INGEZONDEN.
BOSKOOP.
Woensdag 27 October was voor het rechtzinnig deel der Nederl. Herv. Gemeente te Boskoop een dag van spanning en groote beteekenis. Toen toch had de verkiezing plaats van drie gemachtigden in het Kiescollege en de uitslag zou beslissen of de meerderheid in genoemd College vrijzininig zou blijven of in rechtzinnige handen zou komen. De goede verstandhouding en samenwerking tusschen Gereformeerden en Confessioneelen, welke voor drie jaren tot stand kwam en uit den nood onzer Kerk geboren werd, bleef, Gode zij dank, bewaard en men ging eendrachtig ten strijde tegen het moderne bolwerk, dat hier nu sinds 88 jaren zijn ziel-en Kerkverwoestend zaad uitstrooit en de teugels van bewind in handen houdt. De uitslag was verblijdend, aangezien het aftredend rechtzinnig lid J. van Klaveren P.Jzn. werd herkozen met 343 en gekozen werden de heeren G. Groenestein met 347 en C. Spijker met 346 stemmen; terwijl op de vrijzinnige candidaten werden uitgebracht 251 stemmen. Aldus de verrassende meerderheid van bijna 100 stemmen! Door dezen uitslag is nu 't Kiescollege van Boskoops Herv. Gemeente inclusief kerkeraad met één stem meerderheid (11 tegen 10) van vrijzinnig, rechtzinnig geworden; welke meerdertheid straks, zonder buitengewone omstandigheden, in Nov. a. s. door de benoeming van één ouderlinjg en één diaken versterkt staat te worden(13 tegen 8).
Men zal verstaan, dat er onder ons, die de erve der Vaderen, ondanks de ellende en ongerechtigheid derzelve, liefhebben, en wars zijn van alle separatistische beginselen, groote blijdschap heerscht. Den Heere zij hiervoor de eer, daar Hij het was die ons hiervoor lust en kracht gaf om de zaak onzer Kerk te behartigen en de moeilijke dagen van arbeid, hieraan verbonden, met Zijn zegen heeft willen kronen.
Als een bizonderheid willen wij nog mededeelen dat deze verkiezing reeds had moeten plaats hebben in November 1925, maar ongeveer een jaar door de vrijzinnigen is opgehouden, doordat destijds door twee rechtzinnige lidmaten protest was aangeteekend tegen de lijst van stemgerechtigden (aangezien op deze lijst namen werden gemist, welke er behoorden op te staan). De kerkeraad weigerde echter de fout te herstellen. Toen zijn de klachten doorgezonden naar het Classicaal Bestuur van Leiden, welk bestuur na gehouden onderzoek de klachten gegrond verklaarde en den kerkeraad opdroeg de ontbrekende namen op de lijst te plaatsen. Aan deze uitspraak der Classis gaf men echter geen gehoor. De kerkeraad ging in hooger beroep bij het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland, welk kerkbestuur evenwel den kerkeraad niet ontvankelijk verklaarde; de uitspraak van het Classicaal Bestuur werd gehandhaafd en gelast de stemming ten spoedigste te doen plaats hebben. Ook hieraan werd geen gevolg gegeven en het Classicaal Bestuur, hiervan in kennis gesteld, sommeerde den kerkeraad opnieuw en gelastte dat nu uiterlijk 28 October de stemming moest plaats hebben.
Nu staan we in November wederom voor de jaarlijksche verkiezing. Alsdan moeten d e l a a t s t e d r i e Vrijzinnige gemachtigden aftreden met één rechtzinnig lid. Maar ook deze stemming zal wel weer vertaging hebben, aangezien ook thans weer protest moest worden aangeteekend tegen de kiezerslijst en aangezien de kerkeraad wéér heeft geweigerd den reclamanten gehoor te geven, is dezelfde weg bewandeld als het vorige jaar en zijn de klachten doorgezonden naar het Classicaal Bestuur van Leiden.
Zoo ziet men uit een en ander, dat het in Boskoop voor de belijders der Waarheid in het midden der Hervormde Gemeente nog niet zoo'n gemakkelijk leven is, waar men èn het moeilijke werk der Evangelisatie en de belangen der Kerk heeft te behartigen.
Wij slaan echter de oogen naar het gebergte heen, vanwaar wij onze hulp verwachten. En de Heere doe het ons gelukken!
J. VAN KLAVEREN P.Jzn.
Onderschrift van den Hoofdredacteur:
Wij plaatsen dit Ingezonden gaarne en verheugen ons van harte met de broeders en zusters te Boskoop, die deze blijde zegeningen uit de goede hand onzes Gods mogen ontvangen. Het is een lange en bange strijd geweelst. 27 jaar geleden, toen wij voor 't eerst, als candidaat, te Boskoop in de Evangelisatie optraden, maakten we er voor 't eerst kennis mee en, sinds blijven we op de hoogte van den gang van zaken. Wat is er sinds dien tijd veel door gemaakt! Zoowel in eigen kring als met betekking tot de vrijzinnigen! Maar nu geeft de Heere verademing en ruimte. Blijke het in den voortgang, dat de zegeningen in 's - Heeren gunst geschonken zijn en dat ze met ootmoed en dankbaarheid wordenn ontvangen en gebruikt. Ook in deze hebben we g e n a d e v o o r g e n a d e, telkens weer nieuwe genade, noodig. Geve de Heere, dat straks het huis onzer Vaderen, dat de Heere hun gaf, weer mag open staan voor de rechte bediening van het Woord en de Sacramenten en worde het spoedig gezien, dat de stammen tezamen vroolijk opgaan tot Gods voorhoven!.
M. VAN GRIEKEN.
Mijnheer de Redacteur,
Naar aanleiding van het stuk „Vacante Gemeenten" in uw blad van 8 October 1926, verzoek ik u beleefd eenige plaatsruimte.
Ja, het wordt nu wel heel erg. Doch nu bedoel ik niet in de eerste plaats de vele vacante Gemeenten met de daaraan verbonden toestanden, zooals in bedoeld stuk werd omschreven, doch ook wordt het heel erg met het orgaan van den Gereformeerden Bond tot , „Verbreiding" en „Verdediging" van de „Waartheid" in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk'
Dat b.v. in dat orgaan gezegd wordt dat het belang van de gemeente nr. één moet zijn, is toch wel heel erg. lk heb altijd gehoord dat Gereformeerden altijd no. één stellen de eere van den Koning der Kerk Jezus Christus. Dat er in de eerste plaats naar gevraagd dient te worden, hoe Hij de uitwendige openbaring van Zijn Kerk op aarde wenscht.
En als we nu weten dat Hij wandelt tusschen de 7 kandelaren en van daar zelf Zijn gemeente bestuurt en onderhoudt, dan weten we ook, althans behoren we te weten, dat er geen plaats is voor zulk een synode en Synodale organisatie als wij hebben, die niets beters weet te doen dan godddooze reglementen in de wereld, of liever gezegd in het Hervormde Instituut weet te sturen. Dan zullen Gereformeerden ook dienen te weten dat zij Gode meer moeten gehoorzamen dan menschen.
En als er dan gemeenten zijn die niet k u n-n e n voldoen (uit principe) aan de aanslagen van den Raad van Beheer, dan helpen z ij niet mee aan de verwoesting der Kerk (ik neem het woord Kerk van U over, ofschoon ik even wil opmerken dat het instituut waarin wij leven geen Kerk is, geen geordende gemeentechap en vergadering van hen die eenparig buigen voor den Christus, want zal een kerk Kerk zijn, dan staat zij geheel op het fundament der Heilige Schrift; ook gemeten naar den maatstaf des geloofs omtrent het wezen der Kerk en den aard harer openbaring, zooals die uitdrukking vindt in de Ned. Geloofsbelijdenis mist dit instituut de kenmerken der Kerk), neen, dan verwoest die synode de Kerk, dan draagt die synode de schuld dat vele gemeenten zonder dienaar des Woords zijn, omdat zij van dergelijke lage middelen gebruik maakt om zulk een gemeente zonder leeraars te laten en alzoo op grove wijze het recht verkracht.
Hoe nu de „Waarheidsvriend" nog kan schrijven „Wij verheugen ons altijd, indien we lezen dat aanstonds bij vacature het beroepingswerk wordt ter hand genomen, omdat het welzijn der gemeente (niet de eer van den Koning) ons het voornaamste is", is mij een groot raadsel. Dus het kan de Waarheidsvriend letterlijk niets schelen dat dit alles indruischt tegen den wil van God. Als 't die gemeenten maar goed gaat, als 't belang van de Gemeente maar no. één is, dan doet de rest er niet toe.
Weinigen zijn er die met heilig vuur bezield protesteeren en God meer gehoorzaam zijn dan den menschen en zulk een synode, doch 't Iaat de overigen lauw lauw. Maar juist tegen die lauwen spreekt de trouwe en Waarachtige Getuige in Openb. 3: 15 : „Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. Och, of gij koud waart of heet. Zoo dan, omdat gij lauw zijt en noch koud noch heet. Ik zal u uit mijnen mond spuwen". Want gij zegt: Ik ben rijk en verrijkt geworden en heb geens dings gebrek (we hebben toch een prachtig reglement om de boterham te verzekeren aan de ambtenaren van het ambtenarenkorps der synode, wij hebben toch een volkskerk waar Jan Rap en zijn maat met alle mogelijke vrijdenkerstheorieën terecht kan, een vakbond voor predikanten enz. enz.) en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt.
Wie ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de Gemeenten zegt.
U beleefd dankend voor de verleende plaatsruimte.
Hoogachtend,
A. SMIT."
Dordrecht, Jac. van Lennepstraat 29.
Onderschrift van de Redactie:
Dit stuk van den heer Smit uit Dordt heeft ons pijn gedaan. Waaraan hebben wij 't verdiend dat men ons naar 't hoofd slingert dat 't ons letterlijk niets meer schelen kan, of iets indruischt tegen den wil van God? Dat is niet naar den wil des Heeren, mijnheer Smit, om alzoo te schrijven. De Catechismus, als Gereformeerd leerboek, zegt, dat men zoo den toorn Gods over zich haalt! Ook heeft 't ons pijn gedaan, dat tusschen de woorden van den verhoogden Heiland, ontleend aan Openb. 3 zoo maar, als of het van den verheerlijkten Koning der Kerk komt, tusschen wordt gevoegd „we hebben toch een prachtig reglement om de boterham te verzekeren van de ambtenaren van het ambtenarenkorps der synode enz. enz." Leert men u in Dordt zóó profaan en zóó eigengerechtig inlegkunde en misbruik van 't Woord des Heeren? We worden bang voor zulk Schriftgebruik en we huiveren voor menschen, die zóó met teksten anderen willen doodslaan. Wat verraadt dat hooghartigheid, trotschheid, eigen wijsheid en onmacht, dwaasheid, nijdigheid enz. Dat maakt natuurlijk, dat U er ook niet tegen op ziet om een zin uit ons artikel tusschen aanhalingstekens te citeeren en er dan eigenmachtig maar tusschen te schrijven wat U belieft. En wat U er zoo maar tusschen schrijft is „niet de eer van den Koning"; waardoor de indruk gewekt kan worden, dat wij nu hebben geschreven: „omdat het welzijn der gemeente, niet de eer van den Koning, ons het voornaamste is." Dat is zóó valsch, dat wij er geen woorden voor hebben, om dat af te keuren en aan de kaak te stellen. Wie leert U zulke schandelijke dingen in Dordt? Of leert U deze dingen Uzellf? Dan moogt U wel ernstig oppassen, want in dit kleine „Ingezonden" maakt U nu tweemaal gebruik van de verfoeielijke kunst, om iemands woorden zóó aan te vullen, dat er net precies uit voortkomt, wat Gij zelf wilt hebben. En dat Ge dat nu met onze woorden doet, dat is nog zoo erg niet. Wij trekken er ons verder niets van aan. De waarheid komt wel weer boven. Maar dat Gij het doet met het eigen Woord van den verhoogden Heiland, dat is bedenkelijker!
Deze dingen staan natuurlijk niet op zichzelf.
Heel Uw kerkbeschouwing is in verband met de Ned. Herv. (Geref) Kerk ruw en onbesnoeid, hard, wreed, sarcastisch. De Herv. Kerk is voor U geen kerk meer. En daarmee is het voor U uit. Maar dan begrijpen we niet, dat U nog één dag in de Herv. Kerk blijft. De Geref. Bond denkt daar anders over. Geboren uit den nood der Kerk voelt de Gereformeerde Bond mee de schuld. Wij en onze Vaderen hebben gezondigd. En voor ons is in de Nederl. Herv. (Geref.) Kerk nog zooveel goeds, omdat God zoo goed voor haar is, in weerwil van de menigvuldige zonden. En nu wilen mij mee dragen de schuld; ook de gevolgen van mijn zonden. We willen niet op een hoogte gaan staan, om vol eigengerechtighdd ons te verheffen boven „Jan Rap en zijn maat". Neen, de Hervormde Kerk is onze moeder; onze kranke moeder. Daar liggen onze overtredingen en de zonden onzer vaderen. En daarom grijpen we alles aan, om onze kranke Kerkc te helpen; en haar bij te brengen, wat haar sterken kan. Waarbij we heel veel moeilijkheden op onzen weg vinden. En waarbij de Doleerenden in 1886 hebben gezegd; laat die Kerk los en laten we een nieuwe Kerk maken. Welke sprake blijkbaar ook in onze dagen nog niet is uitgestorven! Maar dat is het verschil tusschen U en ons, dat U hard, ruw, ongevoelig, sarcastisch, snijdend scherp, bijna spottend over Uw Kerk spreekt en wij dat van den verhoogden Heiland, die tusschen de zeven gouden kandelaren wandelt, anders geleerd hebben. Hoe vriendelijk zoekt de verheerlijkte Heiland niet naar het goede in de gemeenten, óók als Hij streng weet te bestraffen.
Dr. P. A. E. Sillevis Smitt zegt zoo mooi in zijn verklaring van „De Openbaring": De alwetende Christus zegt: "Ik weet uwe werken". Doch nu zoekt Hij eerst in die werken Zijner gemeente, wat er goeds in is. Het goede lokt Hem meer aan dan het kwade. Het prijzen, is Hem liever dan het laken, 't Is alsof het goede het eerst spreekt tot Zijn liefdevol hart. En dat in tegenstelling, helaas, met zoovelen der Zijnen, die er behagen in schijnen te hebben, om eerst de gebreken te laken en dan, zoo het er althans nog toe komt, het goede te noemen" (bij Openb. 2 vers 1—7).
„Zoo het er althans nog toe komt" Maar bij U komt het er niet toe. 't Blijft enkel steenen, harde steenen, hard geworpen naar het hoofd van de Kerk onzer Vaderen, van Uw eigen Kerk, die zwaar heeft misdreven, maar door den Heere nog zoo rijk wordt gezegend.
Hebben wij — om op ons onderwerp te komen — hebben wij in de Ned. Hervormde Kerk te veel gedaan voor de verzorging van de predikanten? Hebben we te veel liefde betoond tegenover de emeriti, de weduwen; de weezen? Is er tusschen de gemeenten te veel hulpbetoon geweest; te veel elkander helpen en bijstaan?
Moeten we ons niet wegschamen! En dan dikwijls zulke „rijke" gemeenten!
En dan nu maar steenem, hardle steenej enkel steenenen werpen op de Kerk?!
Want de Kerk heeft een roeping in deze.
De Heiland die tusschen de zeven kandelaren wandelt is Dezelfde die de zeven sterren — de leeraars der gemeenten — bij elkaar, saam, in Zijn hand heeft en in Zijn hand draagt en wil, dat de Kerk er voor zorgen zal. Ook mogen, we de wet niet eigenmachtig buiten werking stellen. Groen van Prinsterer heeft ons, in navolging van Stahl, geleerd, dat de wet die er is, moet worden gehoorzaamd. Hij schrijft: „Ook de Constitutie, al is het dat zij in menig voorschrift het dwaalbegrip des ontwerpens verraadt, is wet. Aan de wet zij men gehoorzaam, niet omdat ze goed is, maar omdat ze wet is. Geen verandering, ook de uitnemendste niet, dan langs den bij die Constitutie zelve aangewezen en dus algemeen geoorloofden weg; nooit door revolutionair geweld". (Groen: Ter nagedachtenis van Stahl, blz. 11 enz.). Ook zegt Groen, dat het verledene ooit voorbij gezien mag worden en dat men alle rechten, ook die welke in den revolutietijd zijn verkregen, moet ontzien. Die rechten te miskennen is rechtschennis enz. (Groen: Beschouwing, blz. 170 enz.). We willen maar zeggen, dat het niet aangaat in onze Hervormde Kerk met wetten te doen alsof ze niet bestaan. Dat doen we ook niet met de Synodale Organisatie als zoodandig. Geen Gereformeerde zal het besturenstelsel goedkeuren. Maar niemand treedt revolutionair op of zegt: Ik doe alsof ze er niet zijn. Gereformeerde predikanten en ouderlingen gaan zelfs in de (niet-Gereformeerde) besturen zitten. Niet omdat het zoo gereformeerd is. Zelfs zeggen ze, dat de Besturen, dat de Synodale Organisatie, in strijd is met de H. Schrift en strijdt met het wezen der Kerk. Maar ze doen het, omdat ze niet revolutionair willen optreden; ook de Kerk niet willen loslaten; en zoo intusschen het goede zoeken voor de Kerk onzer Vaderen.
Nu het echter om het geld gaat, nu is men ineens zoo geweldlig principiëel geworden en praat men van „Gode meer gehoorzaam zijn dan de menschen!" Wat natuurlijk niemand gelooft. Neen, wij willen de Synodale Organisatie niet goed praten. Men weet beter! Wij wilIen ook het Reglement op de Predikantstractementen niet goed praten. Men weet beter! Maar wij willen alle Gereformeerden in de Hervormde Kerk oproepen, om zich niet te laten verleiden om mee te gaan met menschen die op revolutionaire wijze de Synode en de wetten der Kerk willen saboteeren. Deze menschen wllen de Hervormde Kerk uit elkaar doen springen. Die willen een uittocht uit de Hervormde Kerk voorbereiden. Die wilen de scheuringen meerder doen worden. Die willen het kerkelijk vraagstuk oplossen door middelen van geweld en in plaats dat men oplossing geeft, maakt men de ellende veel grooter. Op die wegen gaat de Gereformeerde Bond niet mee; en die zullke wegen wenscht te bewandelen hoort in onzen Bond niet thuis. Want men toont het, ook als er ernstige voorstellen zijn om in ordelijken weg, geleidelijk, tot wegneming van de Synodale Organisatie te komen, dat men met opzet zich daartegen verklaart en dus de Synodale Organisatie daadwerkelijk wil houden, om zoo dan de ellende van de Kerk te laten blijven en makkelijker op haar schelden kan. Wat is er dikwijls een zoeken van eigen eer. Een zucht tot partijvorming. Om zelf de man te zijn. En ieder die niet onvoorwaardelijk wil meedoen wordt uitgeworpen en zelfs over Gereformeerde predikanten met Gereformeerde prediking spreekt men het banvonnis uit, omdat men niet mee wil doen met de partijpolitiek. Laat ons de Kerk in het oog houden en laten we voor de Kerk, waar in we geboren en gedoopt zijn, waar we ook belijdenis des geloofs hebben afgelegd, — laten we voor die Kerk het goede zoeken in een weg van orde, uitdragend het Woord des Heeren, dat niet ledig zal wederkeeren, maar voorspoedig zal zijn in hetgeen, waartoe God het zendt.
M. VAN GRIEKEN.
Leerdam — Veenendaal.
Mijnheer de Redacteur,
In den Ring Leerdam is men blijkbaar erg tegen het Reglement op de Predikantstractementen. U hebt in uw stuk over vacante gemeenten terecht doen uitkomen de treurige gevolgen daarvan en de verwoesting, waarmee sommige gemeenten hierdoor worden bedreigd.
Nu meent men echter blijkens sommige ingezonden stukken, dat er met de belangen der gemeenten niet in de eerste plaats gerekend mag worden. Men stelt het dan voor alsof de „geestelijke rechten" hooger staan en verdedigt dat dan vaak met een beroep op de eere Gods en op het „Gode meer gehoorzamen dan den menschen".
Zou ik echter dezen verdedigers van de „geestelijke rechten" der plaatselijke gemeenten, wat dan practisch neerkomt op de „geestelijke rechten" der Kerkvoogden, eens een vraag mogen doen? Waarom zijn zij die "geestelijke rechten" eerst n u gaan verdedigen, nu zij zuiver stoffelijke belangen raken? En waarom zijn zij dan Gode al niet lang meer gehoorzaam dan den menschen geweest ? Of is dat nu soms het e e r s t e reglement, waardoor de „geestelijke rechten" der plaatselijke gemeenten aangetast worden? Gelooven zij nu werkelijk dat zij Gode behagen door dit reglement n i e t en andere reglementen w e l te gehoorzamen?
Mij wil het voorkomen dat aan het niet uitvoeren van het Reglement heel andere motieven ten grondslag liggen. Wegens het weinige kerkelijk bewustzijn voelen vele gemeenteleden niet waar het om gaat en doorzien zij niet hoe de uitvoering van dit Reglement slechts een practische aanvaarding is van de Synodale Organisatie, die zij in alle andere dingen even goed en dan niet met meest geruste geweten ook aanvaarden. En wat de Kerkvoogden betreft, komt mij heel deze beweging niet anders voor dan een vergeefsche poging om eigen rechten te handhaven, die men dan heel vroom de "geestelijke rechten" der gemeenten noemt.
En moeten daaraan nu de w e r k el ij k geestelijke belangen der gemeenten worden opgeofferd? Meent men werkelijk, dat dat de wil des Heeren is en dat daardoor de eer des Heeren wordt bevorderd?
Neen, dan heeft men het hier in Veenendaal beter begrepen, in den beginne hadden de Kerkvoogden hier ook z..g.n. consciëntiebezwaren tegen den Raad van Beheer. „Zoo'n goddeloos reglement" zou hier in 't Veen nooit uitgevoerd worden. Toen de gemeente echter eenigen tijd nog maar half-vacant was geweest en het belang der gemeente daardoor dus ernstig geschaad werd, begonnen de oogen van velen open te gaan. En toen aan de gemeente de vraag werd voorgelegd: meedoen óf niet, beslisten 1/5 van de stemgerechtigde lidmaten dat het goddelooze(?) reglement wèl moest uitgevoerd worden. Een deel der Kerkvoogden die zoo voor de „geestelijke rechten der gemeente waren geweest, hadden, toen inmiddels als zoodanig reeds bedankt. Maar ook hier bleek niemand onmisbaar te wezen. Anderen hadden spoedig hun plaatsen ingenomen.
En wat is nu het gevolg?
Dat in de bestaande predikants-vacature al weer enkele maanden is voorzien. Dat de werkzaamheden dus weer geregeld voortgang hebben. Dat ring-predikanten niet meer behoeven te komen en dus andere gemeenten niet langer behoeven benadeeld te worden. En dat nu heel spoedig een tweede kerk zal worden gebouwd en over enkele maanden een derde predikant beroepen zal kunnen worden. Daar is nu niemand meer, die den druk van het bewuste reglement gevoelt. Zelfs de vroegere tegenstanders werken nu weer mee tot den bloei en opbouw der gemeente.
Nu vraag ik toch in gemoede, Mijnheer de Redacteur, wat zou nu meer in overeenstemming zijn met 's Heeren wil en tot bevordering van de eer van 's Heeren Naam, dat men, zooals in Leerdam en omstreken, met de handhaving van zijn „.geestelijke rechten" de gemeenten verwoest, óf dat, zooals hier in Veenendaal, die hoog geroemde rechten voorloopig worden opgeofferd aan den bloei der gemeente, om dan, als het wezen kon, straks niet langs revolutionairen, maar in den geordenden weg te komen tot een meer Schriftuurlijke Organisatie onzer Kerk, zoodat er in dien weg dan ook weer van handhaving niet slechts van deze, maar ook van nog andere rechten sprake zal kunnen zijn? Voor mij is die vraag niet moeilijk te beantwoorden. Wil men in Leerdam dan zijn „rechten", hier in Veenendaal wil men liever zijn „gemeente" behouden. Daarom danken we God dat hier de tegenstand tegen den Raad van Beheer gebroken is en wij hopen, Mijnheer de Redacteur, dat Uw woord er toe zal medewerken dat dit voorbeeld ook in andere gemeenten zal worden gevolgd.
Met dank voor de opname dezer regelen, verblijf ik
Uw dw. dnr.,
W. VAN BARNEVELD,
Diaken der Herv. Gem.
Veenendaal, 30 October 1926.
(De discussie over dit onderwerp is hiermee gesloten. Red.)
Vergrooting lokaal Keeten
(gemeente Capelle a.d. IJssel).
Hooggeachte Redactie.
Mag ondergeteekende nog een klein hoekske in ons „Bondsblad".
Behalve de reeds verantwoorde som ƒ 1525.40 is nog ontvangen: Kertkeraad M. ƒ10, den heer G. V. te K. ƒ 10, den heer H. 't H. te K. ƒ16, door ds. V. W. te N.B. ƒ5, door ds. B. te L. ƒ 3.50, den heer B. te P. ƒ 250, den heer H T. te B. ƒ25 ; N.N. te K. ƒ25, door ds. E. te R. ƒ 45 ; spreekbeurt te St. A. ƒ 50. In het geheel ƒ 1717.40.
Een woord van hartelijke dank aan allen, die, op wat wijs ook, hiertoe hebben medegewerkt. En nu hopen wij Donderdag 18 November des avonds 7 uur ons vergroot gebouw in gebruik te nemen. Een ieder is natuurlijk van harte welkom. Strekke alles tot eer van 's Heeren Naam en tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk hier ter plaatse.
Uw dw. dnr.,
Keeten (Kralingscheveer).
K. ASMUS.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's