GEESTELIJKE OPBOUW
De organisatie der kerk van goddelijke oorsprong (9)
De organisatie der Kerk van goddelijken oorsprong. (9)
In den Galatenbrief geeft Paulus ons een blik te slaan in de onderlinge verhouding tussen de Apostelen, iets waarvan we overigens zoo uiterst weinig weten. (Gal. 1 vs 17, 18, 19; Gal. 2 vers 9, enz.).
In Gal. 6 vers 6 wordt dan met nadruk gesproken van onderwezen te worden in 't Woord door degenen die onderwijs geven, hetwelk dus aangeeft, dat er in de gemeenten leeraars waren, die in de Schriften thuis waren en anderen onderwezen; waarbij de Apostel zegt, dat dezulken behoorlijk moeten onderhouden worden.
Het gaat dus hier over het onderhoud der leeraars in de Kerken van Galatië — en elders met tijdelijke goederen uit de hand der onderwezenen. Er is dus een bepaalde kring van leeraars met verplichtingen en rechten. In Efeze 4 vers 11 lezen we: „En Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leeraars; iets wat veel overeenkomst heeft met 1 Cor. 12 vers 28 : „En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leeraars, enz.
Ook hier blijkt dat er ambten zijn; dat ambten niet vanzelf zijn ontstaan, maar van God, door Christus, gegeven en ingesteld zijn.
Apostelen, profeten en evangelisten komen voor als diensten voor héél de Kerk en --- tot haar stichting en organiseering. Naast de Apostelen, waren er evangelisten, die als missionairen werkzaam waren (zendelingen), met mindere dan apostolaire vaardigdigheid. Misschien worden ze wel opzettelijk in Efeze genoemd, omdat er onder de kerken, aan wie dat rondschrijven is gericht, waren, die niet door apostelen, maar door niet-apostolaire missionalren waren gesticht. Met de herders en leeraars worden dezelfde personen bedoeld en ongetwijfeld niet twee verschillende klassen aangegeven; ze staan tegenover het vorige drietal (apostelen, profeten en evangelisten) als dienaren van de locale Kerk en als blijvende ambtsdragers. Het gaat bij hen niet om het mededeelen van een nieuwe kennis, als bij de apostelen, profeten en evangehsten, maar om het aanwenden en toepassen van de waarheid, die het bezit der gemeente geworden is.
Tot recht verstand van de positie van deze herders en leeraars moet Efeze 4 vers 11 beschouwd worden in saamvatting met Hand. 20 : 17, 28 ; en 1 Petr. 5:1, 2.
Daar lezen we, dat Paulus van Milete een boodschap naar Efeze zendt, om de ouderlingen dar gemeente te ontbieden; en als ze gekomen zijn, zegt hij o.a.: „Zoo hebt dan acht op uzelve en op de geheele kudde over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed". En in 1 Petrus 5 vers 1, 2 en 3 lezen we: „De ouderlingen die onder u zijn, vermaan ik, die een niet-ouderling en getuige des lijdens van Christus ben, en deelachtig der heerlijkheid die geopenbaard zal worden: weidt de kudde Gods die onder u is, hebbende opzicht daarover niet uit bedwang maar gewilliglijk, noch om vuil gewin, maar met een volvaardig gemoed; noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde".
Dan lezen we 1 Thess. 5 vers 12, 13: „En wij bidden u, broeders, erkent degenen die onder u arbeiden en uwe voorstanders zijn in den Heere en u vermanen en acht ze zeer veel in liefde, om huns werks wil".
Hier worden de arbeiders, de voorstanders en de vermaners in één adem genoemd — en in het Grieksch met één lidwoord •— zoodat het duidelijk is, dat het hier dezelfde personen zijn die dezen drievoudigen arbeid verrichten. Zij zijn de ambtsdragers en voorgangers in de gemeente en de Apostel veronderstelt ook (4 : 27), dat zijn schrijven in hun handen komt. („Ik bezweer ulieden bij den Heere, dat deze zendbrief allen den heiligen broederen gelezen worde".)
Na deze teksten kunnen we nog noemen Col. 4 vers 17 ; Fll. 1 vers 1 en Hebr. 13 vers 7, 24.
Col. 4 vers 17 : ,,En zegt aan Archippus: Zie op de bediening, die gij aangenomen hebt in den Heere, dat gij die vervult". Uit de handen der gemeente heeft deze voorganger de bediening ontvangen en aangenomen, maar schijnt te vertragen. Vandaar deze vermaning, welke dus bewijst, dat er een wettig plaatselijk ambt is.
Fil. 1 vers 1 ; „Paulus en Timotheüs, dienstknechten van Jezus Christus, aan alle de heiligen in Christus Jezus die te Filippi zijn, met de opzieners en diaikenen". Hier spreekt Paulus dus van episcopen en diakenen. Die episcopen zijn de presbyters van de Kerken van Lycaonië, Thessalonica, enz. Paulus heeft veel lof voor deze Kerk en door haar ambtsdragers in de groetenis op te nemen, spreekt hij tegelijk dien lof ook uit met betrekking tot de organisatie der Kerk, die zijn goedkeuring wegdraagt en naar 's Heeren wil wordt geacht te zijn. Niet vreemd is, dat hier de verzorgers der armen den technischen naam „diakenen" voor het eerst ontvangen, als we bedenken dat deze brief, die door ieder aan Paulus wordt toegeschreven, vanuit Rome ongeveer in het jaar 63 is verzonden en ongeveer uit denzelfden tijd dateert als de pastoraalbrieven (1 Tim. 3 vers 8: „De diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn", enz.)
Hebr. 13 : 7, 24: „Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hunnen wandel". En: „Groet alle uwe voorgangeren en alle de heiligen". Hier wordt waarschijnlijk gedacht aan de voorgangers, die den marteldood zijn gestorven (vers 7), aan wie in de gemeente de zlelszorg was toevertrouwd, aan wie als zoodanig gehoorzaamheid verschuldigd was.
Al deze Schriftuurplaatsen nu doen duidelijk uitkomen, dat, naar luid van de Apostolisdhe brieven geschreven aan de verschillende gemeenten — in onderscheiding van de Pastoraalbrieven, die tot den pastor gericht zijn — de leiding en regeering in de gemeenten uit de heidenen bepaaldelijk door het ambt geschiedde. En in het optreden van het ambt treedt zeker het georganiseerd karakter dier gemeenten wel het meest aan het licht.
Wanneer we hierbij nu nog in aanmerking nemen, wat we verder door verschillende gegevens weten, dan blijkt duidelijk, dat alles ordelijk en geregeld, ambtelijk toeging. Zoo was b.v. aanstonds de Doop het middel en de weg om toegang tot de gemeente te verkrijgen. En dat kon zóó maar niet. Want dat toetreden tot de gemeente zat vast aan de belijdenis des geloofs. De Doop geschiedde natuurlijk ordelijk en vroeg om het ambt. De belijdenis des geloofs geschiedde ook maar niet zonder toezicht. Neen, de uitspraak van het hart als belijdenis des geloofs en als middel om tot den Doop te worden toegelaten en zoo in de gemeente te worden opgenomen, stond onder keur en toezicht. En zoo werd de Kerk door den Doop en door de belijdenis noodzakelijk begrensd en gekarakteriseerd, waarbij de voorgangeren en de opzieners een heilige roeping hadden, om toe te zien, dat het karakter van de door het bloed van Christus zoo duur gekochte gemeente niet geschonden noch veranderd werd. (Hand. 20 vers 28).
Het zal dus moeilijk vol te houden zijn om tegen te spreken, dat in de eerste christen-gemeenten van geen organisatie, van geen ambten, van geen regeermacht sprake was. Integendeel; tal van Schriftuurplaatsen uit de Apostolische hrieven, geschreven aan de onderscheidene gemeenten, bewijzen, dat er in en buiten Jeruzalem een „zelfde spreken" (homologein), een "gemeenschappelijk belijden" was, vasthoudende aan de leer en de ordeningen der Apostelen, waarbij het Woord, de Doop, de Belijdenis en 't Avondmaal de gewichtige stukken waren waarbij men toetrad tot de gemeente, de geestelijke en stoffelijke voordeelen van het gemeenschapsleven deelachtig werd, maar ook de verplichtingen op zich nam, die de Kerk van Christus als vanzelf voor al hare leden, in Jeruzalem en daar buiten, meebracht. Waartoe ook behoorde: het zich stellen onder het opzicht en onder de tucht. En voor opzicht en tucht waren de ambten noodzakelijk.
Doch hierover in een volgend artikel.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's