KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Modernen en de Christus
De Modernen en de Christus.
De heer Bakels kan het ongezouten zeggen. Hij legt geen blad voor z'n mond. 't Moet er maar uit! En dan kan hij op geduchte manier z'n modernen mede-geloovigen(?) verwijten doen, dat ze oude termen gebruiken, terwijl ze er niets van meenen. Men schermt met orthodoxe formules, terwijl men dat alles al lang heeft over boord geworpen. Bakels vindt dat niet eerlijk en nu vraagt hij aan anderen of ze dit met hem eens zijn of niet. Tal van brieven met antwoorden heeft hij ontvangen. En hij is van plan om — 't is „een heele goederentrein vol" zegt hij — verschillende van die antwoorden te publiceeren.
De eerste brief dien hij laat afdrukken is van den ouden emeritus-hoogleeraar H. Oort. Die zegt, dat Bakels wel wat veel de peperbus en het zoutvat, gebruikt; te scherp is en daardoor ergernis wekt, ook bij hem, maar Prof. Dr. H. Oort meent toch, — en daar is 't ons om te doen — dat Bakels gelijk heeft, als hij de tegenwoordige modernen onder handen neemt over hun oneerlijkheid bij het gebruiken van oude, orthodoxe spreekwijzen, formules en leeringen, waarvan ze niets meer gelooven. Dat moet worden gelaakt, zegt hij. En we zijn 't roerend met hem eens. Dat is weer zoo'n stuk van de onwaarachtigheid en het schipperen, waarvan de moderne Dr. Hooykaas, in ander verband, enkele jaren geleden gewaagde.
Prof. Oort schrijft dan:
Aan de redactie van Kerk en Volk.
Met alle lezers van dit blad uitgenoodigd om mijn meening te zeggen over het artikel van Bakels, voel ik mij verplicht aan dat verzoek te voldoen. Om dan met de deur in huis te vallen — met de hoofdzaak van zijn schrijven ben ik het volkomen eens; ook mij hindert gedurig de manier waarop in geschriften van modernen over Christus gesproken wordt. Wat is die „kosmische" of „metafysische" Christus anders dan een in een schijnbaar wijsgeerig kleed gaande Roomsche en oud-Protestantsche Godszoon? Hij beteekent voor ons — neen, ik weet niet wat in anderer gemoed omgaat — voor mijn godsdienstig leven niets. Bakels vergeet bij zijn uiting van ergernis er over dat de Christus niet alleen bij Roomsch-Katholieken en orthodoxen, maar ook bij vele vrijzinnigen een grooter rol speelt dan bij hem en mij, en spreekt over hem dientengevolge op een het onderwerp onwaardigen toon, tot veler ergernis, ook de mijne. De meeste godsdienstige menschen denken niet veel na over wat zij gelooven, geven zich althans geen rekenschap van de woorden waarin het gekleed wordt; de overlevering heeft daarin een groote macht. In hen nu die bij hunne godsdienstoefeningen de oude kerkzangen gebruiken — en dat moesten de meesten doen — wordt de vereering van Jezus naast die van God daardoor sterk aangekweekt; doch ook in de liederen van den N. P. B. neemt „de trouwe vriend", „de groote meester", „'s werelds hoogst verlangen en stervelings zaligst goed" soms de plaats in die alleen aan God toekomt. Dit kan niet dan langzaam uitslijten, en het zou dwaas zijn zich daar aan te stooten. Maar aanstootelijk is het — en dit is het waarop Bakels wijst — dat vrijzinnige predikers met die Christusfiguur schermen. Dat is een onwaarheid. En die is heilloos. Mede omdat zij daardoor van de Kerk vervreemden hen die aan de Christusvereering ontwassen zijn of ze nooit hebben gekend; maar vooral voor die sprekers zelf. Onwaarheid is een der grootste gevaren voor ons geestelijk leven, een gevaar waaraan niemand ontkomt. Wij hebben van kindsbeen af eenige godsdienstwaarheden geleerd, ze half of in 't geheel niet begrepen, nagezegd; ze worden ons in onze boeken en godsdienstoefeningen telkens voorgehouden; wij vinden ze stichtelijk, opwekkelijk, vertroostend; is 't altijd meenens wanneer wij ze overnemen? denken wij daarbij goed? Wij draaien onszelven zoo licht een rad voor de oogen. Is dit tot op zekere hoogte onvermijdelijk, het besef hiervan moet de predikers sterk dringen om altijd zoo veel mogelijk waar te zijin, geen uitdrukkingen en woorden te gebruiken die zij niet verantwoorden kunnen. De zegswijzen over Christus behooren, vrees ik, dikwijls daar toe. En ziedaar waarop Bakels wijst. Men late zijn manier van spreken dan voor wat zij is, en neme den inhoud ter harte.
Leiden.
„Aanstootelijk is het, dat vrijzinnige predikers met die Christusfiguur schermen. Dat is een onwaarheid. En die is heilloos."
Wij zeggen het Prof. Oort na.
Wat is Modern ?
Nu we toch met de modernen bezig zijn willen we trachten, heel kort en dus gansch niet volledig, maar naar we hopen toch juist en duidelijk, even te zeggen wat nu eigenlijk modern is. En dan willen we het nu niet hebben over Schriftcritiek of verwerpen van historische feiten enz. Maar we willen trachten in 't kort aan te geven hoe de moderne denkt over den mensch, over God, over de verlossing, over Jezus.
De moderne beschouwt den mensch niet als een gevallen schepsel Gods, dat door moedwillige overtreding van Gods gebod, uit zijn eersten staat van kennis, gerechtigheid en heiligheid is uitgevallen. De moderne zegt, dat de mensch goed is en hij houdt het menschheids-ideaal hoog. Wel is er veel aan hem nog onvolmaakt en veel staat zijn ontwikkeling in de goede richting in den weg, maar van nature is de mensch goed. Hij is een kind Gods; het goede is in hem en hij heeft slechts noodig, zij 't met veel strijd, zich uit zich zelf, uit het goddelijke dat in en aan hem is, te ontwikkelen. Daar wandelt een kind Gods, als men een mensch voor zich ziet heengaan. En nu mag de v e r s c h ij n i n g van dien mensch misschien veelszins gebrekkig zijn, zijn w e z e n is goed. Uit kracht zijner menschelijke natuur heeft hij het goddelijke in zich. En dit goddelijke heeft zich slechts te ontplooien. Wat met conflicten gaat in den strijd van het hoogere met het lagere, maar de mensch heeft te toonen in deze dat hij mensch is en dat zal hem de overwinning geven. Dan is als men van zonde spreekt niet anders bedoeld dan die onvolkomenheid en onvolmaaktheid die er in de levensopenbaring nog is, maar die door inspanning en geestelijke oefening moet overwonnen worden. Zoolang het geestelijke levensbeginsel nog de kracht niet verwierf om de zinnelijke motieven te beheerschen en er onder te brengen, blijft die onvolmaaktheid in meerdere of mindere mate en dat noemt men dan z o n d e in den kring van de Modernen. De geestelijke mensch, de echte mensch, moet den zinnelijken mensch overleven, doodleven; dan is 't gewonnen en de volmaaktheid is bereikt. Door overwinning, door evolutie, door strijd komt het diepste van den mensch boven en tot overwinning; de horten en de stooten bij dien voortgang vormen wat men noemt: de zonde. Goddelijk zaad, als de mensch is, draagt goede vrucht. Geef den mensch daarom de gunstigste omstandigheden en de goede boom brengt vele en goede vruchten voort.
Hoe de orthodoxe, bijbelsche leer daar tegenover staat is bekend. De mensch is een gevallen, zondig, schuldig wezen, dat, wanneer het zich zelf vindt altijd weer terugvindt een gevallen, zondig, boos, verdorven wezen, dat van nature onbekwaam is tot geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. Altijd als de mensch zich zelf vindt, vindt hij een zondaar, die verloren ligt voor God, beladen onder den rechtvaardigen vloek van den Heilige, Die den mensch goed en naar Zijn beeld geschapen heeft. En waar het zoó staat met den mensch uit een vrouw geboren, geboren uit vleesch en bloed, vleesch uit vleesch en van de aarde aardsch, verkocht onder de zonde, is, wanneer er hereeniging zal zijn met God, wedergeboorte, verzoening, verlossing noodig. Tenzij de mensch opnieuw geboren wordt, van Boven geboren, uit water en geest, zal hij 't Koninkrijk Gods niet zien.
Er is dus bij den mensch maar niet een tekortkoming in het volmaakte, niet slechts een conflict tusschen 't hoogere en lagere, dat met den tijd door strijd beter wordt. Neen, de zaak staat gansch anders. De mensch is een zondaar, schuldig en boos en leeft van nature, zooals de mensch is in z'n w e z e n, in vervreemding van God, buiten de éénheid met den Heilige. Z'n zonde is Gods-vervreemding, met vijandschap tegen God. Zóó komt de mensch te staan voor God. En zoo is de mensoh reddeloos verloren.
Daarom spreekt de christgeloovige ook van algeheele bekeering, hartveranderende genade, wedergeboorte. Niet van evolutie als ontplooiing van den mensch door ontwikkeling en gebruik van eigen krachten. Maar van regeneratie, wedergeboorte, algeheele verandering en vernieuwing van hart.
De moderne zegt, dat de mensch slechts tot zelf-inkeer behoeft te komen, bij zichzelf behoeft te worden bepaald, om daar dan, in zichzelf. God te vinden. Daartoe moet hij het leven gebruiken, om op te klimmen tot God als goddelijk wezen. En dan is God voor den moderne de Opvoeder, de Vader van Zijn kinderen, die ze leidt en leert en verder brengt, tot de ontplooiing van het wezen des menschen dat goed is.
God Opvoeder. God Leeraar.
De orthodoxe, bijbelsche christen zegt: dat is niet voldoende; ja, deze leer is geheel verkeerd, bedriegelijk en verderfelijk. Want de mensch moet een anderen weg in gebracht worden; de mensch heeft een anderen God noodig. Indien God, de Heilige, den van nature verkeerden, schuldigen, zondigen mensch niet hartgrondig vernieuwt, indien Hij hem niet wederbaart en bekeert, zoo is de mensch verloren en blijven alle Gods-zegeningen en Gods-bemoeienissen ontoereikend.
Leering is niet voldoende; bekeering moet intreden.
Ontwikkeling baat niet; wedergeboorte is voorwaarde.
En zoo moet de Heilige God Zich niet slechts een Leeraar, maar tevens een Verlosser betoonen.
Aangaande de verhouding van mensch en God leert de moderne dus, dat de van nature goede mensch in den weg van ontwikkeling en groei in een natuurlijke of normale verhouding staat tot God. De mensch is goed en leeft alzoo uit zichzelf Gode, al naardat de omstandigheden, de leiding, de sfeer voor den mensch goed is.
De rechtzinnige leert, dat de goede verhouding tusschen God en den mensch en wederkeerig een bovennatuu'riijke genadegave Gods is, wonder-heerlijke vrucht des Geestes, in den weg van verzoening en verlossing.
Dat zegt ons, dat de moderne noodzakelijk in Jezus ook een van nature goed zijnde mensch moet zien en hem als een zoon des menschen gaarne een voorbeeld noemt, een leeraar, een buitengewoon opvoeder der menschheid, in wien Gods geest bizonder gewerkt heeft.
De van nature goede mensch heeft geen Verlosser noodig, wel een Leeraar.
Jezus is dan ook geen Verlosser, hij is Leeraar.
Men denkt van Jezus, wat men van God en den mensch denkt.
De goede, de van nature goede mensch en God — en als leidsman, als leeraar, als mede-opvoeder Jezus.
Zooals de natuur van den mensch is, zoo is de heilsbemoeienis Gods.
Voor den moderne is God helpend en leerend, bizonder in Jezus den mensch gevend leering tot ontwikkeling en volmaking.
Voor den rechtzinnige is de mensch een zondaar, een schuldige, een verlorene, die ligt midden in den dood, onbekwaam tot eenig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. En dan is God de Heilige, de Genadige ook, Die alzóó de wereld lief heeft, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon geeft, om door den Heiligen Geest zondaren van dood levend te maken, te bekeeren en te maken tot nieuw-geboren kinderen, die in Jezus Christus den schuldovernemenden Borg en Middelaar mogen kennen en alzoo door Zijn bloed een volkomen verzoening van alle zonden uit genade deelachtig te mogen wezen.
De moderne vindt in den Jezus-figuur den geest Gods.
Dat Christus-beginsel vindt de moderne ook in iederen mensch. Christus en de mensch, de mensch en Christus staan als van dezelfde natuur, van den zelfden geest zijnde, naast elkaar.
Christus is een edel mensch; mensch uit mensch, uit mensch geboren. En de menschen doen goed naar Hem te luisteren en Hem na te volgen.
Hoe geheel anders leert de Schrift! Hier ligt een onverzoenlijke tegenstelling, een onoverbrugbare scheiding. Dit alles is zóó principieel anders, dat het niet bij elkander hoort. De mensch — God — Christus: alles is zóó geheel anders, dat het is als licht en duisternis, als vuur en water. Waar 't een is, kan het andere niet zijn.
De moderne geloofsbelijdenis
In aansluiting aan bovenstaande twee artikelen laten we hier volgen de moderne geloofsbelijdenis, indertijd opgesteld, geformuleerd, voorgedragen en aangeprezen door dr. C. J. Niemeijer, destijds de voorzitter van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden en hoofdredacteur van het Weekblad voor Vrijzinnig Hervormden.
De moderne geloofsbelijdenis luidt:
Ik geloof in God, den almachtigen, oneindigen, alomtegenwoordigen Geest, die het al doordringt en omvat, en alles ordent, in stand houdt en bestuurt door Zijn heiligen wil; den Vader die elke menschenziel liefheeft, en door vreugde en smart, door strijd en --- haar vormen wil, om te bereiken haar bestemming van reinheid en zaligheid.
Ik ge1oof in den adel der aan God verwante menschenziel, ondanks de zondemaoht, die iederen mensch bedreigt met verderf, hem lijden doet en hem van zijn heerlijkheid ontrooft. Ik zie in Jezus Christus den mensch, het Kind, den Zoon Gods bij uitnemendheid naar wiens voorbeeld ieder zich vormen moet, maar zich ook vormen kan, omdat hij met Gods hulp en in Zijn kracht in staat is, de zonde te overwinnen en zijn aanleg als kind van God te ontwikkelen.
Ik geloof in het Koninkrijk GoGs, in de onverwinbare kracht van Gods heiligen geest, die bezielend, louterend en vernieuwend op de menscheid inwerkt en haar allengs nader zal brengen tot de heerschappij van waarheid en vrede, vroomheid en liefde.
Ik geloof in eeuwig leven, in bewust voortbestaan na den dood van het lichaam, een voortbestaan, waarin de menschelijke ziel de gevolgen zal ondervinden van hetgeen zij deed in het aartsche leven, maar blijven zal onder hoede van des Vaders eeuwige ontfermende liefde, en gelegenheid zal hebben haar aanleg volkomen te ontplooien en haar bestemming te bereiken".
Men ziet èn aangaande God èn wat betreft den mensch, wat aangaat Jezus Christus èn wat betreft het eeuwige leven, is de geloofsbelijdenis van den moderne principiëel verschillend met de leer van Ned. Ned. Herv. (Geref.) Kerk.
En als het in deze dingen zóó principiëel met elkander verschilt, dan verschilt het principiëel in alles.
Geen drieëenig Goddelijk Wezen: Vader, Zoon en Heilige Geest.
Geen Heiland, de aan de vaderen beloofde, Die in de volheid des tijds, zijnde Gods Zoon, door de ontvangenis des Heiligen Geestes uit de maagd Maria werd geboren
Geen val en erfzonde.
Geen verzoening en verlossing door het geloof in Christus, Wiens bloed reinigt van alle zonden.
Geen hemel en hel; geen opstanding des vleesches; slechts een voortbestaan van de menschelijke ziel met de wet van oorzaak en gevolg, met gelegenheid om zich naar haar aanleg te ontplooien en haar bestemming(??) te bereiken.
Is dat Christelijk; óf is het Boeddlistisch?
Is het theïstisch of pantheïstisch? Bijbelsch is het in elk geval niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's