De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

5 minuten leestijd

Ontzettende toestanden.

Het is verontrustend, zooals in den laatsten tijd de zedelijkheidsdelicten zijn toegenomen. Er gaat schier geen dag voorbij of de bladen vermelden ons het een of ander geval, waarbij overtreding of misdrijf ten aanzien van de zeden plaats heeft gehad. Dat de schouwburg, de bioscoop, de dansgelegenheid te dien opzichte een belangrijke rol spelen, wie, die met de toestanden op de hoogte is, zal dit durven ontkennen. En als dan de burgemeester van Amsterdam het dansen op Zondag niet toelaat, dan komt het gansche vrijzinnige intellect in het geweer om tegen de vrijheidsberooving van dien burgemeester te protesteeren.
De T e l e g r a a f roept zelfs alle mannen van kennis en wetenschap op om een oordeel over het optreden van Amsterdams burgemeester uit te spreken, waarbij dan de bezwaarden over het dansverbod in hun antwoord niet schromen om te gewagen van een aanranding van het burgerrecht.
Vergelijkt men de cijfers en de statistische gegevens over 1926, voorzoover deze reeds bekend zijn, met die over 1925, dan treft het, hoe b.v. alleen reeds op het terrein van den bioscoop een verschrikkelijke vermeerdering van het aantal bezoekers van de filmpaleizen valt waar te nemen. Stond het cijfer der bioscoopbezoekers in Amsterdam in het 2de kwartaal van 1925 op 1.390.000 personen, de statistiek leert ons dat dit getal bezoekers in het 2de kwartaal van 1926 klom tot 1.815.000 menschen; d.w.z. op meer dan 20.000 liefhebbers per dag.
Niet alleen wordt de bioscoop langzamerhand voor velen een financiëele ondergang, en is ze dus uit dit oogpunt reeds verderfelijk, doch daarbij komt dan nog al de zedelijke ellende, waarin de duizenden bioscoopbezoekers zich storten. Geestelijk en zedelijk wordt ons volk ten verderve gevoerd. Het is haast niet te begrijpen, hoe zij, die over de toelating van films te beslissen hebben, nog een oogenblik kunnen denken, om aan den bioscoop verdere uitbreiding te geven. De beruchte Potemkin film, waarin niet minder dan de revolutie verheerlijkt wordt, en die reeds in tal van gemeenten wordt opgevoerd, is een pijnlijk teeken van de verwording der maatschappij. Zoo glijdt ons volk langs het hellend vlak af naar den afgrond van overtreding en misdrijf.
Ook ten aanzien van dit laatste worden door de statistiek leerzame cijfers gegeven. Zoo steeg het aantal gevallen van diefstal en verduistering in dezelfde kwartalen, waarvan wij hierboven gewag maakten, van 1345 op 1634. Voorzeker, de bioscoop wordt voor ons volk een dreigend gevaar, waartegenover de rijksoverheid en gemeentelijke overheid niet onverschillig mogen staan. Inderdaad hier is p e r i c u l u m  i n  m o r a, dringend gevaar, dat geen uitstel gedoogt.

De Vrijheid van het Bijzonder Onderwijs (2)
„Custos" noemt dan „een drietal punten waarop de wet verbetering behoeft, welke drie zaken we hier overnemen in hoofdzaak om al onze onderwijzers en al de besturen onzer christelijke scholen op te wekken niet om het nu met „Custos" eens te zijn, maar om zichzelf te beraden, wat er nu aan de orde moet gesteld worden, nu er een Staatscommissie is, waarin o.a. ook zitting heeft mr. Terpstra, secretaris van den Schoolraad.
Laat men nu zelf eens aan 't werk gaan en laat men de dingen ordelijk dan op onze schoolvergaderingen bespreken, om het aan de ons bekende en de door ons vertrouwde mannen voor te leggen, wat onze Scholen met den Bijbel noodig hebben.
Maar laat ons nu eerst de drie punten, waarop de Lager-Onderwijswet van 1920 verbetering behoeft volgens „Custos", noemen.
„Vooreerst", zoo zegt hij: „In de eerste zes leerjaren van de gewone lagere school mogen thans geen andere vakken onderwezen worden dan die van a tot en met k: lezen, schrijven, rekenen, Ned. taal, Vaderl. geschiedenis, aardrijkskunde, kennis der natuur, zingen, teekenen, lichamelijke oefening en nuttige handwerken voor meisjes. Hieraan kunnen handenarbeid en de vakken, die verband houden met het godsdienstig karakter der school, worden toegevoegd. Het onderwijs in andere vakken, b.v. in een vreemde taal, is hierdoor binnen het leerplan der school niet mogelijk".
Hierin zou „Custos" blijkbaar verandering en meerdere vrijheid verlangen.
„Verder. In alle klassen der gewone lagere school boven het tweede leerjaar moeten ten minste 22 lesuren per week aan de bovengenoemde vakken a tot en met k worden gewijd. Er blijven daardoor slechts weinig uren beschikbaar voor de vakken, die verband houden met de richting der school. Elk uur moet voorts de geheele klasse aan éénzelfde leervak bezig zijn. Een vrijere leervorm, waarbij een gedeelte der klasse aan het een, een ander deel aan iets anders werkt, is daardoor uitgesloten, tenzij door de Kroon, den Onderwijsraad gehoord, daarvoor uitdrukkelijk vergunning is verleend".
„Ten slotte. De salarissen der onderwijzers mogen niet lager, maar ook niet hooger gesteld worden, dan bij Koninklijk besluit is bepaald. Alleen voor een niet-wetteilijk diploma, als de
z.g.n, na-akte, uitgereikt door den Schoolraad of de Vereeniging voor Christelijk Volksonderwijs, en op grond van de aanwijzing tot „eerste(n) onderwijzer", die het hoofd bij afwezigheid vervangt, mag een toelage worden gegeven. Het is een schoolbestuur dus onmogelijk om een onderwijzer op grand van bijzondere bekwaamheden, die voor de school van belang zijn — we denken b.v. aan het bezit van een akte voor landbouwkunde — of van extra-werkzaamheden (toezicht op overblijvers, enz.) een belooning toe te kennen.
Op elk dezer drie punten zal verbetering moeten komen".
Wij zijn met „Custos" van oordeel, „dat aan de bijzondere scholen op deze punten wat meer bewegingsvrijheid moet worden verzekerd".
Laat ieder zich nu bezinnen wat in deze en in andere zaken nuttig en noodig is voor onze christelijke scholen — en laat men intusschen „de bestaande mogelijkheden ten volle benutten"! In deze moet de belangstelling bij „onze menschen niet af- maar toenemen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's