Mr. G. GROEN VAN PRINSTERER
9)
Groen van Prinsterer werd gebooren den 21 Augustus 1801. Wat was het een dorrte, doodsche tijd, die eerste helflt der 19de eeuw! Er bestond toen niet de allerminste belangstelling bij de groote menigte in de dingen, die thans zoovele gemoederen dag en nacht bezig houden. Voor niets was men meer bevreesd, dan voor hetgeen men de u i t e r s t e n heette. Men beschouwde gematigde o nverschilligheid, onder den naam van v e r d r a a g z a a m h e i d, als de hoogste deugd. Men geloofde in „God, deugd en onsterfelijkheid"; vond den Bijbel een uitnemend boek; den persoon en de leer van onzen Heere Jezus Christus achte men voorbeeldig; maar men moest niet te diep op de dingen ingaan; men dweepte met een „geloof boven geloofsverdeeldheid"; men stuurde aan op inéenvloeiing van de verschillende Kerkgenootschappen; de scherpe puntjes moesten worden afgestompt; een godsdienst, waarbij sprake was van de Bijbelsche en confessioneele leer van 's menschen val, van zonde en ellende; van verlossing uit genade door het bloed des Kruises; van noodzakelijke wedergeboorte en vernieuwing door den Heiligen Geest, achtte men gevaarlijk en verwerpelijk als geheel verouderd en foutief.
En toch — juist de eerste helft der 19de eeuw is óók getuige geweest van een krachtige en zeer heerlijke werking van Gods Geest. De Heilige Geest ademde over dat dal vol doodsbeenderen, gelijk het toenmalige Europa was, en weldra ritselde hier en ginds het leven, dat uit God is. Er stonden mannen op die uit kracht van eigen ervaring jubelden in vrije genade; die kloek getuigden voor de eere van Christus, hun Koning; die krachtiglijk profeteerden over die doodsbeenderen. Mannen, die er om smeekten, dat hun woord mocht zijn, door de gunste Gods, een adem ten leven; die vast stonden in de hope des eeuwigen levens, wier geloof door de geestelijk dooden wierd bespot of benijd, wier hart zwol van liefde voor een verloren wereld en die dan ook de armen wijd uitbreidden, of het hun gelukken mocht, die wereld wederom te brengen aan den voet van het Kruis.
In Engeland was die geestelijke opwekking begonnen en had zich weldra voortgezet in Frankrijk, Zwitserland en andere landen. Ook over ons vaderland was deze bezielende adem des Geestes gegaan en mannen als Da Costa, Capadóse, de Clercq an anderen waren opgestaan als levende getuigen van wat de werking des Geestes vermag in een arm, verloren zondaarshart.
Men noemt dit Godeverheerlijkend verschijnsel met een vreemd woord: het R e v e i 1. De geestelijke Opwaking.
Terugkeer tot de oude, Schriftuurlijke waarheid, met verwerping van de toenmalige „verlichting" als „logen", was 't kenmerk van het Reveil. En deze terugkeer tot het geloof der vaderen was dus een reactie tegen de toonaamgevende richting onder ons volk, waardoor allerlei botsingen ontstonden.
Wel was niet in alles éénheid onder de Vrienden der Waarheid. Want terwijl velen met de aanvaarding van het geloof der Apostelen, Kerkvaders en Reformatoren ook de formulieren der geloofsbelijdenis aannamen en zich schaarden rondom de gereformeerde theologie, neergelegd in Catechismus, 37 artikelen en Dordtsche leerregels, waren er anderen, die, tusschen inhoud en vorm der belijdenis onderscheidend, zich wel geestverwant gevoelden met de mannen der Dordtsche Synode, maar het eisch rekenden in eigen taal van het heden het geloof uit te spreken; die niet terug wilden, maar vooruit, zij 't ook op de gereformeerde lijn. Zoo komt het, dat er eenheid, maar ook verscheidenheid is bij mannen als Van Zuylen, Moorrees, Capadose, Molenaar, Ter Borg, De Clercq, Scholte, Kohlbrugge, de Liefde, Da Costa, Heldring, enz.
De terugkeer tot de waarheid op het gebied des geloofs, ging hand aan hand met terugkeer tot wat men bij het licht des Christendoms als gezonde beginselen van Staatkunde en Kerkrecht en wetenschap beschouwde. In de Revolutie zag men de openbaring van het ongoddelijk streven, lijnrecht indruischende tegen de ordinantiën Gods. Daarom ijverde men tegen de Revolutie. Alles wat met de Revolutie in verband stond was slecht. Contra-revolutionair was de eerste uiting van het Reveil (Da Costa's Bezwaren) op staatkundig en maatschappelijk gebied. Alles wat de Revolutie had gewrocht was men vijandig en velen eischten terugkeer met name van de verhouding tusschen Kerk en Staat, zooals die in vorige eeuwen was geweest. Daarnaast was er de anti-revolutionaire richting, die op ieder terrein den geest der revolutie bekampte, maar ook elken conservatistischen zuurdeesem wilde uitzuiveren, om naar de behoeften van den tijd voort te gaan in den Schriftuurlijken weg.
Met de staatkundige en theologische overtuiging der leiders in het Reveil stond de verhouding ten opzichte van de Hervormde Volkskerk in verband.
Dat de Kerk het Reveil vijandig was, spreekt van zelf. Men kon daar, waar men zoo gewerkt had voor rust, vrede, verdraagzaamheid, liefde enz. niet dulden, dat men begon te spreken van de oude waarheid. En de beschuldiging van lauwheid, zoo niet van afval en ontrouw tegen bijna al de leeraars gericht, verbitterde leeraars in kerkelijke Besturen, ja wekte hunne verontwaardiging en haat. Velen verlangden daarbij den toestand der gereformeerde Staatskerk van vroeger terug en eischten van de leeraars onvoorwaardelijke erkenning en handhaving der leer van Dordt, vervat in de drie Formulieren van Eenigheid. Ook betoogde men het onwettig bestaan en het ongereformeerd karakter van het Synodaal Kerkbewind.
Géén wonder, dat de toonaangevende machten in de Kerk in beweging kwamen en er een vijandige houding van de Kerk tegenover het Reveil was.
Men klaagde over "oppositie"; men sprak van „heftige aanvallen" zoowel van leeraars (Ie Roy, Molenaar, Moorrees, Engels enz.) als van leeken (Da Costa, Capadóse, Ellout, Groen). De Kerk zei, dat de eerbied en achting, die haar predikanten eeuwen hadden genoten, in gevaar kwamen, dat hun zedelijk karakter werd aangetast, enz. En zou, zoo overleide men, het licht dat de nieuwere wetenschap had ontstoken, onder den domper der Formulieren moeten worden gesmoord, de wetenschappelijke zin worden verstikt, het vrije onderzoek belemmerd? Meer nog — de eenheid der Kerk zou worden verscheurd, de vrede verbroken, de onderlinge verdraagzaamheid door sectarische felheid en theologenwoede worden vervangen.
Mocht dit worden geduld? Immers neen en heel het Kerkbestuur, gesteund door hoog en laag, verhief zich als een eenig man ten strijde tegen het Reveil.
Men bedoelde het zoo goed!
Er was een algemeen streven der protestanten tot onderlinge verbroedering, opdat tegenover de Roomsche Kerkmacht der Zuidelijke Nederlanden Noord-Nederland een krachtige protestantsche éénheid vormde. Een eenheid ook door Koning Willem I beoogd en alleen te verkrijgen door afslijting der scherpe kanten van de verschillende richtingen in het protestantisme. Wederzijdsche inschikkelijkheid en wederzijdsch toegeven, eerbied voor elkanders overtuiging, vermijding van alle uitersten — dat moest men hebben. Dat was de geest des tijds, het J u s t e M i l i e u, „de geest dezer eeuw".
En toen kwamen de mannen van het Reveil. „Roei ze uit !" dat was de kreet, die overal opging en alom werd gehoord.
(Wordt voortgezet)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's