De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

Wat is modern?
»Kerk en Volk«, het Algemeen Weekblad voor Vrijz. Hervormden, geeft een klein stukje waarin nog eens onderstreept wordt wat „.modern" is. Omdat modernen 't hier zelf onderstrepen, memoreeren we het bier.  Vrijzinnige-Christenen zijn menschen „voor wie de Bijbel niet het „Woord Gods" is, maar een boek, door godsdienstige menschen van vroeger geschreven en waaruit de vrijzinnige neemt, wat met zijn gedachten overeenstemt".  De Vrijzinnige-Christen „verwerpt uit den Bijbel al wat bovennatuurlijk en wonderlijk is: de bovennatuurlijke geboorte, de lichamelijke opstanding en hemelvaart van Jezus; en de Vrijzinnige-Christen behoudt uit den Bijbel alleen „datgene, waarin een vroom godsdienstig gevoel zich uitspreekt". De Vrijzinnige-Christen antwoordt aan den orthodoxe, dat, wat de rechtzinnige aanziet voor "geopenbaard Christendom", d.i. Bijbelsch Christendom, niets anders is dan „de vrucht van de godgeleerdheid uit den tijd na Christus en veel later". De Vrijzinnige-Cbristen zegt dan: „wij weigeren de heerlijke prediking van den Christus over den barmhartigen God prijs te geven voor theologische systemen, die ontstonden onder de nawerking van Joodsche offerbegrippen en een farizeesch Godsbegrip". (Prof. Eerdmans). De Vrijzinnige Hervormde zegt: „dat z.g.n. geopenbaarde Christendom is resultaat van allerlei bespiegelingen en heeft absoluut niets te maken, met wat Jezus zou hebben gepredikt (bergrede, gelijkenissen, bij ontmoetingen, enz.).
De orthodoxe begrippen aangaande God, Jezus, Bijbel, Kerk, eeuwigheid., enz., zijn absoluut verkeerd. Men wil alleen „wat Jezus heeft gepredikt". En daar hoort  n i e t  bij Zijn wonderbare geboorte, Zijn opstanding, Zijn hemelvaart. Heel Zijn lijden en sterven, met de verzoenende kracht van Zijn bloed is een „Joodsch offenbegrip" en een „farizeesch Godsbegrip". Zoo gaat alles over boord. En dan blijft een eigengemaakte godsdienst, waarbij het zalig worden uit genade door des Middelaars bloed een verwerpelijk „theologisch systeem" is. Weg met den Bijlbel dus. Met den Bijbel, dien wij eeren als het Woord Gods; het pand ons toebetrouwd, om het te bewaren, te verdedigen ook, tot op den jongsten dag.
Wat is Protestant?
Het is weer 31 October geweest; Her­vormingsdag Niet dat 31 October de dag nu juist is ; ook niet dat Luther de éénige is. Maar het is nu eenmaal een goede gewoonte onder ons 31 October niet geheel ongemerkt voorbij te laten gaan. „In gedachtenis houden" is wel goed in onzen ijd. We zijn wat vergeetachtig. En daarom moeten de ouders maar vertellen en de kinderen moeten maar luisteren, want het gaat over hetgeen God gedaan heeft, waar van Hij wil dat de gedachtenis onder ons bewaard zal blijven.
Wat is er gebeurd in en door de groote reformatie? Door mannen als Luther, Zwingli, Calvijn? Het Evangelie is toen ontdekt. Ja, ontdekt. Het  w a s  er wel, maar onder een deksel. Een licht onder een domper. En toen is in de 16de eeuw dat Evangelie weer ontdekt. Het deksel is er afgenomen. De domper is weggenomen. En toen lag het Evangelie weer ont-dekt; open; vrij. Het licht straalde weer uit, her-en derwaarts en wierp het schijnsel overal heen, tot diep in de ziel en over al de weg.
Het Evangelie is teruggevonden. Rome had het ontmanteld. Er was door Rome een deksel op gelegd. Het was er niet meer, dan schier onkenbaar en onbruikbaar. Het Christendom was verbasterd, bedorven, smakeloos. De ziel des zondaars kon er niet bij leven. De vreugd des levens werd er niet door gebracht. Donkerheid, duisternis overal. Leugen, dwaling. En langs dien langen, donkeren weg van leugen en dwaling werden de zielen voortgejaagd, voortgezweept, om zuchtend te leven en donker te sterven. Het eenig vermaak en de eenige vrede was het genot dat men smaakte bij menschelijke woorden en kerkelijke plechtigheden. Maar dat was ijdel geklap en bedriegelijk leggen van een valsch fundament.
Menschelijke leeringen waren in de plaats gekomen van Gods Woord. En toen ontdekte de Heere aan Luther de heerijkheid van het Evangelie des Kruises met het geloof in Jezus Christus. Toen viel de paus weg, de Kerk, de aflaat. Toen trad Christus naar voren, Gods Woord, Gods genade. Een nieuwe toestand was geboren. Dat had de Geest Gods gedaan. Die raakte de harten aan, die deed hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Die predikte Christus. Die kwam leiden in alle waarheid. Die bracht het Woord Gods weer te voorschijn, van onder het stof vandaan gebracht en losgemaakt uit de boeien, waarmee men het had vastgesnoerd en dichtgebonden. Het Woord kwam weer vrij.
En duizenden bij duizenden, door Gods Geest wedergeboren en uit de duisternis gebracht tot Gods wonderbaar licht, ademden weer vrij en spraken weer vrij en verkondigden niets anders dan Gods Waarheid, die naar Gods Woord is. 't Was Pinksterfeest geweest. De Heilige Geest was bij vernieuwing met kracht werkzaam en kwam leiden in de Waarheid die naar Gods Woord is.

Als Luther dan ook op den Rijksdag te Worms verschijnt op den 17den April 1521, waar ook de jonge Keizer Karel V met alle Duitsche prinsen, pauselijke gezanten, geestelijke en wereldlijke waardigheidsbekleeders vereenigd waren, dan antwoordt hij ten slotte, dat hij bereid is te herroepen wat hij geleerd, gepredikt, geschreven heeft op deze voorwaarde, dat men uit den Bijbel, dat men uit Gods Woord aantoont en bewijst, dat hij verkeerd geleerd, gepredikt en geschreven heeft.
Want hij is in zijn ziel overtuigd, dat hij geleerd, geschreven en gepredikt heeft, wat de Heilige Geest hem had leeren lezen in dien gevonden, in dien ontbonden, in dien voor hem nieuwen B ij b e 1; en dat vastelijk geloovende, zou hij dat blijven vasthouden, — tenzij men hem uit den Bijbel het tegendeel bewees — want „het is den mensch niet geraden iets tegen het geweten te doen".
In z'n ziel, in z'n geweten was hij overtuigd, dat de Roomsche Kerk leugen leerde en dat Gods Woord, de Bijbel, de Waarheid was. En zóó staande met den Bijbel, zóó staande met de hand op 't hart zeide Luther: „Het is niet veilig noch geraden iets tegen het geweten te doen". „Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij. Amen". Door den Heiligen Geest gebonden aan Gods Woord, was Luther niet vrij meer. Zijn geweten zei hem dat. Gods Woord was hem te machtig geworden. Het had hem gegrepen in zijn ziel. Nu  m o e s t  hij spreken. En wat hij sprak, was niet de wijsheid van Maarten Luther; neen! wat hij sprak was Gods Woord en Gods Woord alleen.
Dat is de wedergeboorte van het Christendom.
Dat is de weder-ontdekking van het Evangelie.
Dat is de re-formatie der Kerk geworden.
Nu schuift Rome daar telkens tusschan en zegt: laat de Kerk, laat de priester spreken. Maar wij zeggen: neen! we zijn niet Roomsch, we zijn Gereformeerd. En tot ons moet Gods Woord spreken. In ons moet de Heilige Geest de Waarheid, Gods doen leven. En door Gods Geest, door Gods Woord wordt het volk geleerd en geleid. Gods Geest en Gods Woord zijn de schatten der ware Kerk.
En dan komen de vrijzinnigen daartusschen en zeggen: laten wij u nu eens vertellen wat Gods woord is. Dat is niet die Bijbel. Dat is maar een Joodsch-heidens-christelijk mengelmoes van allerlei theologische begrippen. En ze durven het aan, om aan Christus' zielendood te raken, om Zijn opstanding te loochenen, om Zijn hemelvaart te ontkennen. En ze maken een eigen weg voor den mensch om zalig te worden, een menschelijken weg, waarvan het opperste in den hemel reikt. Maar wij zeggen: neen! wij willen niet vrijzinnig zijn en we laten het hart niet uitsnijden uit het Evangelie des Kruises; we laten ons den Bijlbel niet rooven, we laten ons Christus, den Christus der Schriften, niet rooven; we laten ons de Kerk niet rooven. Verleiders, misleiders zijn het, inplaats van leiders die te vertrouwen zijn.
Dat is het Protestantisme, wat ons den Bijbel, Gods Woord teruggebracht heeft; het Woord van God, dat de eeuwen verduurt; het Woord van God, dat eeuwig zeker is. Dat Woord, dat levende Woord, dat Woord Gods zullen wij dan ook levend moeten kennen en kennend dat Woord, zullen wij het moeten beleven en uitleven. Het is niet raadzaam iets anders te doen, iets anders te leeren, iets anders te verdedigen, iets anders te verbreiden. Onze Hervormde Kerk moet bij en uit dat Woord leven. Dan alleen is 't een Protestantsche Kerk.
Want de Protestant weet alleen maar van die Waarheid Gods en laat die Waarheid, die Bijbelsche Waarheid, niet verdringen door allerlei leeringen van menschen. Daarom mag onze Hervormde Kerk geen Kerk van meervoudige waarheid zijn. Er is maar één Waarheid, Gods Waarheid. En God heeft ons Zijn Woord gegeven. De Heere heeft ons Zijnen Heiligen Geest gegeven om ons in die Waarheid, die Schriftuurlijke Waarheid, te leiden.
Geen Kerk van meer-voudige waarheid. Geen ja-en-neen-Kerk.
Geen Koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is.
En Kerkrechtelijk geen „open" Kerk. 't Moet een Kerk zijn met een belijdenis, met geestelijike gemeensehap; één lichaam, één geloof, één Heere en Koning. Zoo moet onze Hervormde Kerk zich-zelf zijn, met eigen karakter, eigen belijdenis, eigen levensvorm en levensorde: naar Gods Woord. Alles omdat zij Christus' Kerk moet zijn. Met Christus' Woord. Met Christus' Geest. Door dien Christus aan den Vader opgedragen in den gebede: „Vader, bewaar ze; bewaar ze midden in de wereld bij Uw Waarheid; Uw Woord is de Waarheid".
Die er iets anders voor in de plaats schuift, breekt af, sloopt, verwoest, vernielt.
Die een ander fundament , legt raakt Gods werk aan.
En die Gods werk aanraakt zal door Hem verworpen worden.
Daarom moeten allen, die anders leeren dan Gods Woord, ook door de Kerk verworpen worden; om de wille van Gods eer, daar men Hem in Zijn Waarheid niet mag laten beleedigen; om de wille van den welstand der Kerk, daar zij niet mag hinken op twee gedachten en onderling verdeeld en verscheurd niet kan groeien en bloeien; om de wille van der menschen zaligheid, daar de zielen door leugen en dwaling worden misleid ten verderve.
Daarom, welgelukzalig de Kerk, die leven mag door den Heiligen Geest uit en bij en voor de Waarheid Gods en die beproeft degenen, die voorgeven dat ze apostelen zijn en ze zijn het niet (Openb. 2 vers 2).
Niet „ellk wat wils".
Maar zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, wandelend in de vreeze des Heeren naar Zijn Woord, kennende Jezus Christus als overste Leidsman en Voleinder des geloofs.

Kale drukte.
De N.R. Courant gaf een afzonderlijk artikel naar aanleiding van het feit, dat de moderne Herv. predikant van Rijswijk (Z.-H.), ds. Post, Zondagavond een vacaturebeurt zou vervullen te Scheveningen. Dat was in de laatste halve eeuw niet gebeurd: een vrijzinnig predikant op den kansel in de residentie (Scheveningen werd ineens met Den Haag verwisseld, hoewel het kerkelijk gescheiden is en niemand als hij in Scheveningen loopt, zegt : ik wandel hier in Den Haag! Maar een beetje humbug meer in zoo'n gelegenheidsartikel maakt geen slecht figuur).
Gelukkig, dat men in Den Haag en in Scheveningen in de Hervormde Kerk zoo verstandig is geen modern predikant te beroepen. Iemand die zóó over den Christus denkt en Zijn verzoenend werk tot zaligheid zóó ontkent en loochent, als de moderne theoloog, die hoort op den kansel in onze Hervormde Kerk niet thuis. Die loochent de opstanding van Christus, loochent zeer zeker geest en hoofdzaak onzer Hervormde belijdenis. Een blinde kan dat zien en een doove kan dat hooren, zóó tastbaar, zóó hoorbaar is het verschil tusschen de moderne leer en de Bijbelsche Waarheid! En naar recht en orde mogen in onze Hervormde Kerk deze twee geheel tegenstrijdige leeringen niet geduld worden. Ieder die de principieel on-Hervormde leer tegenstaat, is in z'n recht. Wel voor Christusbelijders, niet voor Christus-loochenaars is plaats.
Maar nu zou ds. Post van Rijswijk dan toch in Den Haag(!) preeken! Een vrijzinnige op den kansel! De groote trom is geroerd. Zelfs de N.R. Courant heeft het klokketouw getrokken. Reclame is gemaakt, alsof een schaap met vijf pooten te zien was. Eigenlijk klein-gedoe. Zoo iets van den bioscoop of van een theater. Maar 't moest nu eens blijken, dat er in Scheveningen (o neen, pardon, in Den Haag) nog vrijzinnigen waren! De beteekenis van de randgemeenten rondom een groote stad moest schitterend uitkomen (waarbij de logica tamelijk wel zoek is).
En nu schrijft men aan de bladen, dat de beurt is vervuld (een heldenstuk), maar dat de vrijzinnigen uit Scheveningen er niet waren. Die er waren, waren meest uit Den Haag. Opgejaagd van alle kanten. Natuurlijk dat de rechtzinnigen in Scheveningen er niets van moesten hebben. De kerkeraad had dan ook gevraagd, of ds. Post weg wilde blijven en zijn beurt afstaan aan den kerkeraad; dan zou die voor een plaatsvervanger zorg dragen, 't Was dus zoo eerlijk en zoo makkelijk mogelijk gemaakt. .
Maar de vrijzinnige dominiee kwam en toen bleef de rechtzinnige gemeente weg.
Geen der ouderlingen was er.
Toen fungeerde de koster als ouderling van dienst, terwijl de diakenen, na hun werk te hebben verricht, de kerk verlieten.
Wat een kale drukte ligt er in heel deze geste van de vrijzinnigen.
Veel geschreeuw, maar weinig wol.
Het doet goed, als men in dit verband het bericht uit Almelo leest, dat ook juist dezer dagen in de couranten de rondte doet.
Dat bericht luidt :
Vermeerderde kerkelijke belangstelling.
„Tijdens het beheer der Vrijzinnigen in de Ned. Hervormde gemeente te Almelo, bedroeg de opbrengst der zitplaatsenverhuring in de kerk ongeveer ƒ 2300.— per jaar. Thans echter, nu er twee rechtzinnige predikanten zijn, zijn de plaatsen zoodanig in prijs gestegen dat bij de deze week gehouden verpachting het bedrag van ƒ 7000.— werd overschreden".
Dat geeft weer moed! Evenals de berichten uit Boskoop. Gelijk ook het nieuws uit Breda.

Ds. N. Van der Snoek.
Ons mede-bestuurslid en onze mede-redacteur van de Waarheidsvriend, ds. Van der Snoek, van Kralingen, steeds zoo bereidvaardig en altijd tot hulp gereed, is plotseling heel ernstig ziek geworden. Zondag heeft hij nog tweemaal gepreekt in zijn eigen gemeente; Maandag heeft hij z'n werk nog gedaan — maar toen was , hij, die zieken bezocht, eigenlijk zelf al zoowat ziek; en Dinsdag kwam maag-en darm-bloeding, die den toestand heel ernstig maakte, zoodat er 's middags nog consult moest worden gehouden en de dokter vijfmaal dien dag den patiënt bezocht.,
Men kan begrijpen, dat deze dingen ons geweldig hebben geschokt, waar wij elkander zoo heel van nabij kennen en zelf onder den indruk van deze dingen zijnde, denken we voortdurend aan onzen kranken vriend en broeder, en niet minder aan zijn zorgvolle vrouw, die op het onverwachts voor zulke ernstige huiselijke omstandigheden staat.
Gelukkig, dat men mag weten, dat men in deze niet alleen staat, maar dat er open vensteren zijn naar den hemel. De Heere schenke hulp en sterkte; en onze hartelijke bede is, met de bede van velen, dat de Heere dien zoo ijverigen herder en leeraar van Kralingen spoedig weer mag oprichten van zijn krankbed.
Zij 't in hart en huis licht en vrede door de vertroostende nabijheid des Heeren, Die om Christus' wil Zijn trouw betoone en Zijn liefde doe ervaren!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's