KERKELIJKE RONDSCHOUW
Het Glazen kastje.
De N.R. Crt. heeft onbedaarlijk gelachen; en heeft lust om eens heerlijk te spotten. Dat gebeurt meer. Maar nu willen we er even iets van zeggen. Doch — laat ons voorzichtig en laat ons eerlijk zijn. Want het artikel, dat we op 't oog hebben, gesierd met bovenstaand opschrift, is niet van de N.R. Cour. Men mag er dus de redactie niet voor aansprakelijk stellen. Want er staat duidelijk boven: Men schrijft ons. „Men", de groote onbekende (of is 't een kleine onbekende) is hier dus aan 't woord.
Maar als de deftige N.R. Cour. zulke artikelen van „Men" opneemt én ze plaatst in hare kolommen van het Zondag-Ochtendblad, dan mag men toch eigenlijk ook weer wél spreken van „een artikel van de N.R. Cour." Eigenlijk moet het zijn „een artikel in de N.R. Cour.", maar feitelijk wordt het ,,een artikel van de N.R.Cour."
En nu het artikel zelf.
In Arnhem schijnt een Evagelisatie Vereeniging plannen te hebben — of gehad te hebben — om aan Burgemeester en Wethouders toestemming te verzoeken, tot het plaatsen van een kastje, met glas er voor, in de tramhuisjes of in één van de tramhuisjes, om dan in dat kastje een opengeslagen Bijbel te leggen. Waarom? Wel, dan kunnen de menschen die wachten moeten op de tram, het oogenblik dat ze in het tramhuisje staan, gebruiken om een oog te slaan in den Bijbel en een paar verzen uit de H. Schrift te lezen. Natuurlijk moet er dan iemand zijn, die den Bijbel elken morgen open legt of althans elken dag een ander gedeelte van den Bijbel openlegt; vandaag b.v. Ps. 42, morgen Jes. 11, overmorgen Matth. 5, dan weer Joh. 16, vervolgens Rom. 8, dan weer 1 Cor. 13, dan weer Gal. 2, enz. enz. Een stuk eenvoudig, stil Evangelisatiewerk dus. Een opengeslagen Bijbel, die stil spreekt; die zich niet brutaal reclameachtig opdringt, maar die stil daar ligt. Ieder kan voorbij gaan, ieder kan lezen, net precies zooals ieder wil.
En nu de N.R. Cour. Of liever „Men" in de N.R. Cour.
't Artikel begint met te zeggen, dat deze Arnhemsche methode van evangeliseeren — of er iets van komt of niet, doet er niet toe — „als vaderlandsch zedenbeeld anno 1926 voor toekomstige geslachten archivarische beteekenis heeft: De Bijbel in het tramhuisje!"
Wat is het „zedenbeeld" van onzen tijd, van ons tegenwoordig geslacht? Is er oorzaak voor, om ons tegenwoordig geslacht te benaderen en den Bijbel voor te leggen? Maken de zeden en gewoonten van onzen tijd dat noodig? Of heeft ons tegenwoordig geslacht kennis van den Bijbel genoeg en is het leven zóó, dat men niet naar den Bijbel behoeft te verwijzen nu?
De N.R. Cour. heeft zich deze dingen, ook afgevraagd, en het antwoord is dadelijk: „Ontegenzeggelijk wreekt zich het tekort aan Bijbelkennis bij de tegenwoordige jeugd. Zonder dat men op de hoogte is van den inhoud van dit klassieke boek, kan men onmogelijk cultuurhistorie of kunstgeschiedenis begrijpen. Wie zal Vondel of Rembrandt of Bach verstaan zonder Bijbelkennis! Dr. N. Singels heeft jaren geleden op deze leemte reeds in een geruchtmakend vlugschrift gewezen. Gebeurde 't ons kort geleden nog niet, dat een overigens hoogst ontwikkelde jonge dame in een gezelschap sprak van de gelijkenis van 't verloren kalf, en door niemand op de vingers werd getikt?"
Dat is dus niet een zoo héél mooi zedenbeeld anno 1926, wat de Bijibelkennis betreft. En ja, men staat verstomd, als men bemerkt, dat men absoluut niet weet wie Noach is, wie Biliam was, wat Golgotha is, wat Gethsemané beteekent, enz. Heel kalm vraagt een jongen van de H.B.S. wat toch beteekent 1 Cor 1 gedeeld door 13, als hij ergens ziet staan 1 Cor. 1: 13.
„Men" in de N.R.Cour. is dan zoo vriehdelijk om te schrijven:
„Op zichzelf zou het dus alleszins aanbeveling verdienen, zoo de overheid in het land van Rembrandt haar steun verleende, om den inhoud van den Bijbel als cultuurhistorisch gegeven meer bekend te maken. De school begint zich reeds met deze materie te bemoeien. Naar ons ter oore kwam, zal op een neutrale instelling voor middelbaar onderwijs binnenkort een proef worden genomen, om den inhoud van de klassieke verhalen der menschheid, inzonderheid die van den Bijbel, als onderdeel van het geschiedenis-en taalonderricht te doceeren".
Hier moeten we even rusten, om althans iets te kunnen genieten van de mooie dingen, hier door „Men" in de N.R. Cour. gepubliceerd. 't Zou niet kwaad zijn in het land van Rembrandt den inhoud van den Bijbel als „ cultuurhistorisch gegeven'' meer bekend te maken. En de proef zal worden genomen, om bij geschiedenis-en taalonderricht bij en tusschen de klassieke verhalen der menschheid ook wat klassieke verhalen uit den Bijbel te behandelen!
Zóó ver zijn we dus anno 1926 reeds, dat volgens de N.R. Cour. de Bijbel als „cultuurhistorisch gegeven" in het land van Rembrandt wel wat meer gebruikt kon worden, en dat het wel eens kan worden geprobeerd op een „neutrale instelling van middelbaar onderwijis" om tusscben geschiedenisonderwijs door en bij taalonderricht, naast „.de klassieke verhalen der menschheid ook enkele klassieke verhalen uit den Bijbel te vertellen. Intusschen is „Men" er niet zeker van, of de proef op school wel gelukken zal!
Dan gaat het artikel in de N; R. Cour. weer verder met „den Bijbel in het glazen kaste in het tramhuisje te Arnhem"; en dan begint het pas! ,,Hebben" — zoo vraagt „Men", en het antwoord zit er tegelijk in — „hebben de ontwerpers van de Arnhemsche methode aan een dergelijke proef — in ons sectarisch vaderland — gedacht, toen zij hun plannetje opwierpen? Wat zou er tegen zijn, als men op de tram wacht, zich den kostbaren tijd ten nutte te maken met eenige lectuur? Men zou zich niet tot den Bijbel behoeven te bepalen. Het is een toevallige bijkomstigheid, dat de eerste aanbieder van het geschenk aan het tramhuisje een Bijbel offreerde. Een tweede zal misschien met een bundel gedichten komen; een derde, met een nieuwen roman van Querido, een vierde met de effectenlijst. Als men de conducteurs, die door den eenmans-wagen en andere bezuinigingsmaatregelen op wachtgeld gekomen zijin, tot bibliothecaris aanstelt, zal het tramhuisje straks de waobtkamer van den tandarts in geriefelijkheid overtreffen. Trouwens, waarom legt men op het belastingkantoor of in de getuigenkamer van het gerechtsgebouw geen lectuur ter lezing?"
Dit alles is natuurlijk bizonder aardig en bizonder vriendelijk gezegd. Zoo als de N.R. Cour. altijd bizonder aardig en bizonder vriendelijik is tegenover de christelijke actie op elk terrein des levens. Zóó aardig vindt de N.R. Cour. nu evenwel zichzelf, dat de schrijver niet kan ophouden en nog een heel poosje doorpraat. Juist omdat het zoo aandiig en zoo vriendelijk is tegenover „de christelijken".
,,Wie aldus spreekt" — zegt „Men" dan verder na z'n eigen gepraat — „wie aldus spreekt, heeft de goedgeefsche leden van de Amhemsche Evangelisatie-vereeniging niet begrepen. De nadruk valt bij hun gulheid niet op den Bijbel, maar op het kastje. Immers vertelt het bericht, dat de Bijbel in het tramhuisje in een glazen kastje zal worden gesloten en dat dagelijks een lid van de Evangelisatie een bepaald Schriftgedeelte voor de wachtende trampassagiers open zal leggen.
Hier blijkt, dat de goedgeefschheid een grens heeft. De Bijbel schijnt een gevaarlijk boek juist in die kringen, die hem het meeste vereeren. Hebben niet pas nog Gereformeerde geloovigen hun angst voor den Bijbel getoond door de verzekering, dat ze, na al het stof, dat de slang opgejaagd heeft, de eerste bladzijde van de Schrift veiligheidshalve maar liever zouden dichtplakken? Wat moet er met dergelijke menschen gebeuren, wanneer toevalligerwijze de evangelist in het tramhuisje die eerste bladzijde open slaat?"
Vindt ge „Men" hier niet bizonder geestig? O! die eerste bladzijden van den Bijbel! Schepping, val. Neen! dat moet dichtgeplakt, 't Is trouwens in de kringen van de N.R. Cour. al lang dichtgeplakt. Dat God de wereld geschapen heeft, is al lang in het vergeetboek daar. En dat de mensch van Gods geslacht is, is al lang vervangen door de geschieidenis van den mensch-aap. En de zondeval — brrrr, welk fatsoenlijk mensch spreekt daar nu nog van. Neen! In die kringen heeft men het heel wat verder gebracht, dan die eerste bladzijde van de H. Schrift. Hoeveel is ook al weer 1 Cor. 1 gedeeld door 13?
„Men" is met z'n artikel nog niet klaar. 't Gaat allemaal nog over „den Bijbel in het glazen kastje".
„Toevalligerwijs zal de evangelist" — zegt „Men" — „échter niets doen. Hij zal met oordeel des onderscheids te werk gaan. Want we weten toch, dat niet alleen iedere ketter zijn letter bezit, maar dat de verschillende schakeeringen en richtingen van het vaderlandsch Christendom ieder hun lievelingsteksten bezitten. De Evangelist in kwestie zal dus die bladzijden uitzoeken, die als bewijsplaats voor de door hem vertegenwoordigde leer door zijn kerkelijke groep zijn geijkt. Maar wijl deze apologetische gedeelten gewoonlijk geen volle bladzijde beslaan en niet zelden om meer tot hun recht te komen, uit het verband moeten worden gelicht, zal hij er waarschijnlijk toe overgaan, de bladzijde gedeeltelijk af te dekken, zoodat het Schriftwoord, dat den trampassagier moet overtuigen, terstond in het oog springt.
Echter is een apologetische Bijbelbladzijde noodwendig tevens polemisch. Terwijl het blootliggende woord sommigen wachtenden uit het hart is gegrepen, zal het anderen ergeren. Een levendige gedachtenwisseling, zooals men die kent uit de straatprediking in de hoofdstad, zal in het tramhuisje zich ontketenen en menig hartstochtelijk theoloog zal in de hitte van den strijd zijn tram voorbij laten gaan. Zelfs dunkt het ons niet onmogelijk, dat een opgewonden debater zich een oogenblik vergeet en het glazen kastje inslaat, om de niet-openliggende bladzijden van het Woord voor zijn tegenbetoog te hulp te roepen".
Hier weer even rusten.
En van ruiten-in-slaan gesproken. Wij weten nog van andere dingen, dan een ruit van één glazen kastje stuk slaan om de wille van een Bijbel. We herinneren ons nog hoe menschen van den Protestantenbond de ruiten ingooiden bij deze en gene, omdat de kermis was afgeschaft, dat wil zeggen, dat de kroegen 's nachts gesloten werden. Toen raakten ze zóó in vervoering, dat ze de deur intrapten, de zonneschermen stuk trokken, keisteenen door de ruiten wierpen en het mes trokken onder het uitbraken van verwenschingen en vreeselijke vloeken.
Zie ook naar de mishandeling van ds Pijnacker Hordijk, anno 1926! Dat is het-modern zedenbeeld — zonder Bijbel — met de gelijkenis van het verloren kalf — met de vraag: hoeveel is 1 Cor. 1 gedeeld door 13?
Nog even gaat ,,Men" verder in de N.R Cour.
„Zij, die niet tot de onmiddellijke geestverwanten van de betrokken Evangelisatie behooren, zullen de leiding van den evangelist-bladwijzer niet willen aanvaarden en voor hun apologetiscben ijver ook hun deel opeischen. De verschillende Kerken zullen zich genoopt zien, naast den jeugd-ouder-ling en zijn confraters, voor bizondere doeleinden een tram-ouderling te benoemen, die elk op de beurt de bladzijde-van-den-dag mogen aanwijzen, De Roomsch Katholieken zullen hun geestelijken adviseur sturen met de Vulgata en de Protestantenbond draagt de commissie voor godsdienstprediking op, een bestuurslid met de Leidsche vertaling naar het tramhuisje te dirigeeren. En de Gemeenteraad zal met interpellaties overstelpt worden betreffend het netelig vraagstuk der evenredige rantsoeneering van de beschikbare dagen. Zoo gaat het, zoolang de Bijbel in een glazen kastje moet liggen, waarvan slechts de gezaghebbende bladwijzer den sleutel bezit".
Wij hebben dit artikel ongeveer in z'n geheel hier opgenomen, om eens te laten s zien, hoe men in de kringen van de N.R. Cour., in doorsnee de deftige kringen van de liberale families, staat, tegenover een voorstel van een Evangelisatie-Vereeniging om een open Bijbel neer te leggen in een tramhuisje, waar ieder, die wil, er even een oog in slaat, om een paar woorden te Iezen; b.v.: „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe". Of ook: „Het is den mensch gezet om te sterven en daarna het oordeel". Men is daar zoo bang, niet voor een gesloten Bijbel, maar voor een open Bijbel, zelfs voor een open Bijbel in een glazen kastje. Dat typeert.
Daarom eischte men ook van Groen van Prinsterer, dat hij z'n christelijke beginselen bij zich zou houden. Dat men een stille partij zou zijn. Daarom is men ook zoo bang voor den Bijbel op school.
Pas bleek het nog weer in de Gemeenteraadsvergadering te Middelburg; Daar ging het over de uitvoering van de L.O.-wet 1920 en gelden beschikbaar te stellen voor leermiddelen en schoolbeboeftan voor de op 1 November te openen school. En toen maakten — zoo lezen we in de N.R. Cour. — twee leden van de commissie van financiën de opmerking, dat h.i. geen gelden mogen worden verstrekt voor Bijbelsche- en Kerkgeschiedenis, daar art. 2 der L.O.wet deze vakken niet kent. Een christelijke school zou dus wel erkend zijn voor de wet als ze zonder de geestelijke vakken als Bijbelsche-en Kerkgeschiedenis was ingericht!
Maar Burg. en Weth. wezen er o.a. op, dat de minister reeds in 1922 in een dergelijk geschil beslist heeft, dat de uitgaven voor het godsdienstonderwijs dienen te worden vergoed, indien het onderwijs deel uitmaakt van het wettelijk vastgestelde leerplan, wat in Middelburg natuurlijk het geval is. Zoo mag dus — volgens velen — een christelijke school maar nauwelijks een school met den Bijbel zijn. Wat zal dan niet een heerlijke toestand geboren worden als de mannen van de H.G.S. (Herv. Geref. Staatspartij) eens hun ideaal hebben bereikt: de Openbare School met den Bijbel. Hoe ze dan op die school met den Bijbel sjouwen zullen, blijkt wel uit het artikel van „Men" in de N.R. Cour. Misschien als een cultuur-historisch-verscbijnsel; misschien een of andere klassieke geschiedenis er uit vertellen; maar de éérste bladzijden toegeplakt; en de laatste bladzijden; en de middelste bladzijden. Of — als „Men" dan gaat vertellen uit den Bijbel of uit den Bijbel gaat voorlezen; nu — dan houden wij ons hart vast, want de spot-en de grijnslach zal niet ontbreken bij velen en velen zullen er niet toe kunnen komen den Bijbel als Gods Woord te eeren.
De Bijbel — Gods Woord— 't zou wat....
Negatie — spot — hoon.
De Bijbel moet doodgezwegen of weggestopt.
Wat moet men er anders mee doen?
Men kan hem toch niet serieus nemen?
En daarom óók niet den Bijbel in het glazen kastje!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's