KERKELIJKE RONDSCHOUW
Wat is Ethisch?
Dat is al dikwijls gevraagd; ook is er al dikwijls een antwoord gegeven; maar men blijft nog telkens vragen, alsof het nog niet duidelijk ware. Wij hebben weer een antwoord op die vraag gekregen; heel lang geleden wel; maar we mogen er toch nog wel mee aankomen nu. Alleen vreezen we, dat men ook na dit antwoord nóg zal blijven vragen: wat is Ethisch? Maar dat is onze schuld niet. Misschien van de Ethischen, van de Ethische Vereeniging enz.
Heel lang geleden deed iemand in Haarlem aan ds. C. J. van Paassen, Hervormd pred. aldaar, de vraag: wat is Ethisch? En vriendelijk als ds. Van Paassen is, gaf hij een antwoord in de Kerkbode, zoodat ieder het lezen kon.
Het antwoord luidde: „Ethisch" beteekent „tot het zedelijke behoorende", „op zedelijk gebied werkende. Het is een bijvoegelijk naamwoord, dat alleen een zaak, nooit een persoon karakteriseeren kan. Men kan dus spreken van „het ethische beginsel", „het ethische karakter der waarheid", enz. enz. Maar niet van „de ethischen". Het is mij natuurlijk niet onbekend, dat het gebeurt, maar het is dan om met prof. Gunning te spreken, taalverwarrend. Er is geen „ethische richting", geen „ethische partij", geen „ethische fractie". Deze bestaan niet. Wordt er, toch van „de ethischen" gesprokken, ter onderscheiding van „anderen", dan durf ik mij niet tot hen rekenen, uit vrees die anderen daarmede te beleedigen, hetgeen mij niet ethisch voorkomt".' Ds. Van Paassen zegt dus „dat er geen ethische richting is, geen ethische partij, geen ethische fractie. Deze bestaan n i e t.
Even de oogen uitwrijven. En dan zien we de ethischen toch, de ethischen als partij, als richting; de ethischen in een ethische Vereeniging ondergebracht, met een bestuur, met leidslieden, met woordvoerders, met een statuut, een program, een orgaan, enz. enz.
Dat vindt ds. Van Paassen verschrikkelijk; hij vindt het beleedigend voor anderen, daar dan tegenover anderen gezegd wordt: „wij zijn ethisch en gij niet!" — 't welk hem „niet ethisch voorkomt".
De Ethischen moeten met zichzelf „ethisch" te noemen, naast en tegenover anderen — nu ook als kerkelijke vereeniging tegenover Gereformeerden, Confessioneelen, Modernen, enz. — toch wel een bedoeling daarmee hebben.
En dan zal het wel zijn, dat zij zich naast en tegenover de Gereformeerden en Confessioneelen willen aandienen, als de menschen, die meer nadruk leggen op het
l e v e n dan op de leer, op het doen dan op het in woorden b e l ij d e n; zij zullen wel de bedoeling hebben, dat het bij hen gaat om „geest en leven" en dat het bij ons gaat om „de letter".
Wij zijn letterknechten; Zij zijn geestelijk-levenden. Wij zijn woord-menschen, zij zijn daad-menschen. Bij ons is het dorre doodsbeenderen, bij hen is het al leven, wat men ziet. Zij ademen in een frissche lucht en wij wonen in bedompte kameren. Zij roepen om de vrijheid, wij praten over belijdenisschriften en het gebonden zijn aan Woord en Confessie. Zij houden van een vrije kerkelijke beweging en wij van een kerkelijke organisatie, met wet en orde naar het Woord.
Als we zoo de tegenstelling niet zelden hooren maken door „de Ethischen", die er in de practijk als richting, als partij, als fractie inderdaad toch zijn, voelen we altijd iets van hetgeen ds. Van Paassen onder woorden gebracht heeft, zeggende: „dan durf ik mij niet onder die ethischen te rekenen, uit vrees die anderen daarmee te b e l e e d i g e n".
En 't is toch ook eigenlijk een gruwelijke beleediging die de Ethischen aan de Gereformeerden telkens aandoen; met sprekende daden zeggende; wij, Ethischen, wij zijn de menschen van geest en leven, en gij, Gereformeerden, zijt de menschen van de letter, die doodt.
Zijn de Gereformeerden niet door alle tijden heen geweest de menschen van „geest en leven", die leerden, dat de wedergeboorte, het leven uit Christus, het wandelen door den Heiligen Geest, als nieuw-geboren kinderen Gods, als getuigen Christi, voortbrengende vrudhten der dankbaarheid — het voorname goed is voor den christen?
„Laat ons alom, Zijn lof ontvouwen:
in Hem verblijdt zich ons gemoed,
omdat wij op Zijn Naam vertrouwen,
dien Naam zoo heilig, groot en goed".
Waar hebben de Gereformeerden ooit geleerd, dat het op het leven niet aankomt?
Nooit en nergens!
En als er uit de prachtstukken van onze Gereformeerde belijdenis naar voren gebracht wordt, wat gereformeerd is, dan is het èn in de Ned. Geloofsbelijdenis èn in den Heidelb. Catechismus èn in de Dordtsche Leerregels alles door en door „ethisch" d.w.z. overal gaat het om het Godsleven, om het nieuwe leven, om het geloofsleven, om het liefdeleven, om het leven der dankbaarheid voor Gods kinderen en overal wordt de Kerk des Heeren opgeroepen in dien levensweg, in den weg van geest en leven, te wandelen.
Maar „de Ethischen" denken, dat dan uit dankbaarheid ..... van Gods Woord mag en moet worden afgedaan. Dat is hun z.g.n. „weinig hechten aan de letter"; dat is hun z.g.n. „vrijheid"; n.l. v r ij h e i d tegenover d e n B ij b e l ; een vrije opvatting aangaande de H. Schrift.
En dat hebben de Gereformeerden in de school des Geestes niet geleerd. De Gereformeerden zeggen, dat «de vrijheid van den christenmensch is: aan Gods hand te wandelen in Gods wegen; en daarom zingen ze: „HEER, ai! maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend". De vrijheid van den christenmensch is geen ongebondenheid; maar om met vasten gang te mogen wandelen in het spoor der gerechtigheid, met de belijdenis: „Uw Woord is een lamp voor mijnen voet en een licht op mijn pad".
Geestelijk leven en volharden in de leer is dan ook geen tegenstelling. D a t h oo r t b ij elkaar. Want de Heilige Geest neemt uit het Woord en bevestigt Gods Waarheid bij Gods kinderen. Maar dan spreken de Ethischen graag van „profetischen geest". En dat moet dan de geest van den christen zijn, die, profeet zijnde, vrij omspringt met wat wij „den Bijbel" noemen.
De verlichting door den Geest doet hen vrijheid erlangen, om met het geschreven Woord te doen wat men wil. Men haalt dan Gods Woord naar voren uit den Bijbel — zelf in deze door den profetischen geest beslissend — en het overige, dat in den Bijbel staat, laat men liggen of verwerpt men als „Joodsch" enz. Daarom houdt men ook over het algemeen niet van die „Joodsche" Psalmen; men maakt liever zelf, door den profetischen geest daartoe bekwaamd, „Evangelische" Gezangen.
De tegenstelling is dus, naar men zegt, dat de Ethischen het leven nummer één noemen en de Gereformeerden de leer. Bij de Gereformeerden zou het leven, het echte, warme christelijke leven ontbreken, om zich op te sluiten in allerlei doode stelsels en zich bezig te houden met allerlei formules en formulieren.
Maar zoo staat inderdaad de zaak toch niet.
Want de zuivere, echt-Gereformeerde belijdenis laat aan het „ethisch" element volle recht wedervaren. Zij vraagt geloof des harten; niet een koud, dood, maar een warm, levend geloof; dat de mystieke u n i e, de verborgen levenseenheid en levensgemeenschap met Christus tot stand brengt; zich openbarend in een wandel des Geestes en een leven der dankbaarheid.
Maar dat geloof gaat over hart en hoofd; dat buigt niet alleen den wil, maar verlicht het verstand. Dat legt een band met Christus, maar ook een band aan het Woord van God, waarvan Jezus Christus en die gekruisigd den hoofdinhoud uitmaakt. En het leidt tot de zekerheid, dat de Bijbel het Woord des Heeren is, niet omdat de Kerk het leert (dat zou Roomsch zijn); niet omdat anderen het ons voorpraten (een praatgeloof baat niet); maar omdat wij in ons gevoelen het getuigenis van den Heiligen Geest. Gelijk onze Confessie het reeds eeuwen geleden heeft uitgesproken: „En wij gelooven zonder eenige twijfeling al wat daarin begrepen is; en dat niet zoozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zoodanige, houdt; maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat ze van God zijn". (Art. 5).
Dat is het „ethisch" element in onze Gereformeerde belijdenis. Dat is Geest en leven!
Maar Geest en leven, dat zich aansluit aan Gods Woord. Dat van de Heilige Schrift zegt: hoe lief heb ik Uw Woord, o God; zij is mijne betrachting den ganschen dag; laat mij niet dwalen; maak in dat spoor mijn gang en wegen vast". Geest en leven — maar op het fundament der Waarheid; bij de leer der Apostelen; bij Gods Woord en Wet.
En dan saam als levende geloovigen, als Kerk van Christus, rondom dat Woord, met deze belijdenis: „Alle deze Boeken ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmee te bevestigen". „Wij gelooven, dat deze Heilige Schrift den wille Gods volkomenlijk vervat". (Art. 5).
De tegenstelling: Ethisch—Gereformeerd is dus niet: leven aan den eenen kant (bij de Ethischen) en dood aan den anderen kant (bij de Gereformeerden). Beiden willen: leven; leven Gods; geestelijk leven; christelijk leven; nieuw leven; leven des geloofs; leven der dankbaarheid.
Maar de Ethischen willen daarbij vrijer staan tegenover Gods Woord en tegenover de waarheden, die uit Gods Woord zijn afgeleid en in onze belijdenisschriften omschreven; terwijl de Gereformeerden willen leven het leven des geloofs, wandelend in den weg van Gods Woord en instemmend met het getuigenis des Geestes in 't midden der Kerk, bevestigend de Schriftuurlijke waarheid der Confessie.
Vandaar dat de Ethischen ook wél voor Schriftcritiek zijn en de Gereformeerden niet. Omdat de Ethischen zeggen, dat de Bijbet moet behandeld worden als elk ander boek; als een product van 's menschen hand; waarbij een m e n s c h over des m e n s c h e n werk mag en moet oordeelen, ook het mag en moet becritiseeren. Het wordt dan „ethisch" genoemd: het den Bijbel te verbeteren.
Zoo wil b.v. prof. Cramer, dat we aan onze kinderen de geschiedenis van Elisa en de booze kinderen van Bethel — een geschiedenis waaraan hij zich van kind af reeds geërgerd heeft — zóó zullen vertellen:
„Op eenmaal kwamen twee beeren die stoute jongens uit elkander jagen; ze grepen er misschien wd een paar van. En tóen de jongens thuis kwamen, ontdaan van schrik, en 't geval aan hun onders vertelden, waarschuwden deze hen om toch voortaan nooit oudere menschen uit te schelden of voor den gek te houden. Gelukkig hoorden ze later, dat geen enkel kind was opgegeten. Daar had zeker de goede Elisa God wel om gebeden!"
Mooi gezegd — maar er staat niets van in de Schrift. Een verbeterde „ethische" editie, "fijner" gevoeld dan Gods Woord 't ons voorlegt!
Zoo komen die Ethischen, die prof. Cramer volgen, boven den Bijbel te staan. Ze weten het beter; ze voelen het fijner; ze zijn hooger geklommen op de trappen van het zedelijk leven.
Bekend is ook, dat prof. Cramer heeft gezegd: dat wij van geen enkel woord en van geen enkele daad van Jezus met volkomen zekerheid kunnen zeggen: zóó heeft Jezus gesproken, dat heeft Jezus gedaan".
Zoo komt alles in de lucht te hangen; en de Ethische moet dan maar zeggen, wat er gesproken is, wat er gedaan kan zijn! Niet de Bijlbel zal dat zeggen, maar de Ethische!
Nog één stap verder en dr. Cramer staat naast sommige Modernen, die beweren, dat voor het feit van Jezus' bestaan a l l e zekerheid ontbreekt; omdat de moderne mensch het niet kan en niet belieft te gelooven!
Nu zeggen wij volstrekt niet, dat alle Ethischen zoo ver gaan als prof. Cramer. We zeggen ook niet, dat alle Ethischen „de waarheid van den Bijbel hebben losgelaten". Gelukkig is dat niet het geval. Maar als zij nog alles of veel van den Bijbel vast houden, is dat veelszins door traditie en door „christelijke levenservaring"; maar niet krachtens hun geloof, dat de Bijbel Gods Woord is.
De Ethische leer als leer is voor de onfeilbaarheid der Heilige Schrift vernietigend. En als de Bijbel op losse schroeven komt staan, dan valt alles uiteen.
Niet, dat we den Bijbel maar kunnen gebruiken bij alles en voor alles. Dat wil de B ij b e l zelf niet. De Bijbel is geen wetenschappelijk boek; 't is geen boek voor natuurkunde, voor geologie, zoölogie, physiologie, medicijnen enz. Wijsheid, niet geleerdheid, is in haar aan het woord. Zij spreekt niet de aparte taal der wetenschap en der school, maar die der aanschouwing en des dagelijkschen levens. Daarom spreekt de Bijbel van het naderen van het land, van het opgaan en stilstaan der zon, van 't bloed als de ziel van het dier, van de nieren als zetel der aandoeningen, van het hart als de bron der gedachten, enz. enz. Om de wetenschappelijk - nauwkeurige taal van de astronomie, de physiologie, de psychologie bekommert de Bijbel zich ganschelijk niet. En dat moeten we er óók niet van willen maken. Dat zou Bijbel-mishandeling zijn. De Bijbel bezigt de algemeen menschelijke taal, verstaanbaar voor den eenvoudigste, duidelijk voor geleerde en ongeleerde beide. Zij bezigt de taal van de aanschouwing, die altijd naast die der wetenschap en van de school zal blijven bestaan. Daarom kan zij ook duren tot aan het einde der eeuwen en gaat haar duur veel verder dan een periode van een bepaalde wetenschap met bepaalde stellingen en axioma's. Daarom is zij oud, zonder ooit te verouderen. Zij is altijd jong en frisch; zij is de sprake des Heeren voor het leven der menschen van alle tijden en alle landen. V e r b u m D e ï m a n e t i n a e t e r n u im. "Het Woord Gods blijft in der eeuwigheid".
Hier, op dat terrein, moeten de Ethischen en de Gereformeerden elkander leeren ontmoeten. De Schrift ligt tusschen ons. Nu dikwijls tot scheiding, tot wreede en breede scheiding. Maar in de leer der Heilige Schrift moet meer helderheid komen bij h e n, maar óók bij o n s! En dan naar elkaar toe, om elkaar daar te ontmoeten waar Gods Woord staat als de lamp voor onzen voet en een licht op ons pad. Om elkander te ontmoeten, waar God gesproken heeft; waar in Gods Woord de allesdragende grondslag ligt voor geloof en leven, daarop vertrouwend tot in eeuwigheid.
Een verrassing.
We maken ons sterk, dat de benoeming van ds. D. den Breems, tot Secretaris der Synode, voor ieder een verrassing is geweest. We gelooven dat niemand aan hem gedacht heeft. Links en rechts keek men al eens uit; hier zag men iemand en daar noemde men een naam; vlak voor de groote beslissing werd zelfs in de pers een bepaald persoon met den vinger aangewezen als de gezochte en de begeerde. En daar vergadert de Synode Woensdag 8 October in stilheid in Den Haag; stemt — en aan de buitenwereld wordt zonder ook maar een enkel woord tot nadere inlichting in deze aangelegenheid, bekend gemaakt als de meest gewone zaak: ds. den Breems is benoemd tot Secretaris van de Synode der Ned. Hervormde Kerk.
Waren er sollicitanten; veel; wie? Was de 2de Secretaris niet bekwaam? Wat zijn de overwegingen geweest een man als ds. den Breems te kiezen? Is hij een „wetgeleerde"; is hij een man van administratieven arbeid en aanleg; heeft hij wat gepresteerd in deze; hoe staat hij tegenover kerkrechtelijke problemen, die nu aan de orde zijn?
Wij vinden die geheimzinnigheid, ook in het officieel Orgaan der Ned. Hervormde Kerk, meer dan verschrikkelijk. En van de benoeming willen we niet meer zeggen, dan dat het een ware „verrassing" is geworden. Heerlijk, als toch alles met dichte deuren en gesloten ramen kan gebeuren. En dat in de „Volkskerk". Het bevordert de gezondheid en geeft een frisch, opgewekt leven, waarmee onze Hervormde Kerk zoo rijk bedeeld is. Neen, laten toch vooral de ramen niet worden opengezet, 't Tocht anders zoo,
Gereformeerde Zendingsbond.
Het Bestuur van den Gereformeerden Zendingsibond heeft besloten te beginnen met de medische zending onder de Toradja's. Nog dit jaar zal een Zendeling-arts uitgaan. Ofschoon de noodzakelijkheid gevoeld werd nog dit jaar een Zendeling-arts uit te zenden, was het niet mogelijk hier te lande een geschikte kracht te krijgen. Deze is thans echter gevonden in den persoon van dr. Simon Thilo, die wegens de financiëele moeilijkheden in de Rijmsche Zendingsvereeniging niet naar de terreinen dier Vereeniging kon worden uitgezonden. Dr. Thilo zal reeds 3 November scheep gaan. Wij verblijden ons over deze zaak zéér en het is onze wensch en bede, dat de Heere ook dit werk van onzen Gereform. Zendingsbond rijkelijk mag zegenen. De Gemeente geve nu nog met grooter dankbaarheid een gave der liefde voor den Bond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's