MEDITATIE
1 Joh. IV: 19„Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft".
Dat is het getuigenis van Johannes, den Apostel der liefde, die leerde beantwoorden de liefde Gods, die van eeuwigheid is. Was het niet ook voor hem betuigd door den Heere bij den profeet Jeremia: „Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde!? " En die liefde Gods had hij ervaren, toen hij, staande bij het kruis van Golgotha, doorleefde, dat die liefde Gods voor hem zondaar, zóó sterk was, dat Hij Zijn eeniggeliefden Zoon voor hem overgaf in den dood des kruises.
En nu mag Johannes, hier door genade zijn wederliefde betuigen. Hij zegt het zonder grootspraak uit den grond zijns harten: „Wij hebben Hem lief".
Merk er op, hij zegt het echter niet alleen, van zich zelf, maar namens allen, die door een even dierbaar geloof met den Heere Jezus verbonden zijn. Hij zegt: Wij hebben Hem lief.
Dan moet dat dus ook van u en mij waarheid zijn, zullen wij oprechte christenen zijn. Wie die liefde voor den Heiland mist, behoort niet bij het getal der begenadigden. Volgens Gods eigen woord is van geloof, hoop en liefde, de liefde het meeste. Waar die liefde gemist wordt, ook al zouden wij engelen-taal kunnen spreken, zijn wij in Gods oog een klinkend metaal en een luidende schel gelijk. Al zouden wij als martelaar ons lichaam over geven om verbrand te worden, zonder die liefde zullen wij buitengesloten worden door God. Al zouden wij door wonder-geloof bergen verzetten in den strijd voor Gods Koninkrijk, zonder deze liefde in het hart, van ons zou gelden het woord der Schrift: „Indien iemand dan Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maranatha".
En daarentegen de stillen in den lande, die in waarheid en oprechtheid voor God betuigen mag, dat hij van een vijand en onverschilige, een liefhebber van den Heere Jezus geworden is, die is uit den dood overgegaan in het leven en begenadigd in den Geliefde. Want die liefde is uit God en die liefheeft, is uit God geboren.
Die door genade mogen zeggen: „Wij hebben Hem lief!", zijn w o r s t e l a a r s in de liefde. Die liefde wordt bestreden door zooveel binnen en buiten hen. Het is liefde, door den Heiligen Geest in hun harten uitgestort. En daartegen strijdt de geest uit den afgrond; daar kant zich tegen de zuigkracht der wereld; en de vijandschap van ons eigen vleesch zoekt als een sluipmoordenaar die liefde te dooden. Die worsteling duurt het leven lang, want zoo lang woelt een andere wet in onze leden tegen deze liefde des harten. In die worsteling is de genade van Jezus Christus echter ook genoeg, om die liefde te doen triumpheeren. Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht.
Daarom zal telkens in de diepte der ziel van ware christenen de sprake zijn: „Wij hebben Hem lief!" En daarin spreekt dan rijke zieleweelde, een zieleweelde zoo héérlijk door een dichter bezongen:
'k Heb lief! Mijn hart is overgoten
Van heil'ge blijdschap in den Heer';
Voor mij heeft Jezus' bloed gevloten.
Niets rukt mij uit Zijn handen weer.
'k Heb lief! Mijn ziel is overregend
Van hemelzoeten liefdedauw.
'k Heb lief, O Heiland, wees gezegend
Voor d' onbegrensdheid Uwer trouw!
De ziel overregend van hemelzoeten liefdedauw. Zoo is het. Als zij durven zeggen: „wij hebben Hem lief'", dan noemen zij er onmiddellijk de bron en oorzaak bij, „o m d a t H ij o n s e e r s t l i e f g e h a d h e e f t".
Het is niet zoo, dat Hij ons lief heeft gehad, omdat wij Hem liefde bewezen, maar juist omgekeerd: „Hij heeft ons eerst liefgehad". Vóór wij Hem liefhadden, zelfs toen wij nog vijanden waren. Ja, van vóór de grondlegging der wereld. En dan niet zoo, dat wij uit o n s z e l f Zijn liefde, zoo rijk geopenbaard in de offerande van Christus aan het kruis, hebben beantwoord. Neen, Zijn liefde is in vrije genade een macht over ons geworden, die onze vijandschap en afkeer en wereldliefde brak, die ons de schellen van de oogen deed vallen, die onzen wil en ons hart omzette, die onze koude harten in liefde deed ontgloeien. De liefde der kinderen Gods is vrucht van 's Heeren eeuwige liefde. En dat is zoo gelukkig. Vreeselijk zou het zijn, als het omgekeerd was. Als er stond: God heeft ons lief, omdat wij Hem eerst liefgehad hebben".
Wanneer dan onze liefde verkoelde!?
Maar gelukkig neen: de liefde Gods, de eeuwige onveranderlijke liefde Gods is de bron en oorzaak van alle oprechte liefde tot den Heere Jezus. En die liefde Gods sterft nooit. Daarom wordt de rookende vlaswiek niet uitgebluscht, maar aangeblazen. Zoo rijst ook daarin de eere Gods omhoog en is zalig de ziel, die met de Bruid uit het Hooglied zeggen mag: „de liefde is Zijne banier over mij".
U. B. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's