De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Mr. G. GROEN VAN PRINSTERER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mr. G. GROEN VAN PRINSTERER

6 minuten leestijd

Mr. Groen van Prinsterer
6)

In Groen's dagen had er een botsing plaats tusschen de Groninger richting met haar modernistische gevoelens en de nieuw opkomende gereformeerde richting. De Ned. Hervormde Kerk was uit den aard der zaak 't terrein waar de tegenover elkander staande partijen elkander ontmoetten; en heel de synodale organisatie met haar hiërarchische bestuursinrichting was er op berekend, om de modernen in besohermimg te nemen en den gereformeerden het leven moeilijk te maken. Onder de laatsten traden de predikanten: ds. H. de Cock te Ulrum, ds. H. P. Scholte te Doeveren, ds. A. Brummelkamp te Hattem, ds. S. van Velzen te Drogeham, ds. Van Raalte, ds. Van Rhee, ds. Gezelle Meerburg en anderen, op den voorgrond, te midden van den gezangenstrijd en de vragen over het al of niet doopen van kinderen van ongeloovige ouders. Toen in 1834 de Afscheidinig plaats had, begonnen de vervolgingen. Vóór October 1834 waren er alleen in de provincie Groningen al meer dan twintig vonnissen geveld tegen het houden van godsdienstige samenkomsten; gedurende den winter van 1834 zat De Cock te Groningen gevangen; te Uithuizen drong het volk de hofstede binnen, waarin De Cock predikte; de boer en de boerin werden in een sloot geworpen, de leeraar werd in een doornheg gesmeten en toen afgeranseld; tal van huizen met verbrijzelde ramen duidden de plaats aan, waar in Nederland het gezamentlijk gebed werd verstoord, enz.
Het was een vreeselijike tijd. Mr. Zevenstern, de officier bij de rechtbank te Appingedam, slaakte de verzuchting: „Het ware te wensohen dat men de hoofden der bijeenkomsten aan het lijf mocht straffen!" En het was ook alsof het grauw aangevoerd werd door de politie en aangevuurd door Hervormde predikanten.
Vele tienduizenden moesten betaald worden aan boeten en niet weinigen werden naar het tuchthuis gevoerd. In 1837 had ds. Budding alleen reeds ƒ 2000.— boete betaald; in Februari 1837 bedroegen de boeten in Friesland reeds ƒ 6860.—; van December 1836 tot 7 April 1838 alleen te Amsterdam ƒ2072.—. Bij het innen der boeten ging men gewoonlijk over tot verkoop van huisraad, vee, kleederen, kindergoed, enz.; dikwijls op Zondag, zoodat de Afgescheidenen niets konden inkoopen.
Het grootste kwelmiddel echter was de inkwartiering van soldaten. Bijna overal, waar Afgescheiden gemeenten dreigden te ontstaan, werden ter verhindering of voorkoming van godsdienstoefeningen, militairen ingekwartierd, op vele plaateen uitsluitend bij de Afgescheidenen; in één huisgezin somtijds zes, tien, twaalf, tot een officier met één en dertig manschappen toe! Te Bunschoten duurde deze inkwartiering onafgebroken van 16 October 1836 tot 29 November 1840. Bij ds. De Cock in Ulrum werden twaalf man ingelegerd, de pastorie werd als wachthuis gebruikt. En de houding der militairen was door­gaans ruw en onbeschoft. (Zie: dr. L. H. Wagenaar. Het Reveil en de Afscheiding ; blz. 182, 273, 275, 276 enz.).
De dagen van de vervolging der Afgescheideinen strekken Nederland niet tot eere. Die tijd is een schandvlek voor onze natie! Donkere bladzijde in ons historieboek!
Het gerucht van deze dingen ging uit tot andere landen, vér over onze grenzen. In Geneve in het Oratoire werd een afzonderlijk biduur gehouden op 6 Februari 1837, voor de verdrukte gemeenten in Nederland. Leeraars uit de Eglise Nationale du Canton de Vaud zonden een smeekschrift aan Koning Willem 1 om godsdienstvrijheid voor zijne onderdanen. Ook op een vergadering van dissentiëerende predikanten te Londen werd de vervolging in Holland ten scherpste gegispt.
De Afgescheidenen werden gesterkt en gesteund door den Heere, hunnen God en zij waren blijmoedig in de verdrukking. Een man als dr. Pierson, waarlijk geen geestverwant, schreef later van ds. Brummelkamp: „het blijmoedig gelaat, het tintelend oog, het rechtopstaand haar van Brummelkamp, de kloeke toon van zijn stem, getuigde hoe gelukkig hij zioh gevoelde". (Oudere Tijdgenooten, blz. 112). Mr. A. M. C. van Hall, advocaat te Amsterdam, hield een welsprekend pleidooi, ter verdediging van de vervolgden en sloot zich bij de Afgescheidenen aan; eveneens Wormser.
Groen van Prinsterer deed dit niet, maar in belijdenis één met de vervolgden, wierp hij, waar zijn rechtsgevoel zoo diep gekrenkt werd, zich op als hun verdediger, vooral in zijn geschrift: „De maatregelen tegen de Afgescheidenen, aan het Staatsrecht getoetst". In het Journal de la Haye trad Thorbecke tegen Groen op als verdediger van de vervolgingsmaatregelen.
Het eenvoudige christenvolk voelde zich tot Groen aangetrokken; het zag naar hem op in de verwachting, dat hij hen niet alleen zou laten staan en de Evangeliebelijder bij de gratie Gods, Staatsman van naam, heeft het geloovig deel van ons volk niet beschaamd, maar trad op als hun leider en pleitbezorger. 9 April 1861 schreef hij nog aan A. baron Schimmelpenninck van der Oye: „Met de Afgescheidenen voe'l ik ons te meer vereenigd, dewijil ik ze steeds met ons in Kerkgemeenschap beschouw".
Wel ging Groen niet mee met de Afgescheidenen, Hij voelde voor de Ned. Hervormde Kerk. Met van Velzen heeft hij daar over in de jaren 1847 en 1848 vooral druk van gedachten gewisseld. Groen zette zijn standpunt uiteen in „Het recht der Hervormde Gezindheid"; van Velzen schreef daarop zijn „Apologie der Kerkelijke Afscheiding"; waarop Groen weer antwoordde in een brochure: „Aan ds. S. van Velzen".
Een van de mannen die verder voor Groen van de grootste beteekenis voor zijn leven is geweest, is, dr. Friedrich Julius Stahl, aan wien hij een van zijn schoonste geschriften gewijd heeft.
Stahl, evenals Da Costa en Capadose van Joodsche afkomst, werd 16 Jan. 1802 te Munchen geboren en werd in 1827 daar privaatdocent; later hoogleeraar te Wurzburg, daarna te Erlangen en is èn door zijn wetenschappelijken arbeid èn door zijn politieke loopbaan een man van de grootse beteekenis geweest; ook door zijn atbeid in Berlijn, waar hij 21 jaar in Academische werkkring zoowel als lid van het hoog Evangelische Kerkbestuur uitmuntte in kunde, scherpzinnigheid, volharding en geloofsmoed. Groen noemt hem dan een man die in zijn „Conservatieve, Anti-revolutionaire, Christelijk-historische, Christelijk-nationale, Christelijk-Confessioneele beginselen" openbaar wordt (Groen: Ter nagedachtenis van Stahl, blz. 1, 2 enz.).
Groen was het met Stahl, met z'n Luthersche gevoelens, niet in alles eens, maar toch was hij zóó met hem ingenomen dat hij aan zijn jeugdige vrienden aanried om gedurende eenigen tijd professor Stahl te Berlijn te gaan hooren.
Aan A. baron Schimmelpenninck van der Oye schreef Groen (31 Juli 1862): "Ik zend U onder kruisband een opstel van Stahl, onlangs in een Rechtsgeleerd tijdschrift geplaatst; zeer wensch ik, dat deze voortreffelijke staatsman en wijsgeer, die in Pruisen voor het Christelijk historisch beginsel in de bres stond, ook in Nederland meer worde gekend en gewaardeerd".
(Wordt voortgezet)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Mr. G. GROEN VAN PRINSTERER

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's