langbroek. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's