MEDITATIE
Om de bres toe te muren
„Ik zocht nu een man uit hen, die den muur mocht toemuren en voor mijn aangezicht in de bres staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven; maar Ik vond niemand." (Ezech. 22 vs. 30). „en gij zult genaamd worden: die de bressen toemuurt ". (Jes. 58 vs 12, ged.).
In het eerste Schriftwoord, dat hierboven staat, laat de Heere zich door Ezechiël voorstellen aan Zijn volk als zoekend naar een man onder hen om den muur toe te muren en voor Zijn aangezicht in de bres te staan voor het land.
De beeldspraak, die hier wordt gebruikt, is ontleend aan de belegering van een stad. Als er een bres in den muur is gekomen, dreigt er groot gevaar, dat de vijand de stad zal binnendringen om de inwoners te dooden en hun bezittingen te plunderen. Een gevaar, dat alleen kan worden afgewend, wanneer enkele kloeke mannen het bestaan om in het gezicht van den vijand den muur toe te muren of, als dit niet meer mogelijk is, in de bres te gaan staan om den aanval der vijanden te keeren.
Zulk een gevaar dreigt er voor Israël. Dit volk was als door een muur van alle zijden omgeven. In de geboden en inzettingen, die de Heere aan het volk des verbonds heeft geschonken, heeft Hij een omtuining gelegd om Zijn wijngaard, waardoor het onderscheiden, maar ook afgescheiden was van de overige volkeren. In de oogen van den profeet Ezechiël is er echter een bres gekomen in dezen muur. Het volk zelf heeft de omtuimng venbroken door te breken met het gebod Gods en den weg Zijner inzettingen te verlaten. In de voorafgaande verzen is de profeet de rijen van het volk in al zijn geledingen langs gegaan en heeft overal afwijking gevonden van den weg des Heeren. Het land is vol van ongerechtigheid. In den breede heeft hij de zonden van het volk uitgemeeten en het schuldregister opgemaakt. En daarmede heeft hij de bres, die Israël met zijn zonden sloeg, aangewezen.
En nu laat de Heere door Ezechiël het volk aanzeggen, dat Hij gereed staat om door die open bres heen te komen en het gericht over Israël te brengen. Israels zonde is oorzaak, dat Israëls Bondsgod Israels vijand is geworden, gereed om het te straffen. Maar nog is de lankmoedigheid des Heeren niet ten einde. Hij toeft nog, want Hij wacht of er iemand is om den muur toe te muren door op te komen voor de eer van Israels God en het volk terug te roepen tot Zijn wegen en aldus de door de zonden geslagen bres in den muur van Gods inzettingen om Israël te herstellen. Hij zoekt naarstig of er iemand gevonden wordt om voor Zijn aangezicht in de bres te staan door met zijn voorbede in te treden voor een schuldig volk, zooals Abraham eens gestaan heeft voor Gods aangezicht om door zijn voorbede Zijn gerichten af te wenden. Maar de Heere vond niemand. Vorsten, profeten, priesters, het „volk des lands", allen zijn zij afgeweken. Wel was er ook in Ezechiëls dagen, als altijd, nog een volk, dat zuchtte bij het zien der gruwelen (9:4). Naar de stem der Godsgetrouwen als Ezechiël werd echter niet meer geluisterd. En als de mate der ongerechtigheid vol is geworden sluit de Heere zelfs den mond van een Jeremia toe, die niet langer meer bidden mag voor een volk, waarvoor niemand meer in de bres kan treden voor Zijn aangezicht om Zijn gerichten te keeren.
En inmiddels wordt de bres steeds grooter. Daarom zal de Heere Zijn gramschap over hen uitgieten en door het vuur Zijner verbolgenheid hen verteren (vers 31). De dag der vergelding staat voor de deur. En zoo bevat deze beeldspraak een gerichtsgedachte over Israël, die de profeet als komende werkelijkheid moet aankondigen.
Gij kunt dit profetisch woord lezen met toepassing op het breede wereldleven, waarin niet gerekend wordt met den Heere en Zijn inzettingen.
Vanaf het oogenblik, dat de zonde tegen God gekozen werd boven de gehoorzaamheid aan Zijn Woord, is de bres geslagen, die dagelijks zich verbreedt. En daarachter staat de Heere gereed om Zijn rechtvaardige gerichten te brengen over een wereld, waarin een volk, dat zucht over de gruwelen, naar den achtergrond wordt gedrongen en de ongerechtigheid tot volkomenheid groeit.
Als gij vervolgens de grens nauwer gaat trekken, denkt gij onwilllekeurig aan ons eigen volksleven. Nog altijd is de gehoorzaamheid aan 's Heeren ordinantiën de veiligste omtuininig voor een volk, die verbroken wordt, zoodra deze gehoorzaamheid wordt opgezegd. Het behoeft geen nader betoog, dat ook onder ons een bres geslagen is, aan wier verbreeding gestadig gearbeid wordt. Al brutaler treedt de zonde aan den dag. Ruwe handen en vernielende krachten zijn rusteloos bezig deze bres te vergrooten. En de Kerk, in het volksleven geplant om den muur toe te muren, heeft zelf zooveel bressen om toe te muren.
Tenslotte komt gij bij uzelf terecht. Wij hebben er ons voortdurend rekenschap van te geven, dat wij allen van nature dienstknechten der zonde zijn. En wanneer wij naar den aard van onze verdorven natuur de zonde dienen en het gebod Gods met voeten treden, zijn wij bezig een bres te slaan in ons eigen leven, waardoor de Heere dreigt binnen te komen met rechtvaardige gerichten. Want wie de zonde te vriend heeft, maakt den Heere tot zijn vijand. En zoolang wij voortgaan op dezen weg, dagen wij den Heere uit om door de steeds wijder wordende bres Zijn gramschap over ons uit te gieten en ons te verteren door het vuur Zijner verbolgenheid.
Zoo zijn er bressen. In het volksleven. In het kerkelijk leven. In ons persoonlijk leven. Wordt er iemand gevonden, die bekwaam is den muur toe te muren én voor Gods aangezicht in de bres te gaan staan? Is er iemand, die zichzelf en anderen behouden kan van den rechtmatigen toorn des Heeren?
De wereld verwacht van hare edelen en machtige, dat zij de bres zien toemuren. Ook in de kringen, waarin men niet leeft bij het Woord Gods, maar toch ernst wil maken met het leven, worden de bressen wel opgemerkt. Wie zou ook niet huiveren bij de ongerechtigheid en gruwelen die geschieden? Maar de mensch buiten God zoekt overal en bij iedereen herstel, om telkens inplaats van vervulling teleurstelling te vinden. En als nieuwe teleurstelling nieuwe verwachting doet ontwaken, wordt de hoopvolle blik weer elders henen gewend om te zoeken naar een uit hen, die de bres kan toemuren.
Als echter de Heere zoekt, en zoekt, zooals Hij alleen zoeken kan, met scherpziend oog en onafwijkbaren toets, vindt Hij niemand, die bekwaam is om den muur toe te muren en in de bres te staan voor Zijn aangezicht om Zijn gerichten af te wenden. Dit is de troostelooze, en, van 's menschen zijde hopelooze werkelijkheid, die ons bij het woord van Ezechiël met diepen ernst voor oogen moet staan. En door Gods genade is er een verslagen volk, dat de bressen ziet, allereerst en allermeest in eigen leven, en daarachter de Heere met Zijn rechtvaardig gericht, maar nu ook een bressen-toemuurder zoekt, doch niemand vindt om de groote bres der zonde toe te muren en het gericht des Heeren af te wenden. Zelf kunnen zij de bres slechts wijder maken en het gericht rechtvaardiger. Wie zal dan bovendien zijn naaste verlossen om hem in het leven te behouden? Wie kan voor Gods aangezicht in de bres gaan staan voor een volk, dat de bres verwijdt? Als een oordeel moet het woord des Heeren door ons gelezen worden: „maar Ik vond niemand".
Hoe is het dan mogelijk, dat Jesaja in de profetie, die hierboven onder het woord van Ezechiël is afgedrukt, nog spreken kan van een volk, dat de bressen toemuurt en er zelfs zijn eerenaam aan ontleent?
Jesaja's profetie reikt hier verder dan die van Ezechiël. Ezechiël wijst de bres aan door het zonde-leven van zijn tijd te teekenen en profeteert, dat de Heere , zal komen om in de ballingschap te richten over een zondig volk. Maar Jesaja mag verder schouwen in de toekomst van zijn volk. Zijn profetie verplaatst ons in den tijd, waarin de verwoeste plaatsen in het Joodsche land getuigenis afleggen, dat de Heere door de bres is henengekomen en daarom schouwplaatsen zijn van het door Ezechiël aangekondigde Godsgericht. Maar daarbij mag hij profeteeren van een volk, waarover de gerichten des Heeren zijn gegaan, dat echter, door het gericht gelouterd en van zonden gereinigd, bereid is om des Heeren wegen te bewandelen en zich opmaakt om de oude verwoeste plaatsen te bouwen, en de fundamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, op te richten, waarom het genoemd zal worden: „Die de bressen toemuurt". Het zal de bouwvallen herstellen, die in den grond der zaak niet anders vertegenwoordigen dan de droevige gevolgen van de eens gemaakte bres.
Dit wordt nu gezegd van hetzelfde volk, dat de bres slechts vergrooten kon. Ook Jesaia richt het woord tot een bressenmakend volk. En ook hij bedekt de breuke Zions niet. Maar daarnaast mag hij van zegen profeteeren, wanneer eens een door het gericht der ballingschap gelouterd volk de knoopen der ongerechtigheid heeft losgemaakt. Wat hier van het nageslacht wordt gezegd, omvat als het ware het gansche volk. En zoo formeert dan de Heere van een bressenmakend een bressentoemurend volk.
Nu hebben wij dit allereerst te verstaan in letterlijken zin, zooals deze profetie ook letterlijk is vervuld na Israels terugkeer uit de ballingschap. Met eenen letterlijken zin is de belofte echter niet uitgeput (vgl. Jes. 61 vers 4 in het verband). Jesaja mag van een bressentoemurend volk spreken, als hij de gestalte van den Knecht des Heeren heeft geteekend. En van dit gezichtspunt uit gaan wij onwillekeurig zoowel het woord van Jesaja als dat van Ezechiël lezen vanuit de Nieuw-Testamentisohe bedeeling, waarop zoo menigmiaal de profeten hebben vooruitgegrepen.
Als de Heere zoekt, is er niemand op de gansche aarde om den muur toe te muren en in de bres te staan om Zijn gerichten over een zondige wereld en een zondigen mensch af te wenden. Daarnaar zoekt de Heere tevergeefs onder eén volk, dat de bres vergroot. Maar Gods volk zoekt niet tevergeefs. Wat de Heere niet vond, heeft Hij geschonken. Niét „uit hen", maar uit Hem is de Borg, Die de toren der zonde heeft toegemuurd; de sterke Held, Die der zonde macht weerstond; de Voorbidder, Die voor een schuldig volk voor Gods aangezicht kan staan. En in Hem is er een gelouterd en beproefd, een gereinigd en gerechtvaardigd volk. Een volk, dat in Zijne kracht zich opmaakt om zich te stellen tegen de verwoestende machten der zonde en op te komen voor de ordinantiën des Heeren. Een gewillig volk, om de door de zonde verwoeste plaatsen te bouwen, de fundamenten der heilige beginselen van Gods Woord op te richten. Een volk, dat bidt om anderer behoud. Kortom, een bressentoemurend volk.
Wat doen wij nu? De bres vergrooten of staan in de bres? Zijn wij bezig aangegord met 's Heeren kracht, den muur toe te muren of maken wij door ons zonde-leven de bres dagelijks grooter? Als dit laatste van ons mocht gelden, dan staat de Heere gereed met Zijn gerichten achter de geopende bres. En Hij zal binnenkomen, zooals Hij eens tot Israël gekomen is. Hij zal komen tot de wereld. Maar nóg toeft Hij, totdat de mate harer ongerechtigheid vol is en de bres onherstelbaar zal blijken. Eéns komt de tijd, waarop ook de uitverkorenen des Heeren niet langer met hun gebed kunnen intreden om het oordeel te keeren en het gebrek aan een bressentoemurend volk voorteeken zal wezen van het gericht. Hij zal komen tot een ieder, die, als Israël weleer, Zijne waarschuwingen in den wind heeft geslagen. Eens komt de ure voor die allen, waarin geen gebeden gericht in genade kunnen verkeeren.
Maar, zoolang het „heden der genade" voor u is, toeft Hij nog en zoekt of er iemand is, die achter den grooten Bressentoemuurder wil wegschuiven voor den dag des gerichts en tot een bressentoemurend volk wil behooren. Hij wil nog sparen en niet verderven. Zijne lankmotedigheid is groot, maar niet eindeloos. Zoek Hem dan, terwijl Hij te vinden is.
En wilt gij de heerlijkheid kennen van dat volk, dat uit genade den eerenaam draagt: „Die de bressen toemuurt", dan vindt gij die door Jesaja beschreven. Hun licht is voortgebroken als de dageraad, hun genezing is snellijk uitgesproten; gerechtigheid gaat voor hun aangezicht henen en de heerlijkheid des Heeren is hun achtertocht (vers 8).
Ja, zulk een volk, dat geleid wordt door genadelicht en gesterkt wordt door genezende genadekracht, zal omgeven door de heerlijkheid des Heeren, wandelen op wegen van gerechtigheid om te zijn een bressentoemurend volk.
Hgv. M.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's