STAAT EN MAATSSCHAPPIJ
De Zondagswet.
Er heerscht omtrent de uitvoering van Zondagswet heel wat verwarring en verschil van inzicht. Dit is dezer dagen nog eens gebleken. Zooals onzen lezers bekend is, dateert de vigeerende (de van kracht zijnde) Zondagswet van 1 Maart 1815. Zij is dus ruim een eeuw oud. Herhaaldelijk kan men nu van de autoriteiten, die met de uitvoering van de Zondagswet belast zijn, vernemen, dat de wet verouderd is, dat ze voor onzen tijd niet meer deugt en dus onuitvoerbaar is.
Echter wanneer ten onrechte een beroep op de Zondagswet wordt gedaan, dan zijn diezelfde autoriteiten er onmiddellijk bij om als hun gevoelen te doen kennen, dat de Zondagswet op het geval, dat men op het oog heeft, niet slaat, en wordt de Zondagswet plotseling weer in eere hersteld.
Zoo de burgemeester van 's-Gravenhage die op de vraag van het Antirevolutionair Raadslid, den heer Vrolijk, naar aanleiding van den optocht der Sociaal Democraten voor de betooging voor ontwapening op Zondag 19 September, luidende: „Kan het College van Burgemeester en Wethouders de verzekering geven, dat in het vervolg geen vergunning meer zal worden verleend voor betoogingen op Zondag? dit antwoordde:
De verzekering, dat in het vervolg geen vergunningen meer verleend zullen worden voor betoogingen op Zondag, zou ik echter niet willen geven. De Zondagswet verbiedt dit niet.
Hier komt het in de kraam van den burgemeester, die bij andere gelegenheden verzekert dat de Zondagswet verouderd is, te pas, om nu de Zondagswet, die van optochten niet gewaagt, omdat daarvan in 1815 geen sprake was, zich op de Zondag te beroepen.
Zulk een wijze van doen is teekenend. De Minister van Justitie, die op de bekende vragen van den heer Duymser van Twist over hetzelfde onderwerp, verwijst naar de maatregelen, die de burgemeester van 's-Gravenhage zal treffen om herhaling van stoornissen van de godsdienstoefeningen te voorkomen, laat de zaak zelve: het vergunnen van het houden van optochten op Zondag, onbesproken. Naar zijn zeggen betrof de aangelegenheid meer de toepassing der wet, welke toepassing meer op den weg ligt van den Minister van BinnenIandsche Zaken.
Zoo wordt men van de eene autoriteit naar de andere verwezen. Uit alles blijkt, dat met betrekking tot de handhaving der Zondagswet, er, gelijk wij hier boven schreven, nog heel wat verwarring en verschil van inzicht bestaat. Uit de Zondagswet is toch duidelijk af te Ieiden, dat ook optochten op Zondag ontoelaatbaar zijn.
Dit blijkt niet alleen uit de b o o d s c h a p welke bij de wet van 15 Maart 1815 was gevoegd, dat verordeningen moesten worden gegeven, om, zooals het in den stijl van die dagen heette: „de pligtmatige viering der dagen, den openbaren Christelijken godsdienst toegewijd, volgens voorvaderlijke zeden te verzekeren", maar ook uit den inhoud van de wet zelve, die in hoofdzaak hierop neerkomt: 1°. verbod van gewonen arbeid; 2°. sluiting van winkels en verbod van verkoop; 3°. sluiting van herbergen en verbod van drankverkoop; 4°. geen publieke vermakelijkheden, dan met verlof van plaatselijke autoriteiten, en dan niet eerder dan na het v o l k o m e n e i n d i g e n van alle godsdienstoefeningen; en 5°. alle gedruisch bij de Kerken verboden.
Dat optochten op Zondag niet onder de Zondagswet zouden vallen, is, dan ook moeilijk toe te geven. Alles bij elkander genomen behoort de Zondagswet, zoo lang zij van kracht is, te worden gehandhaafd. Anders trekke men haar in. Het sollen met de Zondagswet, zooals tegenwoordig geschiedt, is onduldbaar.
De Vrijheid van het Bijzonder Onderwijs (1)
In het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur (hoofdredacteur Prof. Dr. H. Th. Obbink) schrijft „Custos" over dit onderwerp. In verband met het werk van de S t a a t s commissie, welke bij Kon. besluit van 2 juli is benoemd en nu Zaterdag 18 Sept. door den Minister van Onderwijs is geïnstalleerd, is het goed van dit artikel een en ander over te nemen.
Zooals men weet zal de Staatscommissie (voorzitter Z. Exc. Mr. V. Rutgers) in de eerste plaats werkzaam moeten zijn ter b e z u i n i g i n g. Zij zal hebben te overwegen of, met volkomen eerbiediging van het beginsel der financieele gelijkstelling tegenover de openbare kassen van het openbaar en bijzonder lager onderwijs, gelijk dit in de Grondwet is neergelegd, in de Lager Onderwijswet wijzigingen behooren te worden aangebracht, waardoor de kosten voor onderwijs minder kunnen worden.
Maar de Staatscommissie heeft nog een tweede doel. Zij zal n.l. hebben te overwegen of er niet-noodzakelijke b e p e r k i n g e n der vrijheid van het onderwijs behooren te worden weggenomen.
Wat dat laatste betreft: b e p e r k i n g e n d e r v r ij h e i d van het onderwijs, die niet-noodzakelijk zijn en dan ook behooren te worden weggenomen, merkt "Custos" op:
"Speciaal ook in de kringen van het Christelijk onderwijs is deze geste van den nieuwen Minister van Onderwijs met instemming begroet. De klachten over de vele vrijheidsbeperkingen, welke de wet-1920 bracht, zijn daar niet van de lucht. Ook al werden bij de zoogenaamde „technische herziening" de ernstigste bezwaren tegen de wet weggenomen, een niet geringe ontevredenheid bleef, althans in de leidinggevende kringen."
"Onze scholen" — zoo luidt het, zegt Custos" — „zijn, niet in naam, maar wel in wezen geworden staatsscholen, waaraan de wet terwille van een treurige pacificatie, enkele voorrechten toekende. De bittere pil werd geslikt terwille van de verzilvering. Vadertje Staat bemoeit zich met alles, betaalt alles, controleert alles, dirigeert alles, is degene, die alles te zeggen heeft. De weinige vrijheid, die wij bij de wet-1920 meenden te verkrijgen, wordt ons thans bij stukjes en beetjes ontfutseld. "Custos", die zegt nog tal van zulke citaten te kunnen aanhalen uit redevoeringen en geschriften van mannen als Ds. Pierson, voorzitter van den Schoolraad, Wirtz enz., staat een beetje flauw daar tegenover en hij kan niet warm loopen bij de leuze: een nieuwe schoolstrijd!
Wel zegt hij: „Het is een feit, dat de Lageronderwijswet en de Koninklijke besluiten uitvoering uitgevaardigd, de schoolbesturen tot velerlei formaliteiten tegenover Rijks-en gemeentelijke autoriteiten verplichten; dat de onzekerheid omtrent de interpretatie zelfs van de belangrijkste wetsbepalingen velen, die met hunne toepassing te maken hebben, met een gevoel van beklemming vervullen en dat talrijke hoofden van scholen zuchten onder den last eener steeds omvangrijker en ingewikkelder administratie. Het kan voorts niet worden ontkend, dat er in de Lageronderwijswet eenige regelingen en voorschriften voorkomen, welke daarin kunnen worden gemist en welker verwijdering de ontwikkeling van 't Christelijk onderwijs, zonder schade aan andere belangen, ten goede zouden komen". „De vraag is echter of deze dingen voldoende zijn om als richtsnoer te dienen voor een beweging, als die van het Christelijk onderwijs." „Wij zijn geneigd deze vraag ontkennend te beantwoorden."
„Wat verstaan wij onder vrijheid? " zoo gaat Custos voort.
„Het is reeds dikwijls opgemerkt, dat vrijheid iets anders is dan ongebondenheid. Het is niet: zóó of anders te kunnen handelen naar willekeurige verkiezing. Wie zijn leven in bandeloosheid vergooit mist de ware vrijheid. Vrijheid is: leven en handelen volgens zijn ware natuur. Voor den individueelen mensch wil dat zeggen: leven naar zijn door God geheiligd geweten. Voor de Christelijke school beteekent dat: beantwoorden aan de bestemming, met welke zij onder Gods leiding is ontstaan en zich heeft ontwikkeld.
Slechts dan heeft de strijd om vrijheid voor de Christelijke school zedelijke waarde, wanneer zij wordt gestreden — niet uit een zekere zucht om van bindende voorschriften verlost te worden, welke drang óók in ons volk leeft — maar om hare ontplooiing naar hare hoogste bestemming."
„Custos" staat hier zóó tegenover blijkbaar, dat hij met velen, die zeggen, dat de bijzondere school in haar vrijheid belemmerd wordt, van meening verschilt. De wet kan hem, naar 't schijnt, weinig schelen.
„Het komt ons voor, dat de ware vrijheid voor de Christelijke school niet wordt belemmerd door een wet; en niet wordt verworven door wegneming of verandering van die wet." Die wondere beweringen, die zoo echt in den ethischen hoek thuis hooren, laten we nu maar liggen.
In een tweede artikel (in No. 48 v. h. Algem. Weekblad van 1 October '26) wordt nader onder de oogen gezien welke niet-noodzakelijke beperkingen er uit de Wet-1920 zouden kunnen worden weggenomen.
„Custos" zegt: „We wezen er reeds op, dat er in de Lageronderwijswet inderdaad beperkingen van de bewegingsvrijheid der bijzondere scholen voorkomen, welke niet strikt noodzakelijk zijn en welker wegneming den bloei dier scholen waarschijnlijk ten goede zou komen. Bij de samenstelling van de wet-1920 wierp de oude concurrentie-vrees tusschen openbaar en bijzonder onderwijs nog haar schaduw over de beraadslagingen. Weinig woorden vindt men in de notulen der Bevredigingscommissie zóó dikwijls als het woord: „waarborgen." Nu we een weinig verder zijn kan er daarom nu wel worden gehandeld over 't geen voor de bijzondere scholen noodig is. En „Custos" noemt dan „een drietal punten, waarop de wet verbetering behoeft."
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's