KERKELIJKE RONDSCHOUW en STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Kerk en Staat.
Wij willen in deze Rubriek „Kerkelijke Rondschouw" melding maken van het eerste deel van Kerk en Staat door Dr. J. Th. de Visser, Oud-Minister van Onderwijs. Het komt ons voor, dat allen die het vraagstuk van Kerk en Staat, dat onder ons leeft en naar 't ons voorkomt straks nog meer om den voorrang zal vragen, willen bestudeeren, dit boek niet kunnen missen. Het is een zóó breed opgezet, zóó goed geordend en zóó duidelijk gesteld boek, dat men letterlijk alles krijgt wat met het gewichtige vraagstuk in verband staat en dan zóó, dat de lijn der historie wordt vastgehouden en alles helder en klaar voor oogen wordt gesteld. We kunnen ons van dit vraagstuk niet langer afmaken, door te zeggen: het heeft al zoo lang zoo gezeten, het zal onzen tijd wel uitduren. Er moet gehandeld worden, doordacht, voorzichtig, maar kloek.
En nu zeggen we niet, dat we dan aan het boek van Dr. de Visser „alles" hebben. We hebben trouwens nog maar het e e r s t e deel voor ons — twee komen nog — maar we zijn wel van oordeel, dat dr. de Visser een uitnemend werk gedaan heeft, door deze kwestie van K e r k en S t a a t te behandelen; en dan wel zóó breed en zóó duidelijk, als hij in dit standaardwerk doet.
Om de wille van de zaak wijzen we hier op dit boek.
De modernen en de Hervormde leer.
Men wil het in den kring der Modernen, in het midden van de Vrijzinnige Hervormden, altijd voorstellen, dat men toch eigenlijk zoo geheel en al met „de Hervormde leer" overeenstemt. Prof. Scholten heeft dat in zijn bekend boek immers al aangetoond! De Modernen hebben eigenlijk eerst recht den zin en de beteekenis der orthodoxe leerstukken doorzien en begrepen en onder woorden gebracht. En de Modernen zijn dus de menschen, die met de Hervormde leer overeenstemmen, terwijl de orthodoxen honderd jaar, en meer, ten achter zijn. De orthodoxen hebben de misvorming, de caricatuur van de Hervormde leer; de Vrijzinnige Hervormden zijn de ware Hervormden, die dan ook ten volle recht hebben in het midden van de Hervormde Kerk.
Zoo willen de Vrijzinnige Hervormden dan ook de Hervormde Kerk niet verlaten; daar hooren ze thuis; en ze zullen preeken en spreken, schrijven en propaganda voeren, tot de Hervormde Kerk weer voor de ware, de echte, de verhevene leer van het modernisme gewonnen is, waarbij ze natuurlijk de orthodoxen zullen dragen zoolang als 't moet, maar die moeten zich gaan haasten om den Modernen gelijk te worden, anders moeten ze er maar uit. Opruimen. Dan moeten die stijve, bekrompene rechtzinnigen, als ze niet anders willen, maar naar de Geref. Kerken gaan; naar die Kerken, waarvan het mode wordt, om dan in schaterlach uit te barsten en op 't kantoor en op de soos en op vergadering, ook op theologen samenkomsten, te roepen: „de slang" of „Assen"!! (Donderend applaus!)
Wat is er nu van aan, dat de leer der Modernen (of neen! foei! dat woord „leer" past niet bij „Modernen"; 't is om kippenvel te krijgen) — dat de ideeën, de beginselen der Modernen overeenstemmen met de Hervormde leer en daar de zuivere, konsekwente voortzetting van zijn?
De Modernen hebben zich omtrent den Persoon en het werk van den Heere Jezus ideeën gevormd; en hun opvatting aangaande Jezus hebben ze onder woorden gebracht, neergeschreven, verkondigd; daarbij bewerende: dat is nu de echte Jezus, en dat is nu de ware beteekenis van zijn woord en werk; dat is zijn leven en dat is zijn sterven, hun geloof in God en met hun beschouwing van den mensch.
Want Jezus staat tusschen God en den mensch; en nu wordt Zijn plaats bepaald door „wat en wie God is" en „wat en wie de mensch" is.
Onze beschouwing — om 't zoo eens even te zeggen — aangaande God en aangaande den mensch, maakt dat we juist zoo'n Jezus noodig hebben, als „de Christus der Schriften" is. Wij hebben een Jezus noodig, Die past in het kader van „Mozes en de profeten" en Die „alzoó moest lijden en alzóó in Zijne heerlijkheid is ingegaan".
Onze Jezus is de Jezus van Gen. 3 vers 15, Wien de verzenen zijn vermorzeld, maar die zóó den Satan den kop vermorzeld heeft De Jezus van Jesaja, op Wien al de zonden en de schuld is gekomen. Die van den Vader geëischt werd en Zijn ziel stelde tot een schuldoffer, hebbende de belofte, dat Hij zóó een groot volk zou ontvangen tot Zijn erve. Onze Jezus is de Jezus van de Schriften.
Daar past een God bij, Die heilig en rechtvaardig. Die genadig en liefderijk is. Die den mensch schiep naar Zijn beeld en gelijkenis; Die met den mensch een verbond oprichtte; Die de belofte des eeuwigen levens gaf aan Adam en zijn nakomelingschap. Maar die het vonnis des doods voltrok aan den mensch na bedreven zonde en begane ongehoorzaamheid. God is rechtvaardig, Die heilig, zuiver is in Zijn rechten.
Daar past een God bij. Die heilig en rechtvaardig is; die genadig is en groot van ontfermen en in Jezus Christus Zijn eeuwig geliefden en eeniggeboren Zoon een genadeverbond openbaar maakt, dat in de stille eeuwigheid, naar het Woord des Heeren, is opgericht. Een verbond, dat niet als het eerste vaststaat in den mensch, die vallen kan, maar dat vaststaat in den Verbonds-Middelaar, Die waarachtig God is en in de volheid des tijds menschelijke natuur aanneemt, geboren uit een vrouw, zaad, vrucht van de vrouw zijnde, niet zaad en vrucht van den man; ontvangen van den Heiligen Geest.
Die Middelaar, Die niet uit de menschen kan voortkomen, maar 'n genade-geschenk Gods is, is gehouden Gods wet te volbrengen, de schuld Zijns volks te dragen, gehoorzaamheid te betoonen in alle dingen, te lijden en te sterven, om, aan het eind van dat schuldovernemend en verzoenend werk, aan het Kruis uit te roepen: het is volbracht!
Dan wordt Hij opgewekt van den Vader, als Hij ook den dood, gesmaakt heeft en de straf en de schande ook van den dood , heeft gedragen. Dan is het offer gebracht, het werk voltooid. En de Vader Zelf wekt Hem op, omdat de Vader, de Heilige en Rechtvaardige, aanschouwt, dat ook „de laatste penning betaald is".
Heilig en Rechtvaardig is de Heere!
En dan staat de Zoon uit den dood op. De zonde is verzoend, de straf is gedragen. Het recht Gods vervuld. Dan ligt de belofte des Vaders daar, dat Hij verheerlijkt zou worden en dat Hij een groot volk zou ontvangen ten erve. Dat genadeverbond is een verbond vol recht en gerechtigheid; Welk recht Christus draagt; welke gerechtigheid Christus vervult. Het komt niet „van zelf", 't Is naar Gods heilig voornemen en het gaat naar Gods heilig recht.
Daarom een „doen" bij den Verbonds-Middelaar Jezus, Die komt om Zijn volk te verlossen van hunne zonden; en Die daartoe verordineerd en gezalfd is met den H. Geest — Hij is de Christus, de Messias, aan de Vaderen beloofd — om alzoo het werk Gods, vol recht en gerechtigheid, te vervullen.
En dan is het „genade", louter genade en geen „werken"; eeuwige genade en goddelijk ontfermen voor een volk van zondaren; daar nu aan dat volk van zondaren Christus' arbeid, Christus' gerechtigheid, wordt toegerekend. Dat komt de Heilige hun schenken. Dat „erven" ze. Gerechtigheid, heiligheid en recht op het eeuwig zalig leven. Om aan zichzelf te sterven, om in Christus te leven. Om in het vleesch, met veel zuchten, te mogen ontvangen en te mogen genieten het leven uit Christus. In Hem ingeplant, leven ze uit Hem. Zij leven niet meer zichzelf, zij leven Christus. Hoewel zuchtend dikwijls: ik ellendig mensch. Want ze zijn er nog; ze zijn er zelf nog; zij, zondaren, zijn er nog; dat ervaren ze dagelijks; en ze stapelen de schuld op, ze maken de schuld dagelijks grooter; maar zuchtend is Christus in hen en zij in Christus; Christus is hun deel, hun leven, hun vreugd, hun hoop, hun roem; Christus, Die alles volbracht heeft; Die opgewekt is uit de dooden; Die den dood verslonden heeft, Die de hel heeft te niete gemaakt; Die ook verheerlijkt is — h u n Jezus, h u n Goël, h u n Losser, h u n Heiland, h u n Middelaar, h u n Koning — en die zit aan de rechterhand des Vaders, hebbende de belofte des Vaders, dat Hij straks al de Zijnen bij zich zal hebben in het huis met de vele woningen en dan Zijn volk als een reine maagd aan den Vader zal voorstellen; wanneer het Koninkrijk Gods volkomen zal zijn en aan den Vader zal worden overgegeven: en dan zal God zijn alles in allen! --- onze Jezus ---, onze hoop, onze vreugd, ons leven en ons sterven — alles in en door en uit Jezus, tot Gods eer en tot zaligheid van gansch Sion.
Dat is genade en recht; dat is recht en genade. Dat vloekt niet met elkaar, dat is de heerlijkste harmonie.
Dat is de heerlijkheid van dien God, Wiens deugd is — naar luid van de Ned. Geloofsbelijdenis, artikel 1 — „eenvoudigheid"; d.i. geen tegenstrijdigheid, geen samengesteldheid, maar éénheid en harmonie in Zijne deugden en eigenschappen.
Dat is geen noodlot; dat is geen fatum; dat is geen toeval; dat is geen determinisme; dat is geen causaal verband; dat is geen evolutie; dat is geen pantheïsme; — dat is het Bijbelsch geloof eens christens; van den christen, die in een drieëenig God gelooft en zingt: Maar 't vast gebouw van Zijne gunstbewijzen, zal toch in eeuwigheid verrijzen".
Nu zegt de vrijzinnige Hervormde: dat is allemaal mooi, maar er is niets van waar. God is anders, de mensch is anders, Jezus is anders — alles is anders. „De weg der zaligheid" ligt niet daar, waar gij, orthodoxen, dien zoekt en vindt, maar „de weg der zaligheid" ligt daar, waar wij Modernen, dien zien en kennen.
En hoe is die weg der zaligheid van de Modernen dan?
Jezus is niet Gods Zoon, Die van eeuwigheid bij den Vader was en in de volheid des tijds mensch is geworden, ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria. Jezus is niet de schuldovernemende Borg en de lijdende en stervende Middelaar.
De orthodoxen miskennen God, miskennen Jezus, miskennen den mensch. 't Is bij de orthodoxen alles „mis", alles verkeerd; en wat zij er van maken is zóó vreeselijk, dat de mensch, de moderne mensch, zich m o e t ergeren; m o e t protesteeren; m o et ontkennen en loochenen. En zoo komt men principieel tegenover elkander te staan; zóó, dat het elkander niet insluit, maar uitsluit.
En principieel ligt dat verschil in den mensch, omdat de moderne mensch een beschouwing aangaande den mensch heeft, die vierkant verschilt van de beschouwing des menschen bij den orthodoxe.
Daardoor wordt God anders, wordt Christus anders, wordt Gods Woord anders, wordt de weg der zaligheid anders, wordt het leven anders en wordt het sterven anders. Alles wordt anders, in den tijd en in de eeuwigheid!
En als de orthodoxe zich dan beroept op den Bijbel, op Oud-en Nieuw Testament, dan moet de moderne dat beroep laken en voor verkeerd en valsch houden. Of beter gezegd: de moderne beweert, dat de Apostelen alles verknoeid hebben, dat Paulus alles verkeerd heeft begrepen en verkeerd heeft geleerd, dat Johannes in zijn waarschuwingen voor valsche leeringen een liefhebber van zichzelven is geweest, verzot zijnde op z'n eigen leeringen — die verkeerd zijn — en bevreesd, dat zijn (eigen) leeringen er onder zouden gaan!
De Bijbel is de orthodoxe Bijbel.
Maar die orthodoxe Bijbel is niet het woord van Jezus; maar een verbastering van dat woord van Jezus; een verknoeien van de waarheid. De Bijbel is het woord, de letter; maar die letter doodt; men kan er niet bij ademhalen, het is alles even gemaakt, mismaakt, dood en vol ergernis! Neen, niet dien Bijbel der orthodoxen, maar het woord van Jezus, den geest van Jezus — wat dan het woord en de geest van de modernen is.
De modernen geven het woord aan, dat Jezus gesproken heeft.
De Apostelen en Evangelisten hebben dat niet goed overgebracht. Die zijn aan 't fantaseeren geraakt, die hebben alles in hun eigen hersens, vol, van eigen ideeën, verwerkt en misvormd, naar eigen model ingekleed. Maar de modernen zullen de goudkorrels er uit halen uit dat vuil en bedorven stuk menschenwerk. De geest van de Apostelen is Jezus' geest net. De geest van de Apostelen is een andere geest. Een geest, die niets gemeen heeft met den geest van Jezus. Een geest, die den geest van Jezus geweld aandoet; die. den geest van Jezus beleedigt. En daarom, er moet een ander woord van Jezus komen; er moet een andere geest komen, die alles doortrekt.
De Bijbel staat een gezonde modernistische beweging in den weg. De Christus der Schriften is de vijand van de modernen.
Ze zullen Hem tegenstaan. Ze zullen andere woorden, waaruit een andere geest u tegenkomt, prediken. Een ander Evangelie, een anderen weg, een anderen God, een anderen Jezus, een anderen mensch, een ander leven, een ander sterven, een anderen hemel en — geen hel.
Alles anders. Principieel anders. En dan zegt men toch, dat dat de Hervormde leer is; de echte, de zuivere; veel beter dan de leer der orthodoxen. Maar dan weten wij niet meer wat historie, wat kerkrecht, wat waarheid is. Wat overeenkomstig de Hervormde leer is, is daarmee overeenkomstig. En wat niet overeenkomstig de Hervormde leer is, is daarmee niet overeenkomstig. Schrift in het midden, als norm, als regel en maatstaf voor leer en leven. Niet wat wij denken of zeggen, maar wat de Heilige Schrift zegt. En dan de belijdenisschriften der Kerk, de Sacramenten — wat die zeggen en wat die bedoelen.
Wat dan vierkant anders is, is vierkant anders. En wat daarmee overeenstemt, stemt er mee overeen.
Ds. N. van der Snoek.
Gelukkig kunnen we melden, dat het met den patiënt, die nog uitermate zwak is en nog absolute rust moet houden, goed gaat. De dingen beginnen weer een natuurlijk verloop te hebben en er is alle hoop, dat het nu gestadig beter zal gaan. De Heere, Die groote barmhartigheid bewees tot op heden, verheerlijke ook verder aan den zieke Zijn Naam als Ontfermer!
STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Het Belgisch Verdrag.
De stemming, welke de vorige week in de Tweede Kamer over het Belgisch Verdrag plaats vond, is er ontegenzeggelijk een geweest van bijzonder groot gewicht. Het zal niet gemakkelijk zijn, om uit den laatsten tijd één Kamerbeslissing aan te wijzen, waarbij de verantwoordelijkheid van de Kamerleden vóór 's Lands zaken zoo zwaar moet hebben gewogen, als bij het votum, dat op 11 November werd uitgebracht.
Het kan dan ook niet verwonderen, dat van de 100 afgevaardigden er 97 bij de stemming present waren en alleen de zieken, die niet vervoerd konden worden, afwezig bleven. En van deze 97 Tweede Kamerleden stemden, los van elk partijverband, 50 leden vóór en 47 tegen het verdrag, terwijl het bekend is, dat wanneer ook de drie absente leden waren tegenwoordig geweest, het kleine verschil in de stemmenverhouding nog geringer zou zijn geworden.
Waarin lag nu het groote gewicht van de stemming, welke in de Tweede Kamer over het Belgisch Verdrag plaats had?
Naar het ons wil voorkomen, in twee dingen.
Eerstens in de verstrekkende staatkundige beteekenis van het tractaat, en verder in zijn politieke en economische gevolgen voor ons land. Om de staatkundige beteekenis van het Belgisch Verdrag te kunnen begrijpen, zal men moeten beginnen met zich rekenschap te geven van het Belgisch p r o b 1 e e m. Dit probleem, belangende de volkenrechtelijke- en internationale positie van onzen Zuidelijken nabuur, België, welk probleem reeds sinds 10-tallen jaren bestaat, kwam na den wereldoorlog van 1914—'18 bij het sluiten van den vrede van Versailles in 1919, in een nieuw stadium te verkeeren.
Vóórdien was België een neutrale Staat, welks neutraliteit werd gewaarborgd door de vijf groote mogendheden.
Dit geschiedde na de afscheiding van België van Nederiand, in het jaar 1830, bij het bekende tractaat van 1839, waarmede zeer nauw samenhangt het op Donderdag 11 November door de Tweede Kamer goedgekeurde Belgische Verdrag.
Maar evenals in het jaar 1839 de verlangens der Belgen zeer ver gingen, stond het ook met de eischen, welke in 1919 gesteld werden. Zelfs overtroffen de laatsten nog verre de eersten. Het was echter aan den grooten tact en het wijs en voorzichtig beleid van onzen Minister van Buitenlandsche Zaken, mr. van Karnebeek, te danken, dat hij te Parijs uit het politieke steekspel met den toenmaligen Belgischen Minister, mr. Hijmans, als overwinnaar te voorschijn trad.
Om de beteekenis van deze overwinning nog eens duidelijk voor oogen te krijgen, hebben wij slechts te herinneren aan de Wielingen-kwestie en aan het Belgisch annexionisme (inlijvingsbegeerte), dat zijn begeerige oogen wierp op Zeeuwsch-Vlaanderen en Zuid-Limburg.
Uit dat groote gevaar, dat ons volk in al zijn geledingen destijds wakker schudde en het deed te wapen loopen om de machtsontwikkeling van België tegen te staan, heeft God de Heere ons land en volk wonderbaarlijk uitgered. Intusschen haalde het Vredesverdrag van Versailles een streep door een allerbelangrijikst gedeelte van het Verdrag van 1839. De verplichte neutraliteit van België werd uit dank voor hetgeen dat land in de oorlogsjaren ten behoeve der Entente-mogendheden had gepresteerd, opgeheven, waardoor de beperking der souvereiniteit van België verdween. België werd nu, evenals zijn Zuidelijke nabuur Frankrijk en zijn Noordelijke nabuur Nederland, een souvereine Staat.
Doch daarmede was de taak der Mogendheden ten opzichte van België's positie nog niet afgeloopen.
België was wel staatkundig geholpen, doordat het zijne volle souvereiniteitsrechten verkreeg, doch thans moesten nog de --- bepalingen van het tractaat van 1839 aan een revisie (wijziging) worden onderworpen. Dit zou geschieden bij een verdrag, dat tusschen Nederland en zijn Zuidelijken nabuur zou gesloten worden, waarvan de onderteekening in 1925 door de Nederlandsche regeering plaats had, maar nog door de Staten Generaal diende te worden geratificeerd (goedgekeurd).
Eerst wanneer het met dit tractaat in orde zou zijn gekomen, zou met alle zekerheid kunnen worden vastgesteld, dat de taak der Mogendheden voleindigd was en zouden latere besprekingen, zoo deze zich nog mochten voordoen of ook noodig blijken, een zaak zijn uitsluitend ter afdoening tusschen Nederland en België.
Werd echter het verdrag niet goedgekeurd, d.w.z. zouden de Staten Generaal in Nederland zich tegen ratificatie van het tractaat verzetten, dan zou dit tot gevolg hebben, dat alles opnieuw op losse schroeven kwam te staan, de overwinning van mr. Van Karnebeek, te Parijs behaald, ongedaan werd gemaakt, het Belgisch annexionisme weer hoogtij ging vieren en last not least (het laatste en niet het minste) dat het verre van denkbeeldig mocht worden geacht, dat België, voor wat het zijn economisch levensbelang acht, bij de Mogendheden uit den wereldoorlog steun zou zoeken. In dat geval zouden nieuwe onderhandelingen met België groote gevaren voor ons volk kunnen opleveren, misschien een ramp voor ons land worden en een sprong in het duister beteekenen.
Dit is de staatkundige beteekenis van het Belgisch Verdrag.
Nu zou intusschen — en hiermede komen wij aan het tweede punt: de politieke en economische gevolgen van het Belgisch tractaat voor Nederland — het verdrag, ten spijt van alle gebeurlijkheden, onvoorwaardelijk en met alle beslistheid moeten zijn afgewezen, zoo de aanvaarding van het tractaat ook maar in het minste inbreuk maakte op onze souvereiniteit en daardoor aan de eer en het aanzien van Nederland tekort deed. Want zou dit laatste het gevolg zijn geweest van de goedkeuring van het Belgisch Verdrag, dan had ons volk, het kostte wat het wilde, zich tot het uiterste toe behooren te verweren.
Immers was het Gods bestel, dat de plaats onzer woning bepaalde, daarvoor de grenzen trok, met de bedoeling, dat wij de erve der vaderen zouden bewaren, om deze in hare volle vrijheid en souvereiniteit aan de kinderen van ons volk over te geven.
Nu is er echter een oogenblik bij het debat geweest, dat de meening onder ons post vatte, dat het tractaat ten opzichtte van het Schelde-regiem metterdaad onze soevereiniteitsrechten op die rivier te na kwamen.
Maar wat bij alle verschil van inzicht tijdens het openbaar debat in de Tweede kamer is gebleken, was, dat van een schending van Nederland's souvereiniteit in geen enkel opzicht mocht worden gesproken.
Duidelijk en met groote beslistheid heeft de Minister van Buitenlandsche Zaken 't bezwaar, dat van onderscheiden kant kwam, afgewezen. En dat van een inbreuk maken op onze souvereiniteit over de Schelde dan ook niet kan gesproken worden, werd zoo overtuigend aangetoond, dat zelfs tal van bladen, die na de stemming In de Tweede Kamer aan de beslissing beschouwingen wijdden over het Schelde-vraagstuk, in dezen zin, niet meer spraken.
Het eenige wat de aandacht, voor en na het votum der Kamer bezig hield, en nog bezig houdt is het economisch nadeel dat Nederland zal ondervinden, bijzonderlijk van het aanleggen van het kanaal Antwerpen—Moerdijk.
Of dit nadeel zich inderdaad in de toekomst zal voordoen, moet afgewacht worden.
Tegenover degenen, die zulk gevaar voor Rotterdam en Amsterdam duchten, doordat Antwerpen middels het nieuwe kanaal --- Rijnhaven een grooten voorsprong zal krijgen, staan anderen, die van meening zijn dat de beschouwingen, welke aan deze zaak werden gewijd, sterk overdreven zijn; om de moeilijkheden, welke de scheepvaart op het kanaal zal ondervinden, tengevolge van de sluizen, welke op dit vaarwater zullen moeten worden gebouwd.
Echter, hoe dit alles ook zij, de economische gevolgen van het Belgisch tractaat voor Nederland behoorden ten slotte gesteld te worden tegenover de staatkundige moeilijkheden, welke van de verwerping van het Verdrag het gevolg zouden kunnen zijn.
Hier lag voor ieder Kamerlid de verantwoordelijkheid voor de wijze, waarop hij zijn stem had uit te brengen. Over de daad zelve oordeelen wij niet. Wat wij met deze breede uiteenzetting voorhadden, was, om een objectieve beschouwing te geven over het Belgisch Verdrag en wat daarmede samenhangt en om de onjuiste beoordeelingen weg te nemen welke bij velen de hoofden warm maakt.
Verhouding tusschen Staat en Kerk.
In de paragraaf „Kosten der Eerediensten" in het „Verslag" der afdeelingen van de Tweede Kamer op het VIIde Hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het volgende jaar worden ook ditmaal enkele opmerkingen gemaakt betreffende de verhouding van S t a a t e n K e r k. Om de zaak zelve, waarvoor al onze lezers belangstelling zullen hebben, laten wij hieronder woordelijk volgen wat in het „Verslag" voorkomt.
Wij lezen dan:
Wederom werd door sommige leden aangedrongen op losmaking van den financieelen band tusschen Kerk en Staat. Den leden betreurden het, dat nieuwe posten op de begrooting voorkomen, welke dien band weder nauwer aanhalen. Andere leden juichten het toe, dat de Staat mede door het verkenen van subsidien aan de onderscheidene kerkgenootschappen de geestelijke belangen van het volk wenscht te behartigen. Er waren leden, die aanleiding vonden in deze beschouwingen te betrekken het Koninklijk besluit van 7 Januari 1816, houdende de organisatie van het bestuur der Hervormde Kerk in de Nederlanden.
Eenige leden wenschten van deze gelegenheid gebruik te maken om er op tt wijzen, dat ten aanzien van de Ned. Herv. Kerk de gelden, bestemd voor de predikantplaatsen, in verschillende gevallen aan deze bestemming worden onttrokken, doordat het daarbij betrokken kerkelijk bestuur weigert, een verzoek om handopening naar het Departement van Financiën door te zenden op grond, dat de gemeente aan een of andere voorwaarde niet wenscht te voldoen. De hierbedoelde leden meenden deze gedragslijn der bedoelde kerkelijke besturen te moeten afkeuren. Andere leden namen haar in bescherming. Zij achtten haar zeer logisch, waar de lagere kerkelijke overheid blijk geeft, niet zelf voor een voldoende salarieering der predikanten te willen zorgen.
Gevraagd werd nog, of de tijd niet rijp is voor de totstandbrenging van een wet op de geestelijke goederen, niet, opdat de Staat over die goederen zou gaan heerschen, maar opdat worde voorkomen, dat op onregelmatige wijze met de fondsen wordt omgegaan.
Met belangstelling zien wij het antwoord van den Minister van Financiën op deze opmerkingen uit het „Verslag" tegemoet. Wat betreft de vraag om een wet op de geestelijke goederen tot stand te brengen lijkt ons de aandrang daartoe op het eerste gezicht niet geheel van bedenking v---
De Godsdienst er buiten
Vele menschen weten blijkbaar niet wat godsdienst is. Want als ze dat weten, zouden ze erkennen, dat iemand die godsdienstig is, God wil dienen op elk terrein des levens met Hem levend in verborgen omgang, van Hem sprekend overal, voor Zijn eere strijdend waar het maar mogelijk is. „Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het alles ter eere Gods". (1 Cor. 10 vers 31).
De godsdienst wil men — denk aan de liberalen en socialisten — op een afzonderiijke plaats zetten, zóó dat de godsdienst feitelijk buiten alles komt te staan; geheel werkeloos en krachteloos. Men moet niet aan iemand kunnen merken op het terrein des levens, dat iemand godsdienstig is! De godsdienst er buiten. De godsdienst privaatzaak; voor iemand privé; voor iemand persoonlijk. In de binnenkamer — dat mag dan desnoods nog, maar verder mag de godsdienst niet komen.
Voelt men niet, dat zulk redeneeren het hart van den godsdienst uitsnijdt en een gruwelijke beleediging is voor God, die de Schepper, de Eigenaar, de Bestuurder en Onderhouder aller dingen is en Die gezegd heeft: Ken Mij in al uwe wegen?
De godsdienst moet in z'n waarde gelaten worden. En dan is het karakter van den godsdienst, dat het als een zuurdeeg alle malen meels moet doortrekken.
Zegt de Wet des Heeren niet: God den Heere lief te hebben, met geheel ons hart met geheel onze ziel — met geheel ons verstand?! Is dat alleen in de b i n n e n k a m e r? Is dat alleen met het g e m o e d s l e v e n godsdienstig? Of moet onze godsdienst niet gaan over en door héél het leven; over en door alles wat we denken en doen?
Wie dat ontkent, snijdt den godsdienst bij de hartader af. De godsdienst brengt noodzakelijk een wereldbeschouwing mee, waarbij alles in den kring van den godsdienst wordt getrokken.
Spottend zegt men dan wel: men kan toch niet „christetijk" bruggen bouwen of dijken leggen? En zoo wil men dan b.v. den godsdienst buiten de Staatkunde houden. Want 't gaat alleen om d i t en d a t werk te doen, waarvoor k n a p p e (en geen „godsdienstige") menschen noodig zijn — zegt men.
Maar wij zijn niet zóó onnoozel, dat wij ons met een kluitje in 't riet laten sturen. En niet alleen dat wij gaarne christelijke ingenieurs hebben en christelijke dijkmeesters enz. (want niet-christelijke of antichristelijke dijkmeesters enz. kunnen voor de christelijken soms lastige menschen zijn, die zich met hun liberalistische of socialistische beginselen alles behalve als vrienden van God en Zijn dienst, van Kerk en School openbaren!) maar wij willen christelijke mannen hebben, die, bij de grootsche taak van ons volk te besturen, leven uit het beginsel: „Gij zult liefhebben den Heere, uwen God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en het groote gebod". (Matth. 22 vers 37, 38).
't Gaat niet om bruggen bouwen en dijken maken alléén in het midden van het nationale, staatkundige, maatschappelijke leven.
't Gaat om het volk te besturen; om ales te regelen en te richten naar behooren. Wetten moeten worden gemaakt, recht moet worden gesproken; de Kerk, de School komt in 't geding; en zou men dan denken, dat hier de godsdienst niet van beteekenis is? Dat het hier niet gaat om christelijke of anti-christelijke beginselen? Zou men denken, dat men hier den godsdienst kan uitschakelen?
Zedelijkheid, verantwoordelijkheid, straf, schuld, huwelijk, onderwijs, opvoeding — zijn dat allemaal dingen, waarbij het er niet op aankomt uit welke b e g i n s e len iemand leeft? Is dat z.g.n. neutraal terrein? Mag en kan men hier zeggen: de godsdienst er buiten?
Immers neen! Als men dat zegt, dan gaat alles buiten God en buiten Zijn Woord om; dan gaat het in anti-christelijke wegen, hollend naar den afgrond!
Rechters, burgemeesters, hoogleeraren, ministers, Kamerleden — moeten kleur bekennen. Ze moeten uit beginselen leven. En dat is óf christelijk óf anti-christelijk. Dat is óf naar Gods Woord óf naar des menschen bedorven verstand! (Ef.4 : 18). Laat men maar eerlijk zeggen, dat het zóó is. Die geen christelijke staatkunde willen, wenschen moderne staatkunde, dat is godsdienstloze of anti-christelijke staatkunde. Eén van beide moet men kiezen. En dan is voor ons de keus niet moeilijk. Niet het verduisterd verstand (Ef. 4 vs. 18) maar Gods Woord moet de leidsman zijn.
Leer mij naar Uw wil te hand'len
'k Zal dan in Uw waarheid wand'len
Ai, maak mij Uwe wegen,
door Uw Woord en Geest bekend — en leer mij Uw wet betrachten".
Daarbij hoort leer en leven, geloof en wandel bij elkaar, ook in de Staatkunde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's