MEDITATIE
En hij aanbad
En het geschiedde als Gideon de vertelling dezes drooms en zijne uitlegging hoorde, zoo aanbad hij. Richteren 7 vers 15a.
Daar is geen ding zoo moelijk voor den mensch, dan God te gelooven op Zijn Woord. Dit kan hij niet; het is hem onmogelijk. Wanneer een mensch hem iets vertelt, al is het nog zoo vreemd, zoo is er toch altijd een aarzelen in het verwerpen. Dat is met wat God zegt anders. Hiervoor vraagt hij dadelijk: waarbij zal ik het weten? Het wezen van het menschenhart is ongeloovig.
Om dit te bewijzen, is niet zoo heel moeilijk: Wat merkt ge n.l. van dichtbij en van verre? Dit, dat het menschenhart op slot en grendel is gedaan door de vingers der duistere machten. 't Is zoo vanzelfsprekend dat de wereld niet gelooft, dat niemand daaraan zich meer stooten zal, 't spreekt vanzelf.
Om nog met een voorbeeld wat we zeiden te staven. Is het niet een trek van het kinderhart, om alles wat het hoort te aanvaarden, om te gelooven wat men het vertelt?
Doch let nu eens op, zoodra het leven tot ontwikkeling komt, als 't volle mensch-zijn begint te ontwaken, wat er dan van overblijft. Dan ziet ge en hoort ge hoe de algemeene levensopenbaring ook daar bezig is de zaken precies om te zetten. Het --- de harten van ouders en opvoeders ---, maar te aanvaarden heeft men het dat het menschenhart van nature weigert zich voor God te buigen.
Hoe krenkend dat zijn moet voor wien het geldt, behoeft al weinig betoog. Achtergesteld te worden bij het schepsel. En dan nog welk een schepsel! Dat met de zonde vertrouwd is, dat liegt en leugentaal --- zonder blozen. Al ontbrak verder elk bewijs voor Gods lankmoedigheid en gedud, zoo is dit op zichzelf reeds voldoende; dit draagt Hij reeds eeuwen achtereen en niet van een deel, maar van alle schepselen.
Van allen — let daarop.
Immers ook van Zijn kinderen moet Hij het voortdurend opmerken. Wat een ongeloof en twijfelzucht openbaart zich ook daar. Geldt hier niet het Woord des Heeren: „O, onverstandigen en tragen van harte om te gelooven. Hoelang zal Ik u nog verdragen".
Moeten zij niet ieder oogenblik de gebedskoorden grijpen en zuchten: „Heere, ik geloof, kom mijn ongeloovigheid te hulp"
't Worstelt daar binnen en wat op den voorgrond moest staan, zinkt ieder oogenbilk weg. Ik kan het geloof niet vasthouden. Ziet, al zal dit onzerzijds een verklaring vinden in het wezen van de zonde, waartegen ook Gods kinderen hun heele leven lang te strijden hebben, toch brokkelt dit van het vreeselijke, van het beleedigende, van het tarten van den Allerhoogste niets af.
„Waaraan" — zoo spreekt de Heere — „heb Ik dit ten opzichte van u te danken? Ben Ik ooit in één ding tekort geschoten? Heb ik ooit een tittel laten vallen van één Mijner beloftenissen? Waar maakte Ik Mij schuldig aan woordbreuk?"
Zijt ge het niet in alle deelen volkomen met me eens, lezer, wanneer een volk in nedergebogen houding voor den Heere behoort te staan, wanneer er één moet spreken: „gena, o God, gena", is het dat volk, dat Hij met Zijn ontfermende liefde omringt. Zij komen, als zij dit zien mogen, vanzelf op de knieën. Een voorbeeld hiervan hebben we hier voor ons in de geschiedenis van Gideon.
Gideon was door den Heere geroepen om Israël te verlossen. Op de meest overtuigende wijze was hem dit voorgehouden, toch durfde hij den strijd niet aan te binden. Dit blijkt uit alles. Hij is er de man niet naar; hem ontbreekt niet één ding, maar alles. Zoo'n doodgewoon iemand en dan zulk een machtig werk verrichten is eene ongerijmdheid. Gideon heeft een zeer kleine gedachte van zichzelven. Dit is op zichzelve niet kwaad, als zich ook dit laat aanwijzen, dat een groote gedachte en een groote verwachting gekoesterd wordt van den Heere.
En dit laatste ontbrak hier. Zie, daarin wordt hij nu door den Heere Zelven onderwezen. Hij moet zich in het nachtelijk leger van den vijand begeven. Hier zal hem iets worden medegedeeld, waardoor zijne handen gesterkt zullen worden. Ge kent het verhaal.
Twee soldaten van het vijandelijk leger vertellen elkander iets. De een heeft gedroomd van een gerstebrood, zoo'n gewoon brood als de soldaten aten, dat zich wentelde dwars door het leger der Midianieten. Het had de veldheerstent onderstboven gekeerd. — Weet ge wat de ander toen opmerkte: „dat is niet anders dan het zwaard van Gideon".
Toen Gideon dit beluisterde uit den mond van een puur-vreemd iemand, van een vijand zelfs, toen aanbad hij. Daar in dat middernachtelijk duister is hij op zijn knieën gevallen. Daar is hem de wereld ontzonken. De groote twijfelaar, die maar niet los kon komen van „ik beteeken zoo heelemaal niets", breekt nu uit: Heere, vergeef uwen dienstknecht, dat hij zoo lang heeft vastgehouden aan zijn ongeloovig niet willen bukken.
God geen God willen laten, zou dat niet onze hoofdzonde zijn? Dit is de klip, waar op ons scheepke altijd weer vastloopt. Een heiden moet hier nog dienst doen, voordat Gideon leert buigen. Deze moet hem vertellen eigen nietigheid en onwaardigheid. Dooh óók dat het alleronwaardigste gebruikt kan worden door den Heere.
Gideon aanbad.
Wat kwam het hem nu geheel anders voor. God de Heere wilde zich van hem bedienen, zoo klein als hij was. Thans ervoer hij: als ik zwak ben, zoo ben ik machtig.
De beide mannen, Gideon en zijn wapendrager, stonden op, wonderlijk bemoedigd en gesterkt. Hun handen waren nu inderdaad gesterkt. Zóó en zóó alleen kon de strijd worden aanvaard.
We lezen zoo dikwijls over de dingen heen. Want hebt ge er ooit bij gedacht, wat het beteekend zal hebben, van die mannen, die met Gideon den strijd moesten aanvangen. 't Was niet alleen moeilijk voor hem, doch evenzeer voor al de anderen. Wat vlak voor de hand zou hebben gelegen, is dit, dat die 300 mannen de hoofden bij elkander zouden hebben gestoken en gezegd: begin zelf maar, doe wat ge meent dat gedaan moet worden, maar doe het alleen; wij gaan met u niet mede. We durven niet en wij willen niet. Stel u voor: den strijd te beginnen zonder wapenen, alleen met de bazuin en ledige kruiken.
En toch zouden zij als één man, als één geheel uittreden. Gelijk dat brood uit onderscheidene korrels was saamgesteld, doch één brood geworden, zoo moesten zij zich ook als één volk, als één leger openbaren. Dit werd allen duidelijk, als de Heere Gideon en zijn wapendrager dit door den mond van den vijand liet mededeelen.
Gods werk is af. Hij maakt het pad voor de verlossingen van Zijn volk geheel vrij. Hoeveel ongeloof en twijfelzucht er van te voren ook geweest mag zijn, in dien nacht, dat Gideon die prediking van dat gerstebrood beluisterde, werd het licht.
Met volkomen vertrouwen, dat God het doen zou, met algeheele overgave, wachtten zij het sein af van den hemel: „Gideon, ga".
In deze geschiedenis schuilen tal van leeringen, veel, waarmee ook thans winste kan worden gedaan.
Wanneer we b.v. de wereld onzer dagen eens aanzien, zoo zeggen we: „wat zijn er een menschen, wier moed is vergaan, die geen hope meer hebben".
Dit komt, omdat zij zich in deze wereld bedrogen vinden. Een andere uitkomst werd verkregen dan zij dachten. Dat is wel treurig, maar is het iets anders, dan waarvoor het Woord gewaarschuwd heeft? De wereld stelt altijd teleur. 'k Zie dan ook geen kans om met eenig menschelijk middel deze slappe handen te sterken. Wèl zou ik raad kunnen geven, als men buigen wilde voor het Woord des Heeren.
Daar is maar Eén Die niet teleurstelt, in Wien ge u nooit bedriegen zullt, Wiens toezeggingen altijd nog kleiner bleken te zijn, dan in de uitkomst werd verkregen.
Wie het waagt op den Heere, wie tot Hem mag vluchten, ook met het allergewoonste, zal zich telkens beschaamd vindden. In het geestelijke staat ook geen andere weg open. Hierin is het precies als met Israël te midden, van de Midianieten. Een leger van bestrijders, niet te tellen; een menigte, met krachtige wapenen uitgerust. En daartegenover een, die niets vermag.
Overwinnen in eigen kracht is onmogelijk. En toch zegt de Heere: „bind den strijd maar aan", alleen met Mij als aanvoerder, met Mij als uwe hulpe. Gideon zag niet hoe dat kon en daarom vreesde hij, vandaar zijn gedurig vragen: hoe zal het kunnen?
Zou het geheim van de vrees van Gods kinderen wel een andere oorzaak hebben? Zij zien ook nog ieder oogenblik aan wat voor oogen is. Zij tellen de vijanden; zij tellen er dagelijks meer. Wat langer zij op den weg zijn, en wat meer de Heere hen de oogen opent voor al het kwade, wat meer zij zich bevreesd maken.
Een vreeselijke waarheid, het nooit anders te kunnen bezien, of het onderspit te moeten delven, om te komen.
Maar ook welk een gewaarwording in die vreeze de prediking te beluisteren: voor de zoodanigen is er toch heil. Ja, de verzekering te ontvangen: voor zulk een volk, voor zulk een schepsel ben Ik een uitredder. Ik, de Heere, doe alles; Ik doe het alleen.
Kan dit droomgezicht van Gideon u ook tot leering wezen?
Wat is kleiner, geringer, ongeschikter om een leger van een vijand in verwarring te brengen, dan een zoo'n gewoon soldatenbrood ?
Nu, dit wordt u voorgehouden, onwaardigsten der discipelen van Christus Jezus; gij zult, als ge het wagen moogt alleen op de zoen-en kruisverdienste van Christus, als ge enkel leunt op Zijn Woord, overwinnen. De tent van den veldoverste wordt omgeworpen, onderstboven. De bewoner zelf wordt daaronder verplet.
Zoo zal het u nu ook gaan, die uwen weg op den Heere hebt gewenteld. Hij baant den weg voor u; Hij zorgt dat geen vijandelijk zwaard u kan treffen. 'k Geloof niet, dat ik me vergissen zal, of dit woord is tot versterking van hetgeen zwak is. 't Allerkleinste en allergeringste wil de Heere juist gebruiken. Wat zich zwak voelt, daarin verheerlijkt Hij Zijn genade.
Daarom, gij, die nedergebogen uw weg gaat, laat uw oor te luisteren worden gelegd, zelfs in het kamp dezer wereld. De Heere maakt Zijn Naam in u en door u heerlijk. Niets wordt van u verlangd anders dan een gewillig werktuig te zijn in Zijne hand.
Wijke de bede van uw lippen niet: Heere, gebruik mij tot nederwerping van het rijk van Satan en verwaardig mij voor Uw heil,
Gideon aanbad, toen hij de vertelling van den droom en deszelfs uitlegging hoorde. Zoo aanbidde ook onze ziele.
Des vijands leger, hoe verschrikkelijk ook en hoe menigvuldig, wordt straks een toonbeeld van verwarring. De veldheerstent wordt omgekeerd; Satan heeft niet anders dan een ondergang te wachten, terwijl het leger van Koning Jezus straks zal vertoonen een onverbrekelijke eenheid, met de schoonste orde; terwijl de Koning Zelf zal uittreden uit Zijn tente met de overwinningspalmen getooid.
Dat is het eindpunt van den strijd. Dan is de victorie verkregen voor eeuwig. Wat ons onmogelijk scheen, is dan werkelijkheid geworden: de allerkleinste zal met Hem zitten in Zijn eeuwigen troon.
Utr. J. GOSLINGA.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's