GEESTELIJKE OPBOUW
De organisatie der Kerk van goddelijken oorsprong, (8)
De Heilige Schrift leert ons, ook in de brieven van Paulus aan de gemeenten, dat er onderscheidene mannen in de gemeente waren, die de leiding hadden en in het ambt stonden; waanbij tal van helpers optreden. Zoo wordt ons genoemd S o s t h e n e s, medesteller van den brief (1 vers 1), die vroeger met Paulus te Corinthe heeft gearbeid en daarna als helper bij Paulus vertoeft. Met Paulus worden deputaten door de gemeente benoemd en afgevaardigd en deze hebben dus een bepaalde roeping, met een bepaalde opdracht van de gemeente. Of ze als „ambtsdragers" Paulus hebben vergezeld, wordt niet uitdrukkelijk gezegd, ook niet tegengesproken. (1 Cor. 16 vers 17, 18). Van het huis van Stefanus, de eersteling van Achaje, meldt PauUus nadrukkelijk „dat zij zich zelve den heiligen ten dienste hebben geschikt" (1 Cor. 16 vers 15); zeer zeker dus een gansch vrijwillige ten-dienste-stelling. Maar, dat Stefanus eenmaal in die positie, hetzij bij formeele aanstelling, hetzij bij stilzwijgende erkenning, een verantwoordelijke plaats inneemt, waar bij hem gezag was geschonken en jegens hem gehoorzaamheid moest betoond, blijkt uit de venmaning, die ook met het oog op andere leiders gegeneraliseerd wordt: „dat gij ook1uan de zoodanigen onderwerpt en aan een iegelijk die medewerkt en arbeidt". (1 Cor. 16 vers 16).
Uit den eersten brief van Paulus aan 1 Corinthe blijkt dus wel, dat mag gedacht worden aan arbeid in de gemeente, die geregeld is; aan regeering en bestuur, dat naar wet en orde gaat; waarbij tal van personen betrokken zijn.
Ook in den tweeden brief, waar Titus optreedt als een reizend helper van Paulus, sprake van gehoorzaamheid die te bewijzen is en die bewezen wordt. (2 Cor. 7 vers 15).
En zoo vinden we in de beide brieven als resultaat voor Corinthe: 1 °. reizende helpers Sosthenes (1 Cor. 1 vers 1); Apollos (1 Cor. 3 vers 5; 16 vers 12); Titus (2 Cor. 8 vers 23; 2 vers 13; 7 vers 15); Timotheüs (1 Cor. 4 vers 17; 16 vers 10; 2 Cor. 1 vers 1); 2°. plaatselijke helpers: Stefanus, Fortunatus, Achaïcus (1 Cor. 16 vers 15, 16, 17, 18); 3°. dat in het midden der gemeente optreden velen, die met geestelijke gaven gesierd zijn, die geen leiding geven en niet met name genoemd worden, maar wier geestesgaven aan strenge tucht worden onderworpen. 1 Cor. 12 vers 28 blijft in deze een der klassieke teksten, die van de grootste betekenis zijn. Daar lezen we: „En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leeraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeeringen, menigerlei talen".
Paulus spreekt in dit (hoofdstuk (zie vers 1 enz.) over de geestelijke gaven en in het onmiddellijk verband over de organische werkingen en krachten in de Kerk als lichaam (zie vers 27 enz.). Aan de geestelijke gaven beantwoorden de ambten en de ambten zijn, om de geestelijke gaven te regelen. En dan geeft de apostel hier (in vers 28) geen volledige opsomming der ambten, andere plaatsen moeten hier bij worden gebruikt tot aanvulling, maar toch wordt gedoeld op een volledige organisatie, welke er is door het bestel van den souvereinen God, als een genadegift ten opzichte van gemeente gegeven. Waarbij met „de gemeente" volstrekt niet bedoeld wordt alleen Kerk van Corinthe, maar héél de Kerk van Christus van plaats tot plaats.
De genoemde diensten zijn dan gedeeltelijk tijdelijk en van voorbijgaanden aard en ten deele blijvend.
De apostelen zijn degenen, die van Christus Zelf geroepen zijn. (1 Cor. 4 vers 9 en 1 Cor. 9 vers 1). Die zijn van algemeene beteekenis en Paulus spreekt zelf van "de laatste apostelen" (1 Cor. 4 vers 9); en dus van voorbijgaanden aard; ze zijn voor een tijd en keeren dan nooit weder na het bepaalde, grondleggend werk verricht te hebben.
Dan zijn er die met de gave van de uitlegging van het Woord en van de prediking zijn begenadigd: profeten en leeraars. Deze ambten zijn blijvend.
Verder komen er die bizondere krachten hebben ontvangen, welke weer tijdelijk zijn. Geenszins krijgen we hier den indruk van ongeorganiseerd kerkelijk-of gemeentelijk leven.
Hierbij komt ook Rom. 12 vers 6, 7 en 8 in aanmerking. Want daar schrijft Paulus: „Hebbende nu verscheiden gaven, naar de genade die ons gegeven is, zoo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate des geloofs, hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leeren; hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid".
Paulus spreekt ook hier van de gemeente als lichaam met onderscheiden leden (vs. 4 en 5), om zoo de bedieningen in haar o r g a n i s c h e n samenhang en onderlingen dienst voor het lichaam der Kerk te doen kennen; waarbij de nadruk er op gelegd wordt, dat alles geschieden moet naar de norm van het Woond en naar den objectieven zin van den regel en de norm des geloofs. Paulus spreekt hier van een regelmatig dienen in de gemeente door onderscheidene personen naar onderscheidene gaven en met erkenning der gaven door anderen. Wel is 't ambt der geloovigen nog niet in alles te onderscheiden van hen die geroepen zijn tot een bizonder ambt, maar ook hier is de ontwikkelingsgang niet te loochenen. In dit borduursel zijn drie draden duidelijk te onderkennen en deze gaan steeds scherper het beeld der oganisatie afteekenen: het leeren, het regeeren en het barmhartigheid oefenen.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's