GEESTELIJKE OPBOUW
De organisatie der Kerk en goddelijken oorsprong, (11)
Ook in de geschiedenis van het ambt is er een voortschrijden van minder tot meer, wat de ontwikkeling en den omvang betreft. Indien de zonde er niet geweest was zou èn het leeren èn het regeeren met het besturen gansch anders geweest zijn; het bizondere ambt zou, buiten de zonde, niet hebben bestaan. Maar daar volgt uit, dat het opkomen het bizondere ambt met noodzakelijkheid geschiedt, nu het Lichaam van Christus zich in een zondige wereld openbaart. Vandaar dat in den allereersten tijd, toen door bijzonderen invloed des Geestes de macht der zonde sterk werd gekeerd en er een krachtig bewogen gemeenteleven bloeide, het ambt in z'n zwakste vormen zich deed kennen, terwijl het charisme, de bizondere Geestes-en genadegaven, den boventoon voer. Toch is het ambt, zij 't nog zoo eenvoudig en nog zoo in den dop, er van den beginne in elke gemeente geweest.
Het charisma, waarvan hier sprake is, omvat „een complex van bizondere Geestesgaven, die uitsluitend in den apostolischen tijd, in verband met de stichting der Nieuw Testamentische Kerk op onderscheidene wijze aan de geloovigen, in of buiten het ambt, werden meegedeeld. 1 Cor. 12: 7: "Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen dat oorbaar is".
Waaruit tegelijk blijkt, dat de H. Geest alle werkingen richt en leidt, zoodat het niet een wilde en onordelijke beweging wordt, maar in het spoor blijve van het werk des Vaders en het werk des Zoons, ten dienste van Christus' gemeente in haar ontwikkeling en volmaking. En zoo staan charisma en ambt geenszins t e g e n o v e r elkaar, maar ---en ze beide dienen door de kracht en de werking en door de gaven des Heiligen Geestes tot volmaking der heiligen en tot opbouw van het lichaam van Christus. Waarbij het charisma in den eersten tijd gevonden wordt, om daarna geleidelijk aan het ambt plaats te geven. Want de Kerk van Christus is niet alleen een verzameling van gelovigen welke charismatisch is georganiseerd, maar wel degelijk ook institutair, in de ambten, in de bediening des Woords, de dienst der gebeden, de bediening der sacramenten, de oefening der tucht en de verzorging der armen, hulpbehoevenden, zieken, ouden van dagen, enz.
De Heere heeft het van den beginne gewild dat Zijn Kerk zou worden geieid en geregeerd en verzorgd door d e n d i e n s t
v a n m en s c h e n. Hij heeft dat ingesteld en door de gave des Geestes komt Hij Zijn geroepen dienstknechten bekwaam maken, gevende menigerlei genade.
De werking des Geestes in de Gemeente en het ambt in de gemeente is dan ook geen tegenstelling. Niet-ambtelijk is niet „geestelijker" dan ambtelijk. De heilige God heeft het ambt ingesteld. „En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld enz." 1 Cor. 2: 28. Hij, de Heere Zelf, heeft die ambten gegeven. Ef. 4 : 11: „En dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen enz."
Aan het ambt zit niets on-geestelijks. Het is van God alzoo geordineerd. Hij heeft het besteld en die hierin Zijn werk loochent schendt of veracht, die zondigt tegen God.
Jezus Cristus regeert Zelf Zijn Kerk. Hij is het Hoofd der Gemeente. Hij alleen. Maar dan werkt Christus ambtelijk en ook de H. Geest werkt door middel van het ambt. De H. Geest roept en laat de gemeente roepen; en zoo door de Gemeente geroepen is de ambtsdrager van God geroepen. Hier is een wondere en heilige samenwerking tusschen den Heere en Zijn Gemeente tot eere Zijns Naams en tot stichting en zegening van de Kerk.
Het ambt is dus geen heerschappij. In het ambt als zodanig zit geen hiërarchie. Als onder-herders onder den Opper-Herder Jezus Christus zijn de ambtsdragers om te dienen, ook als zij regeeren en gehoorzaamheid en onderworpenheid van de gemeente vragen. Dan dienen zij Christus en dienen de gemeente, opdat deze Christus diene in den weg van geboorzaamheid aan Zijn Woord en Christus alzoo gestalte bekome in het leven der Zijnen.
In het ambt krijgt de gemeente dan ook geen vreemde macht over haar, maar Christus Zelf regeert haar door het ambt. Het is de Koning Zelf die achter het ambt staat en 't woord van de ambtsdragers is het Woord van den Koning; waarbij dat Woord tenslotte alleen bindend gezag heeft. Zoowel het ambt als de gemeente moeten ten slotte voor dat Woord verschijnen en naar dat Woord leven en handelen; waarbij het ambt de gemeente heeft voor te gaan en te leiden, te bewaren en te sterken, te waarschuwen en op te bouwen, te vermanen en desnoodig te straffen; in het uiterste ook uit te bannen.
Hier moet onderscheiding van het ambt, van het bizondere ambt en het algemeene ambt der geloovigen wel degelijk worden gemaakt en wel duidelijk voor oogen gehouden.
Niet het ambt der geloovigen is h e t ambt dat Christus verordineerd heeft tot opbouw en volmaking van Zijn lichaam. Hij heeft bepaalde, bizondere ambten gegeven en roept bepaalde, bizondere dragers van dat ambt. En de geloovigen hebben dat ambt te erkennen en te eerbiedigen om Christus' wil, terwijl het ambt de geloovigen heeft te zien en te houden voor kinderen des Geestes, die geroepen zijn tot priesters en tot koningen.
Dat is het wondere in het midden van Christus' Kerk inzake het ambt van herder en leeraar, het ambt van opziener of ouderling, het ambt als diaken — en het ambt der geloovigen. Een verhouding die noch door Rome, noch door Luther goed begrepen is, doch slechts alleen door de Gereformeerden, wier woordvoerders Calvijn, Voetius en anderen waren.
Zeer geleidelijk is het ambt, het bizondere ambt, van plaats tot plaats gekeomen. Wanneer ergens het Woord Gods gepredikt werd, dan lezen we van „eerstelingen" als Epénetus (Rom. 16 vers 5) en Stefanas (1 Cor. 16 vers 15), die het eerst zich leeren buigen onder het lieflijk juk van Jezus Christus, 't Waren soms menschen van vermogen, soms eenvoudigen, maar zij waren de eersten die christenen genaamd werden hier en daar, als vrucht der prediking, als vrucht der verkiezing Gods.
Zij gaven zich over aan den Heere en gaven zich ook aan de Apostelen en hunne helpers. Zij gaven hun huis als vergaderplaats, als herberg voor de missionairen. En als er meerderen kwamen, die den naam van Christus leerden belijden en in Hem geloofden, gaven zij niet zelden leiding; zij, die niet zelden de grootste smaadheid en bitterste vervolging geleden hadden om huns geloofs wille. Geen wonder, dat de Apostel dan schrijft 1 Thess. 5 vers 12: „En wij bidden u, broeders, erkent degenen die onder u arbeiden en uwe voorstanders zijn in den Heere en u vermanen".
Dan kwam de roeping en aanwijzing tot het ambt, door den groei der gemeente noodig. Handelingen 6 spreekt in deze van de armverzorgers. Hand. 14 vers 23 spreekt van de presbyters. „En als zij" — zoo lezen we daar — „hun in elke gemeente met opsteken der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij ze den Heere, in welken zij geloofd hadden". Ook vaardigt men bepaalde personen als gevolmachtigden der gemeente af. 2 Cor. 8 vers 19: „maar hij is ook van de gemeente verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren, enz."
Zoo wordt het duidelijk, dat van den beginne afaan, naar luid van Gods Woord, in het midden der gemeenten, van plaats tot plaats, in Jeruzalem en daarbuiten is geweest: verkiezen en aanwijzen en bevestigen tot en in het ambt. Dat is niet iets, dat vreemd aan de Kerk van Christus is, maar, integendeel, uit haar aard en wezen uitgroeit en voortkomt.
(Wordt voortgezet)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's