MEDITATIE
Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.
Openb. van Joh. 3 vers 20.
De apostel Johannes, verbannen op Patmos moest op goddelijk bevel een schrijven richten aan de gemeente van Laodicea. Deze gemeente maakte een uitzondering op de meer jongere gemeenten. Zij beroemde er zich dan ook op als zij zegt: „Ik ben rijk en verrijkt geworden en heb geens dings gebrek". Zij had het oog op haar geestelijken rijkdom. Doch zij meende gezond te zijn en zij was krank. Zij meende te leven en zij was dood.
Want welk een oordeel werd over haar uitgesproken. Johannes schrijft: „Ik weet uwe werken; dat gij noch koud zijt of heet; och of gij koud waart of heet". Uit lauwe Christenen bestaat zij, die de waarheid van het evangelie in lijdelijke erkenning hebben aangenomen. Zij bewandelden den gulden middenweg. Deze te heet, gene te koud, deze te vroom, die te slecht.
Niet te veel doen zij met de wereld mee, doch hun godsdienst mocht niet te beslist zijn. Lauw en onverschillig zijn zij tegenover den Christus, lauw tegenover de waarheid van het evangelie en daarom werd hun dit oordeel aangezegd. Zoo dan omdat gij lauw zijt, daarom zal ik u uit mijnen mond spuwen.
En nu komt hier weer die grootste tegenstelling aan den dag, die altijd gezien wordt als licht en duisternis, hemel en hel.
Nog betoont de Heere te zijn, dezelfde, lankmoedige God, in wien het woord van den profeet in vervulling treedt: Zoo waarachtig als ik leve, spreekt de Heere, zoo ik lust heb in den dood der goddeloozen, doch daarin heb ik lust, dat hij zich bekeere en leve.
Zie Ik sta aan de deur en Ik klop.
Jezus, Hij, die met den Vader en den Geest, de eenige en waarachtige God is. Hij daalt hier zoo laag en diep af. Hij gaat rond en klopt aan de deur des harten. Is het geen nederbuigende liefde, dat Hij zoo laag afdaalt, van Wien geschreven staat: „Die in al onze benauwdheden mede benauwd is geweest, die een medelijdend Hoogepriester werd." Doch voor die liefde, die zoo groot is, valt geen offer te zwaar. Daarom komt Hij kloppen aan de deur des harten, opdat de zondaar voor eeuwig hem toegang zou verleenen en behouden worden.
Dat aankloppen beteekent al de moeite en arbeid, die Hij aanwendt om menschen te bekeeren, ook in het standvastig aanhouden dat Hij doet. Hij laat zich niet afwijzen, maar klopt dikwerf en aanhoudend. O, dat kunnen wij altijd niet beseffen, dat wij met zulk een Christus te doen hebben. Als de ziel van verre staat en staart op haar schuld, kan zij het niet indenken dat de Hoogepriester Jezus vaardig is om 't bloed der verzoening te openbaren als de volkomene bedekking harer schuld.
Of als zij te doen heeft met de hardheid des harten en het niet begrijpen kan hoe het gebogen kan worden, dan is er genade voor noodig om te gelooven, dat zij te doen heeft met een vaardigen Koning, die ieder oogenblik gereed is om Zijne Koninklijke almacht te openbaren in de kleinmaking des harten. Zoo is Hij de Vaardige, als Profeet om te leeren den weg dien zij gaan zal om te leiden door alle moeiten en oneffenheden des levens.
Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Door dit beeld wordt natuurlijk gewezen op de onmiddellijke tegenwoordigheid. Want de Heere Jezus is overal tegenwoordig. Mochten wij dit maar meer verstaan. Zegt Hij niet: Ik ben met ulieden al de dagen tot aan de voleinding der wereld. Maar als wij dit meer verstonden en uit die gedachten leefden dat de Heere overal tegenwoordig is, zou ons dit meer doordringen van den ernst des levens.
De gedachte, dat Hij overal is, ook in de eenzaamheid, ook daar, waar wij denken dat niemand ons ziet of ons hoort, zou ons van veel terughouden. Maar het te belijden met de lippen en het werkelijk te doorleven met de ziel, zijn twee verschillende zaken. Daarom is het zulk een voorrecht als de Heere Zich aan ons openbaart en wij met Jacob kunnen zeggen: De Heere was aan deze plaats, maar wij hebben het niet geweten.
Welk een bemoediging voor een ongelukkige, die te midden van den strijd des levens den Heere vaak o zoo verre denkt. De Bruid uit het Hooglied zegt: Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, die mijne ziel liefheeft. Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. En op een andere plaats roept zij uit: Mijn liefste is doorgegaan. Maar daar ontdekte zij toch weer, dat Hij aan haar deur was, Zijn heerlijkheid scheen door de traliën der vensteren heen.
Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Wie heeft dat kloppen van den Heere Jezus nog nimmer gehoord? Onafgebroken klopt Hij. Hij klopt waarschuwend en vermanend. Hij klopt door Zijn Woord, bij de samenkomsten in Gods huis. Hij klopt door allerlei levensomstandigheden, door voor-en tegenspoed.
Nu is het een teeder, liefelijk kloppen, liefelijk in de prediking van het Evangelie, als Hij Zijne armen uitstrekt en vermoeiden en beladenen uitnoodigt om tot Hem te komen; dan weder klopt Hij met den donder der wet, als Hij zegt: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet.
Uitwendig klopt Hij, wanneer vrede en rust geschonken wordt vreugde. Inwendig klopt Hij door de werking des Geestes. Kortom, Hij klopt door kruis en tegen spoed. Hij klopt lang en onophoudelijk. Al werd Hij tot nu toe telkens afgewezen, toch klopt Hij, totdat Hem toegang verleend wordt, totdat de deur des harten door Gods genade geopend werd of totdat de tijd der genade voorbij is.
Welk een onderscheid.
Maar als dan ook , het laatste het geval is, dan zal ook iedere roepstem, iedere klopping aan de deur des harten het oordeel verzwaren. Wat doet gij, waarde lezer, met het kloppen des Heeren? Eenmaal houdt het op. En na het sterven, het oordeel. Dan de wroeging der consciëntie, dat gij de deur des harten gesloten gehouden hebt.
Och, bedenkt het. Nog is het de tijd , der genade.
Welgelukzalig de ziel, die door Gods genade heeft leeren luisteren naar het kloppen aan de deur des harten. Want dan volgt deze belofte: Indien iemand Mijne stem hoort en de deur open doet. Ik zal tot hem inkomen en Ik zal met hem Avondmaal houden en hij met Mij. Want van dat volk geldt het:
Zij zullen uit de volheid van 't gemoed,
Gedachtig aan den milden overvloed
Van Uwe gunst, die roemen bij elkeen
En juichen van al Uw gerechtigheên.
Voorthuizen. W.L.M.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's